dyn002_original_480_360_jpeg_20344_39a40e65a72598b541849a0be3e54260

Hij is de laatste.

Als hij of zij, de blauwe regen dus, begint te verkleuren en zijn blad te verliezen zijn we in de black midwinter.

Natuurlijk, zijn buur, de atlasceder blijft zijn groene naalden houden, misschien uit heimwee naar zijn oorspronkelijke standplaats in het Atlasgebergte in Noord Afrika.

Terwijl de blauwe zijn stengels en zaden giftig zijn, wordt de Afrikaan ook gebruikt om uit het hout etherische olieën te trekken.

dyn002_original_437_327_jpeg_20344_74377c705518138c3098f8dc051510f2

De olie wordt gewonnen door distillatie met waterdamp van houtschilfers en zaagsel. De lichtbruine, ietwat stroperige olie heeft een houtige, zoetige geur en werd al in het oude Egypte gebruikt bij het balsemen der doden.

De olie was ook een ingrediënt van “mitrhidat“een tegengif wat eeuwenlang werd gebruikt.

Ceder is verwarmend, versterkt het gevoel van eigenwaarde en helpt bij het loslaten van de door de omgeving opgelegde verwachtingspatronen.

De Ceder wordt nooit aangevreten door insecten, daarom is de olie ook een goede insectenverdrijver.

Werkt gunstig bij aandoeningen van de luchtwegen, angst en depressies. Heel fijn in de sauna, eventueel in combinatie met andere oliën.

met dank aan http://www.anthemis.nl/aroma/ceder.htm

De genese van deze bijdrage heeft echter niets te maken met mijn plantkundige of aroma-dwingende kennis.
Die is tot vrijwel nul te herleiden.

Het gaat om de onkunde.
Mijn eigen onkunde.
Om 25 jaar bij de blauwe en die uit Noord Afrika te wonen en te werken, en pas nu door te dringen tot hun afkomst en ‘mogelijkheden’, nog gezwegen van de genietingen en geuren en hun onhebbelijkheden vijver en dakgoten met blad en naaldenmassa’s te ‘gedenken’.

dyn008_original_451_371_jpeg__97ba39bc211356624f73cfc7a4264932

Maar dat de gifboom en de tegengif-ceder zo broederlijk bij elkaar staan, en dat van in 1933, een niet al te best politiek jaar in de wereldgeschiedenis, mag toeval zijn, maar hun aanwezigheid krijgt er een dimensie bij die mijn blik vanuit het badkamerraam liefelijker en nederiger maakt als ik naar hen kijk als bijna vanzelfsprekende decorstukken, mijn ‘eigendom’ zelfs, die bij het huis en de tuin horen, denken wij, of horen wij bij hen?

Ze leven.
Ze overleven ons.

Het begrip eigendom kun je klasseren bij diezelfde onkunde.
We mogen een tijdje van hen genieten.
Ze hebben de tweede wereldoorlog meegemaakt, hoorden de snikken en kreten van de patienten die achter het andere raam tandheelkundig werden bewerkt en vragen zich af of dat ene kleine meisje van toen (1983) bijna vanzelfsprekend is overgegaan in het kleine meisje van nu.
Zij was toen tien, en het meisje van het meisje wordt 9 in 2009.

Ze zijn zit-woon- en broedplaats voor de talrijke vogels die vanuit hun veilige standplaats letterlijk en figuurlijk neerkijken op de net zo talrijke katten, deze ambivalente wezens die tederheid en giftigheid in hun onweerstaanbare blik verenigen.

Vanuit het badkamerraam gezien begin ik te begrijpen dat ze zoals de menselijke loslopende klim- en slingerplanten, ademen.
Ze zijn ontvankelijk voor bespiegelingen.
Ze zullen op hun manier glimlachen als wij in deze tijd van het jaar bomen met lichtjes en glinsterdinges decoreren .