Respectvol verzoek tot Heer Dood

P3020303

Heer Dood,

Op uw tafel ligt de oogst van dode bladeren
na een regenbui. Eind november, niets aan de hand.
Het sterven is een extra van het seizoen,
weldra gewijd aan een boreling in een stal.

Wat bij zomertijd voor ons koelte was,
laat hier, ongewild zijn volle schoonheid
los: vorm van ’t blad, getand of afgerond
en nervenlijnen, riviertjes vanuit de steel
op tedere kleurentinten van ’t vergaan.

P3020309

Onder het bladerdak zaten wij in zomertijd
tot het zachte donker van uitgerokken dagen,
vertelden over toen wij kinderen waren en
wat wij in wintertijden zouden doen of zwegen
eens een nachtelijke bries hen hoorbaar maakte.

Laat ons eerder dan op uw tafel, heer, het speelse
van de lente in elkanders ogen vinden: het zijn
zoals wij zijn niet verdorren in een dwaze dromendwang
en elkander naar het korte leven staan. Het wintert
vlug en verhalen wachten om verteld te worden.

P3020310

Weet dat weldra de dagen weer gaan lengen:
elke dag een hanenschreeuw langer licht, of lang als

het roepen van een kind dat thuiskomt na een schooldag,
het verlossend uitademen na een verwerkt verdrietje,
het schrijven van je naam op een bedampt raam na een vriesnacht,
het loswikkelen van een praline uit zijn zilveren verpakking,
het inschenken van een glas champagne,
het verzinnen van een uitvlucht,
het uitschoppen van je schoenen,
het lanceren van een papieren vliegertje,
het zwijgen net voor je (een al lang besloten) ‘ja’ zult zeggen,
het aflopen van de trappen om voor de geliefde de deur te openen,
het…

Gelieve dus, donkere heer,
met deze herfst genoegen te nemen.
Het liefste licht is in aantocht.

P1050147

(tekst en foto’ s Gmt.)

Anne Carson: Sappho Drives Upstate

sappho

Sappho Drives Upstate

I saw two old white horses in a field,
in the corner of a field,
in the shade,
who had sought the shade,
thoughtfully.
glancing not quite at each other but past,
holding their heads close, their heads aligned,
standing
as they had stood many times,
a thousand times,
standing so,
weak moments, strong moments,
shivering slightly,
a cool breeze sliding down the apple branches or
All this—
you tore a hole, pushed your arm through, hit the switch.

animals-farm-grass-grazing

‘Sappho rijdt de stad uit

Ik zag twee oude witte paarden op een veld,
in de hoek van een veld,
in de schaduw,
die de schaduw hadden opgezocht,
bedachtzaam.
niet dadelijk naar maar langs elkaar kijkend,
hun hoofden dichtbij elkaar, hun hoofden in dezelfde lijn,
staande
zoals ze vaak stonden,
een duizend keer,
zo staande,
zwakke momenten, sterke momenten,
lichtelijk rillend,
een koel briesje daalt langs de de appel -takken of
Dit alles –
je maakte een holte, stak er je arm door, drukte op de schakelaar.

2 paarden

Anne Carson (1950-) is a Canadian poet, essayist, translator and professor of Classics. She is the recipient of a Guggenheim Fellowship, a MacArthur Fellowship, and the PEN Award for Poetry in Translation. Her most recent book is Iphigenia among the Taurians.
A professor of the classics, with background in classical languages, comparative literature, anthropology, history, and commercial art, Carson blends ideas and themes from many fields in her writing. She is influenced by Ancient Greek literature, Sappho, Simone Weil, Homer, Virginia Woolf, Emily Brontë, and Thucydides. She frequently references, modernizes, and translates Ancient Greek literature. She has published twenty books as of 2016, most of which blend the forms of poetry, essay, prose, criticism, translation, dramatic dialogue, fiction, and non-fiction.

17carson1-superJumbo-v3

In 1986, Carson published her first book, Eros the Bittersweet. Named one of the 100 best nonfiction books of all time by the Modern Library, the book traces the concept of “eros” in ancient Greece through its representations in poetry of the time. Carson considers seriously how triangular and mimetic desires have been represented in the poetry of Sappho, as well as the relationship of eros to solitude. Famously, Carson analyzes Sappho’s Fragment 31 as representing “eros as deferred, defied, obstructed, hungry, organized around a radiant absence – to represent eros as lack.”

roger-de-la-fresnaye-the-magician-207469_thumb

‘Autobiography of red‘, verschenen in 1998, is een uit zevenenveertig episodes bestaande roman in verzen. Voor haar hoofdpersoon liet Carson zich inspireren door een Griekse mythe: Geryon was een gevleugeld rood monster, hij hoedde een kudde rood vee en werd door Herakles gedood. In de roman is Geryon een jongen met een rode huid, een rode schaduw en vleugels op zijn rug, en is Herakles zijn minnaar. Vertaald ook naar het Nederlands. Een fragment als kennismaking: de woordzetting is van de auteur.

Virgil and Dante Riding Geryon, Divine Comedy

‘Geryon vond het als kind fijn om te slapen maar wakker worden vond hij nog fijner.
Dan rende hij in pyjama
naar buiten. De ochtendwind bestormde de lucht met levensflitsen zo blauw dat
elk een eigen wereld beginnen kon.
Het woord elk waaide zijn kant op en viel op de wind uiteen. Geryon had daar altijd
moeite mee – een woord als elk
viel, als hij ernaar staarde, in aparte letters uiteen en was dan weg. De ruimte voor
betekenis bleef maar was leeg.
Je kon de losse letters zien hangen aan takken of meubels in de buurt.
Wat betekent elk?
had Geryon aan zijn moeder gevraagd. Ze loog nooit tegen hem. Als zij de betekenis zei
ging die niet weg.
Ze antwoordde: Het betekent dat jij en je broer elk een eigen kamer hebben bijvoorbeeld.
Hij hulde zich in dit sterke woord elk.
Hij schreef het op school met rood zijdezacht krijt (foutloos) op het bord.
Hij dacht zachtjes aan andere
woorden die hij nu bij zich kon houden zoals kelk en welk. Toen moest Geryon
verhuizen naar de kamer van zijn broer.
Een ongelukkige samenloop. Geryons oma kwam op bezoek en viel van de treeplank
van de bus. De dokters maakten haar weer
met een grote zilveren pen aan elkaar. Erna moesten zij en haar pen vele maanden stil
in Geryons kamer liggen. Zo begon zijn nachtbestaan.
Voordien had Geryon ’s nachts niet geleefd alleen overdag en in de rode tijden ertussen.
Wat stinkt er hier in je kamer zo? vroeg Geryon.
Geryon en zijn broer lagen in het donker in hun stapelbed Geryon boven.
Als Geryon zijn armen of benen bewoog
klonk uit de veren een prettig ge-PING TJONK-TJONK PING dat hem van beneden omsloot als een dik schoon verband.
Het stinkt hier niet, zei Geryons broer. Misschien zijn het je sokken,
of de kikker heb je
de kikker mee naar binnen genomen? vroeg Geryon. Jij stinkt hier zo Geryon.
Geryon zweeg.
Hij eerbiedigde feiten misschien was dit er één. Hij hoorde nu van beneden
een ander geluid.

