dyn005_original_364_569_jpeg_20344_abc7711d0eb852539844ae9393c87bb6

Hierboven een brief van Dreyfus vanuit het “Dépot”, lees gevangenis, aan zijn vrouw Lucie, 31 januari 1894, en aan hieronder een aanvullende mooie verbeelding van het geketend schrijven, begrip dat duidelijk wordt als je de geboden en verboden leest aan de linker-zijkant van de gevangenisbrief.

dyn005_original_340_466_jpeg_20344_70a6ae86ce482c9f97f2f0ff7e90bae3

Ik denk terug aan de internaatstijd waar je ook je brieven moest openlaten, en de ontvangen post opengescheurd bij je toekwam tenzij je herderlijke raad kreeg van een praemonstrantenzer uit Rome en je brief gesloten toekwam omdat er met zwierig patersgeschrift ‘nihil obstat’ opstond wat wij oneerbiedig als ‘er staat niets in’ vertaalden.

Brieven kunnen blijkbaar gevaarlijk zijn.
Alleen mensen overtreffen brieven in gevaarlijk zijn.
Uit de briefwisseling tussen Thomas Mann en Hermann Hesse dit fragment van Hesse aan Mann, 8 maart ’34

‘We zijn ook twee dagen in München geweest, waar de jeugd net als vroeger in grote aantallen naar de balzalen toog.
In die omgevingen moesten we heel erg aan je denken
(Mann verbleef vroeger vaak in zijn buitenhuis in Bad Tölz, plaats en tijd die zoon Klaus zich zo scherp herinnerde!)
Het mooie Beierse land met zijn wijdse hemel, en München, alles onder een dikke laag sneeuw en in de zon, maakten weer een diepe indruk op me. Ik vond de kleine mensen onveranderd, intellectuelen heb ik niet gezien, maar in de kring van de aristocratische landheren waarin ik via Wiser belandde, kwam ik zo nu en dan wonderlijke en woeste opvattingen en oordelen tegen.’

Het zinnetje ‘Intellectuelen heb ik niet gezien’ moet je koppelen aan het jaartal 1934, en het wordt dan duidelijk dat de woeste Teutoonse opvattingen geen tegenwicht voor dit schrijnend tekort aan intellectelen zullen vormen.

Mann, op dat ogenblik in vrijwillige ballingschap in Arosa, schrijft hem op 11maart al een antwoord waaruit dit fragment:

dyn003_original_500_375_jpeg__77b4d9abc924ffaccdd3f34bf1d149d3

‘Ik vind het zonde van het mooie, vrolijke Beierse land, en ik benijd u om uw vermogen los van alles te gaan en staan waar u wilt.
Ook hier raden sympathieke mensen me aan naar Duitsland terug te keren, ik ben deel van dat land, zeggen ze, de emigratie is niet goed voor me, het zou de machthebbers goed uitkomen enzovoort. Alles goed en wel, maar hoe moet ik er leven en ademen? Ik kan het me niet voorstellen. Ik zou ten gronde gaan aan die sfeer van leugenarij, het massale gedoe, de zelfbewieroking en de verheimelijkte misdaden.’

Ik denk dat waarnemen -en dan bedoel ik niet alleen het visuele, maar vooral het intellectuele- tijd vraagt.
Tijd om indrukken op te doen, om vergelijkingen te maken, om combinaties van ideeën mogelijk te maken.
Haastige mensen denken niet.
Haast ontmenselijkt.
Duitsers riepen steeds ‘Schnell, schnell’ om toch maar zeker niet te moeten stilstaan bij het menselijke van hun slachtoffers.

Wij haasten ons te pletter.
We lopen dus de werkelijkheid voorbij.
We reageren giftig op slogans in kranten en andere media.
We beseffen dat het populisme hoogtij viert of zal vieren.

Onze wreedheid zit in kleine dingen: mensen treffen in hun privacy, spotten met degenen die we weer aan allerlei mediamieke schandpalen hebben gezet, we giechelen ons te pletter.

Intellectuelen heb ik niet gezien.