bolleke

hoekige

‘Het vermogen van ouders (of andere verzorgers) om aan de almacht van het kind tegemoet te komen met een voldoende attente, stabiele zorg schept een kader waarin vertrouwen en onderlinge afhankelijkheid geleidelijk kunnen groeien.
Het kind zal zijn almacht, zijn eis om voortdurend verzorgd te worden, geleidelijk loslaten, zodra het begrijpt (ervaart) dat anderen te vertrouwen zijn en het niet volkomen hulpeloos zullen achterlaten.’

Martha Nussbaum refereert naar de ambivalentiecrisis waarin dit vroege kader van stabiliteit en continuïteit een waardevolle steun zal zijn.
Dus zal aan de andere kant een kind dat onvoldoende stabiel vasthouden ervaart of bij wie het vasthouden op een buitengewoon overheersende of opdringerige manier gebeurt, zonder enige ruimte om er van los te komen en een vertrouwensrelatie op te bouwen, zich ook in zijn latere leven aan zijn eigen almacht vastklampen.

Winnicott gaf in Holding and Interpretation daarvan een uitgebreid voorbeeld.
Ik probeer die lange analyse samen te vatten omdat ze aantoont dat overdadige ‘zorg’ net zo’n schade kan toebrengen als verwaarlozing.

Winnicott noemt zijn patient B, een jonge mannelijke student medicijnen die leed onder zijn overmogen om spontaan te zijn of persoonlijke gedachten te uiten. In het gezelschap van anderen zou hij nooit een gesprek beginnen of voorstellen om iets te doen zodat iedereen hem tamelijk saai vond.
Je zou hem ‘versteend’ kunnen noemen, een doodse persona die probeerde zijn almacht over zijn innerlijke wereld te behouden door voortdurend te waken over zijn taal en gedachten.

Tijdens de analyse bleek dat B. tijdens zijn jeugd had geleden onder de overbezorgde, kille ouderlijke zorg.
Zijn moeder eiste volmaaktheid van zichzelf en interpreteerde elke behoefte waarvan de baby uiting gaf als een signaal dat ze de gewenste perfectie niet had bereikt.
In feite komt het erop neer dat zij door haar houding haar kind belet om een ‘behoeftig’ kind te zijn.

dyn001_original_451_339_jpeg__01a95d43cd735c98ccf520b52c181db9

‘Omdat zijn moeder volmaaktheid nastreefde (wat door hem werd ervaren om zich roerloos tge houden en zelfs dood te zijn) kon hij zichzelf niet toestaan om van iemand afhankelijk te zijn of iemand te vertrouwen.
‘Onvolmaakt zijn betekent voor mij afgewezen worden,’ zei hij tegen Winnicott. ‘Ik ben nooit volledig mens geworden. Dat heb ik gemist.’
Elk teken van menselijkheid werd afgewezen door zijn moeder, die door haar eigen vrees alleen kon blij zijn met een rustige, volmaakte baby.

Op de achtergrond van dit slechte ‘vasthouden heb je het gevoel van ‘eindeloos vallen’.
Dat gevoel leidt tot een bijzonder intense woede en een bezitterig liefde die geen menselijke realiteit verdraagt.
Daardoor is ook het spel van verwondering en nieuwsgierigheid stil gezet.
De creativiteit die in een context van vertrouwen envasthouden groeit, is nooit tot ontwikkeling gekomen en daardoor ontstaat er een star, kil mens.

De subtiele wisselwerking tussen moeder en kind zorgt voor het vermogen om persoonlijke relaties te kunnen aangaan.

Liefde, concludeert Winnicott betekent veel dingen, ‘maar de ervaring van subtiel samenspel moet er een onderdeel van zijn. Je zou kunnen zeggen dat je hierin het geven en ontvangen van liefde ervaart.’

Een andere primitieve emotie die het bestaan van deze patiënt overheerste: de emotie schaamte voor zijn eigen menselijkheid.

Alle kinderlijke almacht is gekoppeld aan hulpeloosheid.
Als een kind beseft dat het van anderen afhankelijk is, dan valt ook te verwachten dat dit tot een primitieve, rudimentaire schaamte leidt.

‘Bij schaamte speelt immers het besef dat je zwak bent en op een of andere manier tekort schiet in iets waarvan je dacht dat je het kon.
Reflexmatig wil je dat dan voor iedereen verbergen.

Over die primitieve schaamte zullen we in volgende afleveringen verder spreken, want waarschijnlijk is zij de basis voor veel ongenoemd leed en onvermogen.