TJONK-TJONK PING PING PING PING PING PING PING PING PING PING PING PING
PING PING PING PING PING PING PING PING PING.’

(vertaling Marijke Emeis, het boek verscheen in 2000 Autobiografie van rood, Meulenhoff Boekerij)

9905920_20170331-102254-2

Apostle Town – Poem by Anne Carson

After your death.
It was windy every day.
Every day.
Opposed us like a wall.
We went.
Shouting sideways at one another.
Along the road.
It was useless.
The spaces between us.
Got hard.
They are empty spaces.
And yet they are solid.
And black and grievous.
As gaps between the teeth.
Of an old woman.
You knew years ago.
When she was.
Beautiful the nerves pouring around in her like palace fire.

0846e-the-woman-and-the-child-1922

Short Talk on Major and Minor

Major things are wind, evil, a good fighting horse,
prepositions, inexhaustible love, the way people
choose their king. Minor things include dirt,
the names of schools of philosophy, mood and
not having a mood, the correct time. There
are more major things than minor things
overall, yet there are more minor things
than I have written here, but it is
disheartening to list them. When I
think of you reading this I do not
want you to be taken captive,
separated by a wire mesh lined with glass
from your life itself, like some Elektra.

japanese-beauty-soaking-in-the-onsen-all-things-japan-gallery

“We know from childhood that play can be serious. And it requires the freedom to play. Writing, like play, is an exercise of the imagination, and as such an exercise of desire that, Carson writes, teaches us “something about edges.” As does her work, which peers over precipices into error with error’s breath also on the back of its neck. Her brinkmanship addresses the point at which language’s tools are no longer adequate to the job—to death, heartbreak, betrayal, physical and mental trauma, absence, untranslatability—yet remain “an unfortunate necessity.” In the work’s desire to analyze what it knows defies analysis, to use its logic on the illogical, is felt the life force of curiosity. Curiosity and its procedures do not allow contingency to harden into a last word, and so are not much appreciated by systems that prefer power remain stable. As Ilhan Inan has noted, curiosity “can only take place in the absence of certainty.”(Karen Solie)

EKEZPRoWoAALq3E.jpg large

Self-Portrait of Other: Tetsuya Ishida

Ishida_RETURN_JOURNEY_96dpi-720x861

“Kiro” (“Return Journey,” 2003), acrylic and oil on canvas, 17.9 x 15 inches

Zoals Franz Schubert, is de kunstenaar die ik je vandaag graag voorstel, ook slechts eenendertig geworden: Tetsuya Ishida, Japan 1973-2005.
Een merkwaardige tentoonstelling reisde van Madrid, Spanje naar Chicago USA onder de titel: ‘Self-Portrait of Other’ om het werk van deze bijzondere kunstenaar voor te stellen.
Dat hij in Madrid door 350.000 bezoekers werd bezocht, maakt zijn aantrekkingskracht duidelijk.
Het is via het museo Reina Sofia, Madrid dat de tentoonstelling van zijn werk nog tot 14 december in Wrightwood 659 Chicago USA te bekijken is.

tetsuya-ishida-self-portrait-of-another-designboom-5

“Conveyor belt for people”, 1996. Acrylic on board. Private collection,

Toen in 1992 mijn hoorspel ‘Heen en terug’ een prijs van de ‘Television and radio writers association of Japan’, The Morishige Award, kreeg, mocht ik na het feestelijk gedoe nog zo’n tiental dagen in Tokio en grote omstreken verblijven, begeleid door collegae auteurs. Was de belangstelling voor dat land en zijn cultuur al in vroegere dagen aanwezig het verblijf aldaar en de contacten met de Japanse auteurs wakkerden het vlammetje terdege aan dat tot op de dag van vandaag, is blijven branden zoals in dit blog meermaals is gebleken.

H0027-L08907944

Hoe kort ook, door de lange gesprekken in alle mogelijke talen (Nl naar Frans, Frans naar Japans en vice versa) leerde ik de eerste stappen zetten in die sterk gelaagde wereld waarin uitersten en nabijheden sterk van de onze verschilden maar ook elkaar raakten. De zin voor detail, het sterk betrokken zijn bij de natuur, de bezielde kern der dingen, aandacht voor elkaar, het zijn maar enkele gebieden die na mijn thuiskomst verder onderzoek aanmoedigden. Onderaan wil ik dit idee nog even verder uitwerken. De vraag:  hoe moet je als westerling leren kijken naar wat een Japans kunstenaar wilde uitdrukken in zijn beelden-alfabet? Je kijkt immers met de ogen van je eigen cultuurgeschiedenis en die wil in dit geval niet alleen van geschreven alfabet verschillen, maar ook grondig van beeldentaal. Beginnen we met zijn bio?

Tetsuya-Ishida-Untitled-1997

(zonder titel 2003 73 x 91)

Few biographical details about Ishida have been published. He was born and brought up in a coastal town in Shizuoka Prefecture, in south-central Japan. His father was a politician, and his mother was a homemaker; they were not pleased with their son’s decision to go to art school and declined to help him financially during his university years.
With his friend Hirabayashi, Ishida founded a company to produce art- and film-related projects, but with the economic downturn of the 1990s in the aftermath of the big bust that abruptly ended Japan’s long-running, postwar boom, the young partners’ enterprise became more of a conventional graphic-design studio, which Ishida eventually left in order to concentrate on his painting.

