2.jpg

Het klinkt allemaal een beetje pessimistisch, maar zegt Ger Groot ‘…het is niet het einde van de kunst, zelfs niet van de religieuze vonk in de kunstcreatie.’
Volgens hem moet je het banaal geworden besef van de verschrikking niet herhalen maar weerspreken.  Kunst heeft ook de kracht om te ontkennen, of minstens te amenderen van datgene wat iedereen al weet. Ze wordt een tocht naar ‘verzoening’.

‘Wil de kunst werkelijk nieuw en ongehoord zijn, dan zal dat nergens beter kunnen dan in de bevestiging dat het leven, tegen alle schijn in, ‘goed’ is om te leven.  Dat wil zeggen: dat het plezier van de zintuiglijkheid bestaat, dat het spel van de waarneming en reflectie ons kan ontroeren en begeesteren en dat het ‘andere’ van de wereld zich openbaart in een jubel en verrukking daarover.’ (104)4.jpg
Het klinkt, zoals de auteur opmerkt, misschien een beetje naïef.  Er is inderdaad ‘de geharnaste’ overtuiging van een illusieloos realisme, maar juist in deze onwaarschijnlijkheid vindt de kunst haar roeping terug het ongehoorde, ja zelfs enigszins schandalige en genante te articuleren.
Veel eer is er met de dood van god niet meer te halen aan de dionysische celebratie van een werkelijkheid die een afgrond is.  Lucebert schreef dat ‘de schoonheid haar gezicht had verbrand.  De kunst zal dus haar eigen en ongehoorde zelfs ‘schokkende’ lading terugvinden in het apollinische.

Fijntjes wordt hier Heidegger geciteerd als hij het heeft over ‘het mysterie van het ding’.  Hij neemt de kruik -een alledaags gebruiksvoorwerp- als voorbeeld.  De dingen en hun betekenis zijn zoals ze moeten zijn, ‘…dat  met andere woorden hun harmonie naar voren treedt als noodzakelijk: zo moet het zijn.’ (105)
En daarmee sluiten we bij Kant aan als hij het over het kunstwerk heeft.

Daarom ook nam ik als voorbeelden enkele mooie voorwerpen uit mijn collectie en duid ik meteen mijn liefde voor hen omdat ze in hun harmonie zijn zoals ze moeten zijn, met liefde gemaakt, en met vakbekwaamheid en inzicht vorm gegeven. Overgeleverd vaak van generatie op generatie.

Zijn we terug bij de transcendentie? Kalos kai agathos.  Het goede en het schone?  Ja, zegt Ger Groot, maar het is een heel andere transcendentie dan die van het ‘subliem-sacrale’.  Het is niet de schok van Batailles ‘heilige’ dat nog geheel tot de traditie van de avant-garde behoort.  Liever dan over het sacrale zou ik hier dan ook spreken over het ‘goddelijke’:  niet als iets dat dreigt en verschrikt, maar als iets dat straalt.  Geen verlorenheid spreekt daaruit, maar een serene beaming- die Nietzsche, anders dan zijn reputatie wil, zou hebben begrepen – of een hemels gevoel van plaats.
1.jpg
De auteur verwijst naar het Bauhaus, een geslaagde poging om die harmonie tot uiting te brengen.  Zowel het Bauhaus als De Stijl zijn steeds op zoek geweest naar een metafysisch beginsel dat -als ‘ware werkelijkheid’ van de wereld door de kunst tot uitdrukking zou worden gebracht. (106) Hun project werd dan ook als een blauwdruk voor de hervorming van de samenleving als geheel ervaren.

‘Wat dat zou hebben betekend voor de politiek-die nu juist de organisatie van onenigheid is-, kan men alleen maar met enige huiver vermoeden.’

VERVOLGT