Bij de eerder geciteerde rudimentaire dankbaarheid omdat anderen hem helpen bij zijn pogingen om in leven te blijven, is er natuurlijk ook rudimentaire woede, omdat die anderen daarbij soms in gebreke blijven.

Spinoza benadrukt dat: iemand die afhankelijk is en zichzelf als zodanig beschouwt ervaart zowel liefde als woede jegens degenen van wie hij afhankelijk is..

Het kleine kind begrijpt echter nog niet dat liefde en woede op dezelfde bron gericht zijn.
Zijn onzekerheid over de grenzen tussen zichzelf en de ander kan het onduidelijk maken of de bron van frustratie binnen of buiten zichzelf ligt.

Hij krijgt een vage indruk dat er blijkbaar slechte en goede instanties zijn, die op een of andere manier een deel van zichzelf zijn, en richt dus verbijsterd zijn woede nu weer eens op dat deel van zichzelf en dan weer naar buiten, of hij slaagt er zelfs niet in om dat onderscheid te maken.

Het is geen aangeboren destructieve neiging maar een reactie op hoe je in het leven staat.
Wel brengt ‘zich ontwikkelen’ veel momenten van ongemak en frustratie met zich mee.

‘Een zekere frustratie van de wensen van het kind door het zelfstandig komen en gaan van de verzorger is zelfs noodzakelijk voor een goede ontwikkeling, want als het eenvoudig alles krijgt voordat het zich onbehaaglijk voelt, zal het kind zelf nooit iets aan de situatie proberen te veranderen.

Anderzijds begrijpt het kind uiteraard de diepere bedoeling niet.
Zijn houding is er een van kinderlijke almacht waarin de hele wereld om zijn wensen draait.
Elk tekortschieten van de verzorger om die wensen te vervullen heeft woede tot gevolg alsof het in een hem toebhoren recht tekortgedaan was (om dit wat voorbarig in complexe termen te formulen, voegt Nussbaum er dadelijk aan toe.)

bozebaby02

cassat

Je kunt het ook met Seneca zeggen: ‘in het Gouden Tijdperk is ‘misdaad ver weg’ en ontbreken alle gulzigheid en woede, omdat de buitenwereld dan elke wens van tevoren vervult. (alsof je eeuwig zou leven, bijvoorbeeld)

Woede houdt een nauw verband met de groeiende liefde van het kind.
Juist in het besef dat zowel de goede dingen als de afwezigheid daarvan een externe bron hebben garandeert de aanwezigheid van beide emoties. (hoewel het kind nog niet beseft dat het in beide gevallen dezelfde bron is, dat ze dezelfde als object hebben.)

Die woede leidt al vlug tot een crisis in het leven van een kind.
Maar het is duidelijk dat de aard van het vasthouden door de ouders mee beïnvloedt wat de situatie van het kind is als het zo’n crisis doormaakt.

Hier ontwijkt Martha Nussbaum de begrippen van Winnicott als ‘the good enough mother’ en spreekt ze van het ‘good enough holding’.
Deze ‘goed genoeg moeder’ is echter een basisbegrip in het werk van Winnicott.

In zijn ‘Primary Maternal Preocupation’ uit 1956 leidt hij een nieuwe visie in op het moederschap, ‘as a special phase in which a mother is able to identify closely and intuitively with her infant, in order she may supply first body-needs, later emotional needs, and allow the beginnings of integration and ego-development’.

We zullen een volgende keer een voorbeeld uit de praktijk bespreken waarin niet de good enough mother maar een super-mama voor de nodige schade zorgt.