Ishida_ON_HOLIDAY_96dpi-720x638

(“Kyūka-chū” (“On Holiday,” 1999), acrylic on board, 18 x 21 inches)

The collapse of Japan’s “bubble economy,” which was largely fueled by wildly speculative real-estate deals, led to a “lost decade” of stagnation and uncertainty. With it came “Where-did-we-go-wrong?” soul-searching throughout Japan, whose industries’ legendary promise of lifetime employment faded; layoffs and bleak prospects for university graduates like Ishida prevailed.

Ishida_REFUEL_MEAL_96dpi-720x509

(Tetsuya Ishida, “Nenryō Hokyū no yō-na Shokuji” (“Refuel Meal,” 1996), acrylic on board, 57.3 x 81.1 inches)

In chilling paintings like “Nenryō Hokyū no yō-na Shokuji” (“Refuel Meal,” 1996, acrylic on board), Ishida nailed the anonymity and anomie of the life of the typical Japanese sarariman (salaryman), or corporate office worker, whose mission in life is to meet sales quotas, pledge fidelity to his employer, and, if necessary, labor to the point of karōshi (death from overwork). Much of Japan’s postwar “economic miracle” was delivered on the backs of such nameless organization men. Ishida’s picture shows a row of men in suits seated at a lunch counter, where servers use gasoline-pump nozzles to inject food-fuel directly into their mouths. (Edward M. Gomez 2019)

tetsuya-ishida-self-portrait-of-another-designboom-4

Toch even remmen:
Als ik de verschillende commentaren in mijn collectie samenleg dan zal het je niet verbazen dat onze reactie op zijn werk eerder vanuit onze westerse bedenkingen dan uit de Japanse ervaring zijn ontstaan.
De ‘crisis’ van de jaren negentig was inderdaad niet alleen een economische maar stelde aan de samenleving aldaar indringende vragen. Toch moet je onze opvattingen over die zgn. karoshi ((過労死) -dood door overwerken- eerder vanuit onze cliché’ s omtrent arbeid bekijken. Als individu kijk je anders naar het dagelijkse werk dan als de man of vrouw die vanuit een gemeenschap denkt en oordeelt. Het arbeid-ethos wordt in Japan net zo goed beïnvloed door de angst om ontslagen te worden of niet te voldoen aan een ideaalbeeld als aan een soort ‘opoffering’ voor het gemeenschapsideaal! Een slechte bedrijfsorganisatie verschuilt zich vlug achter de zgn. ethos als ze overwerk wil camoufleren in ‘gemeenschapszin’. Dat daar paal en perk aan gesteld wordt is logisch. Tetsuya Ishida raakt de kern aan: je vergroeit letterlijk met het materiële, in zoverre waar je vroeger van enige sublimering kon spreken door je ten dienste te stellen, nu de concentratie op consumeren ligt -het enige middel om uit de stagnatie te geraken werd gezegd- en je zelf ontmenselijkt wordt, -het menselijke als hindernis-, als zwakste schakel, bij economische planning en realisatie.

untitle4s01

Van de weinig auto-biografische documenten zegt deze zin waar het hem om ging:

‘At first, it was a self-portrait. I tried to make myself–my weak self, my pitiful self, my anxious self–into a joke or something funny that could be laughed at…It was sometimes seen as a parody or satire referring to contemporary people. As I continued to think about this, I expanded it to include consumers, city-dwellers, workers, and the Japanese people.’
–Tetsuya Ishida-

Tetsuya-Ishida-Awakening-1998

( Awakening145.6 x 206.0 1998)

Een andere te westerse invalshoek bij de bespreking van zijn werk is een dubieuze term als ‘surrealisme’:

There is nothing polemical about Ishida’s art. Its poetry is unhesitatingly candid, its emotion raw, like that of Osamu Dazai’s prose. His images, in their oddness, exude the radical air that wafts through such iconic Japanese modernist works of the immediate postwar period as those of Tetsumi Kudō (mixed-media creations evoking wartime destruction in the nuclear age), On Kawara (whose “Bathroom” drawings (1953-54) featured peg-like, naked humans in disorienting, tiled rooms), and Shūsaku Arakawa (whose early sculptures featured corpse-like cement blobs placed in elegant, fabric-lined, coffin-like boxes).

Hijzelf:

“What I am seeking (now) is an expression of anguish, but not something depressing that ends in self-pity…not to show off my anguished feelings but a form of humor that laughs off such emotions. It is close to nonsense.”

Ishida_SEARCH_96dpi-720x495

Tetsuya Ishida, “Sōsaku” (“Search,” 2001), acrylic on canvas, 44.1 x 63.8 inches

Unlike some such works, though, Ishida’s images never flirt with the grotesque; they have often been referred to as “surreal,” but they could easily be described as a kind of bizarre, reportorial history painting, too, for they are certainly vivid documents of the spirit of their time. (ibidem)

tetsuya-ishida-self-portrait-of-another-designboom-7

“When I think about what to paint, I close my eyes and imagine myself from birth to death. But what then appears is human beings, the pain and anguish of society, its anxiety and loneliness, things that go far beyond me.”

Tetsuya-Ishida-Collater.al-2-1024x817

Ishida left some clues to the thoughts and feelings that informed his peculiar images. In a 1996 notebook entry, he wrote, “I’m strongly drawn to saintly artists. I mean people who believe that each brushstroke will save the world or will represent the suffering of humanity in the face of a sheep. They make me aware that I’m just a philistine.” He also became interested in outsider art, whose creators, he felt, embodied a kind of authenticity to which he could not measure up. (ibidem)

Ishida_PRISONER_96dpi-720x512

(“Prisoner,” 1999), acrylic on board, 40.5 x 57.3 inches (private collection;)

Ishida was born in Yaizu, a port city known for its fishing industry and as the home port of the Lucky Dragon 5. In March 1954 a fishing boat by that name was caught in the fallout of a U.S. thermonuclear test at Bikini Atoll. Those on board suffered acute radiation syndrome and one crew member died. U.S. artist Ben Shahn drew attention to the disaster in a series of works that were shown decades later in Yaizu when Ishida was eight years old. After seeing Shahn’s pieces, Ishida wrote in his diary that he would become a painter. Thus, the experience that brought him to figure painting was also a lesson in technology weaponizing and torturing the human body. In a school essay the young Ishida wrote that victims “were in pain and could not get up to go to work.” (Lauren Moya Ford Mousse Magazine)

Tetsuya-Ishida-Cargo-1997

Across a short ten-year career, Ishida produced a formidable body of work centred on isolation and alienation in a world dominated by uncontrollable forces, where recurring images of school children and office workers would become a platform for asserting a forthright critique of education and labour systems driven by the imperatives of productivity and competitiveness. The metamorphosis of the human body merges with different insects, technological devices and means of transportation; claustrophobic situations see the body become physically trapped in holes and constructions or become part of an assembly line, like cogs in a machine; the search for identity, bound to the elementary need to return to childhood and a repressed eschatological component; the lost glow of amusement parks and the sadness that pervades wastelands, working to form a backdrop to the apathy of a society which has yielded to the machinery of production and infinite consumption.

ichibas01

“When I think about what to paint, I close my eyes and imagine my- self from birth to death. But what then appears is human beings, the pain and anguish of society, its anxiety and loneliness, things that go far beyond me.”

Ishida_PUBLIC_PROPERTY_96dpi-720x621

Tetsuya Ishida, “Kōkyōbutsu” (“Public Property,” 1999), acrylic on canvas, 17.9 x 20.9 inches

“There’s no creating anything original anymore,” Ishida once told his close friend, the filmmaker Isamu Hirabayashi, who was a fellow student at Musashino Art University in Tokyo in the 1990s. Apparently, Ishida felt fatigued by the too-easy postmodernist appropriationist gestures and style-quoting pastiches he saw over and over again in the art of his time.

tetsuya_ishida_22

(Tetsuya Ishida, Recalled, 1998, Acrylic on wood , 145,6 x 206 cm, Nick Taylor Collection,)

Nor was he fond of the creations of such international Japanese superstars as Takashi Murakami, which he dismissed as “all just a marketing ploy,” or the older Yayoi Kusama, about whom he remarked, “That stuff about some psychological disability behind her offbeat behavior; it’s all just an act.” (Hirabayashi quotes his late friend in a reminiscence published in the exhibition’s catalogue.)
In retrospect, such comments might have sounded churlish if they had been provoked by envy or insecurity. On the strength of the evidence of Ishida’s talent and artistic intellect, however, he was in a secure position from which to have criticized what he did not like or, on the other hand, to have embraced, to his friend’s bemusement, the colorful, charming pictures of the painter-illustrator Rokurō Taniuchi (1955-1981), who was known for his covers for Japanese culture magazines.(ibidem)

c253c64aba1855955c73776afaec930c

Tetsuya Ishida, Waiting for a Chance, 1999 Acrylic on board, 57 5/16 × 81 ⅛ inches (145.6 × 206 cm)

 

Ishida also admired the work of Vincent Van Gogh and, in his choice of books, he favored Dostoyevsky’s The Idiot and the novels of such Japanese modernists as Kōbō Abe and Osamu Dazai, the latter of whom was known for his numerous suicide attempts (he finally did kill himself, in 1948) and his brutally candid tales of debauchery and renegade antics.

tetsuya_ishida_04

Ishida died in 2005 when he was struck by a passing train at a railroad crossing; some have said his death was a suicide. It cut short the evolution of some of the most distinctive recent art to have been created anywhere in the industrialized world.

steam_locomotives01

Who became a SL
A man transformed into a steam locomotive
85.8 x 60.7 1995

Brutale tederheid. Misschien is deze combinatie een mogelijke ingang.
De personages zijn ontdaan van hun strict persoonlijke kenmerken. Daardoor passen ze in elk van ons.
De wanhoop die je bevangt als je denkt ‘uitverteld’ te zijn dreef hem wellicht naar een zelf gekozen einde, maar zijn verhalen beginnen nu hun weg te vinden.
Of hij geloofde dat we ze kunnen vermijden, weet ik niet.

tetsuya_ishida_16

‘Als je besluit je eigen pad te volgen, zal je eerst duizend kilometers alleen zijn.’
Een Japans spreekwoord.

2015_HGK_03410_0049_000tetsuya_ishida_untitled

untitled 103 x 1456 cm 1998

Life-and-Death Paintings, From a Career Cut Short

https://tetsuyaishida.jp/71843/gallery/

In het Japans wordt het woord kagami ((かがみ) gebruikt: spiegel, maar het heeft ook andere betekenissen: かがみ = 神が身: vergoddelijk jezelf. Zo zie je in alle schrijnen spiegels, duidelijk om te laten zien dat jij je eigen god bent. Denken wij aan narcisme, voor een Japanner is het een begrip dat je vooral in jezelf moet geloven. Tegelijkertijd zijn objecten bezield door ‘kami’, een goddelijke kracht die je in alle voorwerpen kunt aantreffen. Het werk van Tetsuya Ishida laat duidelijk zien dat de levenswijze van het toenmalige Japan (de negentiger jaren) het vrijwel onmogelijk maakte om welke positieve kracht dan ook te ervaren. Hij gebruikt  de transformatie van mensen in levenloze voorwerpen of machines als een symbool. Door het diep gewortelde groepsbesef wordt juist die mooie kracht voortdurend in dienst van de commerciële prestatie gesteld, een creatie van een kapitalistish systeem zonder innerlijke waarden, enkel op winst gericht van een naamloze maatschappij, letterlijk en figuurlijk. Het bijzondere van elke persoon, het vergoddelijkte, wordt er net door vernietigd. Het animisme dat ons vreemd is (maar bv. wel in weer andere maar zeer aanwezige vormen ook in de Afrikaanse culturen aanwezig is, blijft ten zeerste in de diepere lagen van Shinto aanwezig. De hedendaagse Japanse samenleving ervaart sterker dan wij het ‘geestdodende’ want niet alleen staat onze eigen persoonlijke geest centraal maar nog steeds de geest van een groep, familie, bedrijf, vereniging.

3fb902eb7daf9516d119ba5876df14c9
Dat geestdodende is het onderwerp van deze kunstenaar dat hij echter vaak door beelden of hun inhoud eindeloos uit te vergroten verbeeldt zodat de consequenties van de moderniteit gewoon als pure nonsens verschijnen. Bij ons gaat al vlug het ethische vingertje in de lucht. In Japan vergroot je de uitbeelding tot vaak haar wanstaltigheid (of omgekeerd haar vertederend karakter) zodat ze niet ethisch maar eerder uitvergrotend (animistisch) verschijnt, waardoor de onzin haar werkelijk karakter verliest maar in het denken daardoor juist een meer geloofwaardige (symbolische) plaats krijg, waar ze ons in het westen zal verlammen of in een depressie duwen.
De liefelijkheid en de horror tonen zich in Japan in deze vorm die ons vreemd is. Wij klasseren ze bij de kindertijd (liefelijkheid) of bij de misdaad (power, kracht) waar ze al dadelijk een onschuldig of schuldig uitzicht verdienen.
Ik moet toegeven dat het slechts het begin van een idee is, een richting die ik wil aangeven. Zeker zal ik het nog met mijn goede Japanse vriendin, eens ze terug uit Tokio is, daarover hebben. En aandachtig luisteren.

hikidashis01 a market place

Drawer

48456434387_aa5c40f4a2_b

lost child 2004

In de stilte van de zondag: 8 Impromptus van Franz Schubert

space-calendar-leonids-superJumbo

A meteor from the Leonids streaking through the sky, seen between the arms of a cactus in Tucson, Ariz., in 2001.Credit…James S. Wood/Arizona Daily Star, via Associated Press

Je kunt terwijl je leest hieronder het notenbeeld volgen en/of de 4 eerste impromptus (opus 90) beluisteren.

 

 Met het begrip ‘schoonheid’ kun je inderdaad alle kanten op, ook nu, op ditzelfde moment –ik wil eerst het allegro molto moderato van een impromptu in C minor Opus 90 nr 1 van Franz Schubert opleggen-en luisteren:

Na een indringende noot lopen de klanken zachtjes op blote voeten, daarna met antwoorden die er niet om liegen, jammerend maar weer opgevangen ook al is het molto moderato.
En meteen zit ik in de sterrenregen van de Leoniden die vooral deze nacht (17-18/11) zichtbaar overtrekken naar jaarlijkse gewoonte terwijl de oplichtende snippers van hun ijsklonters al jaren of misschien een eeuw geleden los gelaten hebben en nu eindelijk (en voor de laatste keer) zichtbaar worden in hun lichtend verdwijnen in onze dampkring.
In die kringloop van het kleine korte kunstenaarsleven en de loop van de planeten rond de ster die we zon noemen is elke verhouding zo overbodig dat ze in aanmerking komt om in haar gedachten-omvang een plaats te krijgen bij het begrip ‘schoonheid’. Het moelijk noembare, aanleunend bij wetenschap en mystiek, het numineuze.

abstract-nature-peggy-bowie-davis

Na negen minuten en zevenentwintig seconden een vloeiend Allegro.
Je moet nog niet zoveel associërend vermogen hebben om waterstromen in allerlei vormen doorheen je verbeelding te voelen lopen. Wie water zegt, herkent ook dadelijk het licht dat erin weerkaatst, net zoals in de muziek van Schubert de weerkaatsing telt.
En het mag een herkenning zijn, o ja, dat fragment, als je daarna het prachtige andante en allegretto in dezelfde onderstroom door je heen laat gaan. Met berusting zou ik erbij schrijven, maar ik ben al oud en wellicht zou mijn kleindochter van negentien het hebben over ‘afwachtend’ wat meteen duidelijk maakt dat schoonheid niet te vangen is met woorden of zelfs niet met interpretaties of verwachtingen.
Wellicht moeten we in dat onderwijs veel meer plaats maken voor het associërend denken, want daarmee open je niet alleen de verwondering die het smaken ervan vergemakkelijkt maar zonder die associërende sterkte hadden grote wetenschappers nooit hun ontdekkingen waar gemaakt.
Tijd om verder te luisteren. Aan jou de innerlijke beelden.

maan schilderen

Nu de vier impromptus opus 142. Impromptu in F minor opus 142, het allegro moderato.

Hier is het vloeiende, het impregnerende, weer aan de beurt. De behoorlijke vlotheid van de rechterhand-vingers moet naast het aanvoelen gewoon technisch langdurig ontwikkeld worden. Ook de verbeelding kan enige opleiding of aanmoediging gebruiken.
En net als je denkt dat het thema een andere deur gaat openduwen herneemt de heer Schubert zijn druppelende klanken en mag je er hoogtes of laagtes zelf bijdenken want het water is weer licht geworden, tussen de herfstbladeren, om het melancholische sterven nog onbegrijpelijker te maken.
In het tweede gedeelte is de dynamiek ondergrondser maar je moet niet te lang op vleugels wachten om over het kalende landschap van het voorbije te trekken en je herinneringen bij de wintervoorraad te proeven zoals ze bedoeld waren: een palet van tegengestelde smaken, bitterzoet maar ook nog steeds romig-verwonderd of met een kruidige afdronk.
Ook het momentele, het ogen-blik, heeft zijn innerlijke warmte in de herinnering: net zoals je ooit heel vroeg buitenkeek en het eerste licht uit de donkerte zag kruipen, zo is de herinnering aan de kleinste schoonheid (de welving van je arm, een elkaar aankijken, een tot ziens wuiven) voorzien van een grote innerlijke uitstraling die nooit uitdooft maar in haar ver-innerlijking de essentie laat gloeien.
Ik verzamel graag deze ogen-blikken. Al luisterend zul je er zeker ook herinneren.

03.RedCurtains

foto Cig Harvey

In het Allegretto vind je dadelijk een eenvoudige optelsom, een fraai A dat met een logisch B beantwoord wordt, maar heb geduld voor de brug tussen beide werelden: wat je dacht en hoe het echt verliep. De uitkomst verschuift wel eens, dus niet te voorzien en daar zit de toonaard A flat major voor iets tussen: de verraderlijke vraag met het onverwachte antwoord.
Zet de deuren maar open of de vervreemding komt door de kieren van je goed gebouwde verdediging: ook Franz moest meermaals aan den lijve de smaak van teleurstelling en radeloosheid wegspoelen met deze ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid.
(Dat is de zin van de herhalingen, je leert het verloop beter begrijpen!)

P3020265

En dan is het natuurlijk tijd voor Rosamunde (Andante mit Variationen) de toneelmuziek die het gebeuren van het verhaal overleefde.
Ze is ook heel mooi georkestreerd maar in de piano-versie eerlijker, ontdaan van het toneelmatige. Het was één van de eerste stukken van mijn muzikale collectie. (met Bruno Walter als dirigent)
Er gaat een geruststellende atmosfeer van uit: het variëren op het thema. Dat herkennen we. Dacht je vaak aan een geheel nieuwe ervaring dan bleek ze bij enige introspectie een variatie op het (al te bekende) thema. Elke variatie maakt andere werkelijkheden zichtbaar. Heb je nu tijd om buiten te kijken, al mag je ook je ogen sluiten en binnen-kijken uiteraard.
Het wordt ook wel feestelijk, zeker nu het uitgeleefde jaar zijn lichtende dagen als uitgang in petto heeft. Ook dit is een functie van schoonheid: je hebt te veel op dezelfde manier gekeken, gevoeld, geluisterd, gesmaakt, dus leer je vanuit het thema de eerst onzichtbare binnenkanten van het thema ontdekken, en die zijn er zowel in de diepte, in de accentuering als in de ogenschijnlijk speelse variaties waarin bijna kinderlijke uitroepjes verborgen zijn.
Maar al vlug druppelt het regenboogjes, of bedoel je bellen blazen? Uiteenspatten inbegrepen.
En dan die seconde stilte om weer bij het begin van Rosamunde uit te komen.
Ook dat onverwachte dat je langs de cliché’s toch bij een essentie kunt uitkomen hoort bij de mysterieuze schoonheid.

920x920

In het allegro vivace van opus 142 mag je met de slede door het wijdse sneeuwlanschap. Bellen rinkelen. Durf je nog sneller. jawel. En net voor je denkt thuis aan te komen blijkt elke weerkaatsing net zo lang als de aanslag van een toets te duren.
Het worden cirkels die naar de hoogste tonen uitrollen en weer terug. Alleen nog de linkerhand en stiltes worden ingebouwd als leesteken. Vragen en antwoorden in overvloed.
Tot het ritme je eerst aarzelend maar dan zelfzeker meeneemt naar het gooien van feestelijke pijlen in de roos van elke verwachting. (een soort aanloop voor de sprongen in de verte)
En zo donder je de stilte in.

Laat best even naklinken zei de klanken-apotheker. Een volle minuut of twee stilte voor de nasmaak mogen oren best hebben in deze tijd van het jaar.
(mijn pianist: Martijn van den Hoek, in de vroege zomer van het jaar 2000 opgenomen)

telling

https://en.wikipedia.org/wiki/Impromptus_(Schubert)

Wenn András Schiff seinen Studenten in einem Meisterkurs Schuberts Impromptus erklärt, dann spricht er von nahen und fernen Klängen, von wechselnden Perspektiven, von Wolken und Landschaften. Wer diese Musik technisch bewältigt hat, was auch schon keine kleine Sache ist, kann sie deshalb noch lange nicht spielen. Entscheidend ist die poetische Ebene, die Bilder und Assoziationen im Kopf des Hörers auslöst, so András Schiff: “Die Poesie, die Literatur, die Geschichte, die Philosophie, die Bildenden Künste – wer nicht neugierig ist auf diese Erkenntnisse, der kommt nicht weiter. Und das hat mit Üben nichts zu tun.”

Die Vier Impromptus Deutschverzeichnis 899 (opus 90) schrieb Schubert im Sommer 1827, ein Jahr vor seinem Tod. In ihrer Abfolge erinnern die Stücke durchaus an eine Sonate: Zu Beginn ein balladenhaftes Allegro, dann ein tänzerisches Scherzo, das Chopins “Minutenwalzer” vorwegzunehmen scheint. Als dritter Satz folgt ein Andante, das wie Schubert’sches Lied klingt – ein Lied ohne Worte. Und als Finale ein bewegliches Allegretto, dessen Sechzehntel-Kaskaden an einen Wasserfall erinnern, bei dem die Tropfen in der Sonne funkeln. “Da sieht man wirklich die Natur”, erklärt András Schiff. “Es ist sehr bildhaft komponiert. Man weiß, dass Schubert ein sehr naturliebender Mensch war, der sehr gern wanderte. Diese Musik findet draußen statt, nicht im Zimmer.” (Bernard Neuhoff)

http://art-klimt.com

Eerzame mensen, een kortverhaal

daisy Patton_Untitled_(The_Gardener)_newwebsite_1170_922_s

Er was eens een land. In dat land was er een groot bedrijf. Een staatsbedrijf. En bij dat bedrijf was er een plaats vacant. De tweede tuinman had immers de pensioenleeftijd bereikt, en daar het tuinbeheer van het bedrijf niet alleen door de eerste tuinman en de tuiningenieur onderhouden kon worden, kwam de betrekking van tweede tuinman vrij. Een derde tuinman was er niet, wel een legertje van tweeëntwintig gewone anonieme alledaagse tuinlieden.

HamptonCourtPalaceTicket

Eerst moesten de kandidaat-tweede tuinmannen die aan het uitgeschreven examen deelnamen, tweehonderd verschillende planten kunnen herkennen en beschrijven. Bij die tweehonderd planten waren er uitheemse en zelfs uitgestorven planten, maar vermits een leidinggevende tuinman bij een groot staatsbedrijf voor alle mogelijke situaties een oplossing moest kunnen bedenken, mocht een uitheemse of onbestaande plant geen probleem zijn.
De ene plant is de andere niet, zei de tuiningenieur en dus moesten zelfs tweede tuinmannen de ene plant van de andere kunnen onderscheiden terwijl een eerste tuinman ook de latijnse naam uit het hoofd moest kennen. (Bij het legertje anonieme tuinmannen volstond hard werken en je mond houden.)
De volgende proef toetste de scherpzinnigheid van de overgebleven kandidaten. Er kwam een hoogleraar plantkunde praten over tuinen en hun sociale functies. Na zijn betoog moesten de kandidaat-tweede tuinmannen zijn causerie samenvatten en becommentariëren.
Dat is diepte-werk, zei de tuiningenieur. Weten waarmee je bezig bent. Je plaats kennen in het grote plaatje van het tuinieren.

G._Caillebotte_-_Les_jardiniers

Het lijkt een beetje op een sprookje maar ik kan je verzekeren dat ik het voor waarheid heb horen vertellen. Er waren immers nog een reeks andere proeven voor de geselecteerden. Zo moesten de overblijvenden -het groepje werd steeds kleiner- een toekomst-tuin ontwerpen, een verhandeling schrijven over plastic- en/of polyesterbloemen en dito planten en tenslotte een reeks dikke boeken lezen over de geheimen, achtergronden en theorieën van de tuin door de eeuwen heen.
Nog slechts een beperkt aantal geslaagden verscheen dan voor een jurie van plantkundigen met naam en faam en werden daar ondervraagd over hun inzichten, opgestoken bij deze lectuur. Ook hun familiale omstandigheden en toekomstplannen kwamen aan bod, gesteld dat ze het eens het ambt van tweede tuinman zouden betrekken.

a-victorian-gardener-in-the-midst-mary-evans-picture-library

Van de zeshonderd oorspronkelijke kandidaten bleven er nog een veertigtal over. Anderen waren intussen uitgeweken naar vreemde landen, enkelen hadden een rustkuur nodig in een psychiatrische instelling (waar ze hun behandeling betaalden met zorg voor de ziekenhuistuinen) en de wanhoopigsten hadden zichzelf in een stille tuin verhangen of waren uit pure ellende spontaan overleden.

Na lang wikken en wegen bleven er nog tien kandidaten tweede-tuinman over. Tien mannen, want vrouwen kwamen in dat land niet in aanmerking gezien de aard van de arbeid en de inzichten van het land waar dit verhaal zich afspeelde.
Ik moet er u op wijzen dat deze functie alleen voor een eerzame burger is weggelegd, zei de tuiningenieur. Daarom, en alleen daarom werd het verleden van de uitverkorenen uitgepluisd en vielen er dadelijk acht kandidaten door de morele mand.

Royal_Gardener_John_Rose_and_King_Charles_II_-_Hendrick_Danckerts_1675
Eén van hen had een grootvader die tijdens de jongste wereldoorlog salade aan de vijand had geleverd. Een tweede was bij het begin van zijn tuinman-studies mee opgestapt bij een betoging toen belangrijke subsidies voor land- en tuinbouw werden ingetrokken. Een derde maakte enkele reizen naar landen die ideologisch verschilden van het land waar deze selectie plaatsvond, al was zijn reisdoel slechts het bestuderen van de suikerbiet geweest. (Beta vulgaris subsp. vulgaris convar. vulgaris var. altissima)
Een vierde hield zich niet altijd bij zijn eigen bloemetjes. Hij had de naam dat hij ze wel eens buitenzette, een activiteit die met braspartijen en luid gezang gepaard ging.
Een vijfde bleek meer van tuinmannen te houden dan voor natuurlijk werd aangenomen in dat land. (Al was dit geen strafbaar feit, de faam van een staatsbedrijf mocht door niets, maar dan ook door niets besmet worden, aldus een betrouwbare bron.) Een zesde had een niet te verklaren interesse voor rode bloemsoorten, en vermits deze kleur in het land geen geliefde kleur was gezien een aloude ideologie en enkel bij het woelige voetbalspel mocht worden gebruikt om een speler uit te sluiten kwam ook deze kandidaat niet verder in aanmerking.
De zevende had tijdens zijn jonge jaren een tuintje met hasj-planten gehad en de achtste schreef gedichten die volgens de bekende instanties wel iets verder gingen dan de beschrijvingen van bloemen en seizoenen. (‘..uw borsten als vurige paeonia lactiflora ) (= –geurende pioenen, bladverliezend, winterhard, kalkminnend-)

paeonia_lactiflora_dr_alexander_fleming_roze_pioenroos_rosa_pfingstrose_pink_peony

Tenslotte bleven er nog twee kandidaten over. Twee eerzame burgers op wie niets viel aan te merken, wiens leven, hart en ziel door geen herkenbare smet bezoedeld was.Tja, zei de tuiningenieur, eerzaam is eerzaam. Ze hadden vrouw en kinderen, eerbiedigden de verkeersregels, leefden onopgemerkt en zegden steeds meneer als ze een onbekende meerdere groetten.

music_of_the_medieval_garden
De tuiningenieur ontbood de twee kandidaten. Er is helaas maar één plaats tweede-tuinman. Daar kan ik niets aan veranderen.
Zo is het, meneer de tuiningenieur, zegden de twee kandidaten.
Daarbij in aanmerking genomen dat een van u erg gelovig is terwijl de andere een vrijdenker mag genoemd worden.
Zo is het, meneer de tuiningenieur, zegden de twee kandidaten.
Spreek ik dus mijn voorkeur uit voor één van u dan zal men zeggen: kijk, het is weer een … -en dan mag u zelf de overtuiging invullen die u aankleeft.
Zo is het, meneer de tuiningenieur, zegden de twee kandidaten.
Een robbertje vechten tot er een van u het loodje legt is ook niet dadelijk humaan te noemen, niet?
Neen, meneer de tuiningenieur, zegden de twee kandidaten.
Jullie doktersverslagen hebben het niet over een oprukkend kankergezwel of een te hoge bloeddruk, dus wachten op natuurlijke afvloeing is ook uitgesloten.
Jaja, meneer de tuiningenieur, zegden de twee kandidaten.
Maar, en ik zeg maar. Er zijn wel twee plaatsen vakant voor de functie van tweede portier bij het ruim gesubsidieerd museum voor nationaal erfgoed. Eentje bij het beheer van de ingang en eentje bij het beheer van de uitgang. En in afwachting dat er fondsen vrijkomen om een tweede tweede tuinman te financieren kunnen we de eerste tuinlman een rang hoger betalen om het werk van tweede tuinman erbij te nemen en hebben we tevens twee tweede portiers zonder al te veel gedoe in het museum voor nationaal erfgoed. Kunnen jullie mijn redenering volgen?
Dat kunnen we, meneer de hoofdingenieur, zegden de twee kandidaten.
Daarbij komt dat onze eerste tuinman al een zekere leeftijd heeft en we dus binnen afzienbare tijd een nieuwe eerste tuinman nodig hebben. Dan halen we jullie weer terug. Eén maand ben jij eerste tuinman en de volgende maand jij. Geduld zal dus lonen! Begrijp je nu waarom ik tuiningenieur geworden ben?
Ze knikten en hielden heel professioneel de deur voor hem open.
Dat de eerse tuinman een week later in de waterput sukkelde, werd in alle media een spijtig ongeval genoemd.
Bij het erfgoedmuseum zijn ze op zoek naar twee tweede portiers, zo druk is het daar. Eerzame mensen wel te verstaan.

1280px-Abel_Grimmer_001

Gillian Jagger: natuur als medium

merlin_163912416_7c01dcf2-f63d-4d74-b7f5-97857638f4ef-superJumbo

Boomtronken, karkassen van dieren, de natuur als medium.
Wat ons verbindt, humans, animals and the earth om de New York Times te citeren.
Werk van Gillian Jagger, op 21 oktober van dit jaar in Ellenville, upstate New York overleden. Ze werd 88. (°1930 UK)

De manier om instinct en visie te combineren als een onafhankelijk kunstenaar verbonden met feministische kunst, Land Art en Post-Minimalisme, maar nergens bij een beweging of groep van die aard te klasseren.

‘She hit upon one of her signature methods while living on the Upper West Side of Manhattan in the 1960s. She began capturing direct impressions of the world around her by casting unlikely forms in plaster, like a cat that had been stoned to death by children and, most famously, manhole covers.’ (Jillian Steinhauer NY Times 8/11/2019)

merlin_163962852_5f597d2c-5cea-4965-bcef-8a37eaf5bacf-superJumbo

“I was casting facts, because I couldn’t believe in arty metaphors.”

“Since the late 1950s, I’ve been inspired by prehistoric cave art. In 1967, I drew and exhibited an outline of an actual horse’s body, and it looked like a cave drawing. I had two shows, “Matrice” and “Rift,” in 1998 and 1999, in which I showed works in which I had “drawn” with barbed wire and used the remains of real animal bodies. Last year, I traveled to the Dordogne region of southern France, where I visited L’Abri de Cap Blanc in the Eyzies Caves. What I saw there completely and profoundly moved me to another place. I stayed in that rock shelter for two days.

gj_cull_ex

There, in a single open space, a carved wall relief featured nearly a dozen wild animals emerging from the left and from the right. In the center of the composition there was a deep indentation. In front of this hole lay the skeletal remains of a curled-up human figure, which is believed to be that of a young woman. Researchers have credited her as the sole sculptor of these animals, which were created some 17,000 years ago. Through her powerful work, this ancient, unknown artist convinced me that she had felt and had believed in the power of empathy to give life meaning. What she knew was significant then, I know is significant now.

wonder 2009

After I came back from France, for eight months I drew massive animals with the same yellow color that had been used at L’Abri de Cap Blanc. I wanted to make a sculpture, but it seemed somehow false to me to try to respond to that prehistoric art-maker using my usual weighty materials or the materials of her time. My experience in creating “And Then, And Now,” my newest work, which is the central piece in the current exhibition, felt to me something like the fleeting sense of the presence of someone you know who has died but to whom you are still calling out—and then suddenly sensing that she heard you. I felt that if I were to reach back 17,000 years in time and space, I would have to use a very light material. So came the wires.

WIRE-1_USE-768x1024

I began working with pieces of chicken wire and threaded the parts together with all sorts of electrical wires. With them, in real space, I traced lines of gesture or movement, sometimes implying anatomy, or sometimes describing the nervous system or the blood system. I never thought about where to put the wires, exactly; it was as though I had become a spider, making something from inside of me, instinctively. As this new sculpture developed, I felt I had to rush to keep up with it, because it was evolving with or without me. I knew it was truly something that mattered unto itself. It has helped me define art and to once again let me know what art is for.”

merlin_10453505_faf20731-9d4b-45fa-b71d-7193c8c7c596-superJumbo

bekijk:

FOLLOWING GILLIAN • GILLIAN JAGGERS

‘It’s always been as if it was split. And I think for the first time I realized it never was split. It was just split in my head. I don’t think it ever was split in its own right. It’s a prejudice, in a way, of my own conditioning. I think Durer’s fashion conditioned him too. But not the dying stag, which I think nothing conditioned. He was conditioned by his time, and I thought, “Well I’m conditioned by mine,” and my conditioning said, “You don’t do work like this. ” And I took a long time to realize.’

merlin_163858926_f4cf3151-b61b-4457-bf3f-48d8d8803491-superJumbo

bekijk:

REVEAL: A SCULPTURE

lees:

https://www.pmsa.org.uk/news/2019/4/25/gillian-jagger-in-conversation

https://brooklynrail.org/2011/09/art/gillian-jagger-with-ben-la-rocco

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

bekijk:

FROM THE HORSE’S BODY

Een kunstenaarsleven in stripvorm, Artemisia Gentileschi

corr original-i-know-what-i-am-3d

Natuurlijk wil je een nieuwe inkijk in het leven van een merkwaardige zeventiende eeuwse kunstenares uit de vroege barok, Artemisia Gentileschi, (1593-1653) lezen, zeker als het getekend en geschreven is door een hedendaagse jonge kunstenares, Gina Siciliano.
( Gina Siciliano graduated from Pacific Northwest College of Art in 2007. She is an artist, a bookseller, and the drummer and vocalist for two rock bands. She’s been self-publishing her comics for many years, and I Know What I Am is her first book published by Fantagraphics. She lives in Seattle, WA.)

‘I know What I Am, The life and Times of Artemisia Gentileschi, Fantagraphics books, Seattle, 2019. ($ 29.99)

gina_siciliano_wp-458x600

We hebben haar al eens vernoemd in enkele bijdrages over de figuratie van het Judith en Holofernes verhaal.
(https://indestilte.blog/2019/07/14/judit-en-holofernes-een-succesverhaal/)

Het is een stevig album, 280 pagina’s, mooi gekartonneerd in langwerpig formaat (30 x 20 cm). Niet alleen een bio en tijdsbeeld, maar tevens voorzien van een geïllustreerd notendeel, makkelijk ook apart te raadplegen, en een uitvoerige bibliografie.
Uit ‘Historiek’ deze korte bio:

Artemisia groeide op als enig meisje tussen drie broers in het Rome van de zeventiende eeuw. Al op zeer jonge leeftijd maakte zij via het schildersatelier van haar vader, Orazio Gentileschi zelf een begenadigd schilder, kennis met de schilderkunst. Vrij gauw werd haar uitzonderlijk talent duidelijk, maar omdat ze een meisje was, kon ze niet toegelaten worden tot de schilderacademie. Haar vader besloot dan maar om haar in de leer te laten bij een bevriende gildebroeder, Agostino Tassi (1578-1644).
Dit laatste had hij beter niet kunnen doen, want Tassi vergreep zich binnen de kortste keren aan Artemisia. Hoewel hij beloofde haar te huwen kwam Tassi zijn belofte niet na waardoor het tot een langdurig en ingewikkeld proces kwam waarbij Artemisia onderworpen werd aan een vernederend gynaecologisch onderzoek. Het trauma dat zij door de ganse zaak hierbij opliep zal later als een rode draad in haar werk aanwezig blijven.

Ondertussen zorgde haar vader vlug voor een huwelijk om haar eer te redden. Pietro Stiattesi, een wat middelmatige schilder wordt de uitverkorene en het jonge paar vestigt zich in Florence. Daar maakt ze kennis met Galileo Galilei (1564-1642) en begint te werken voor de machtige familie de Medeci. In 1616 wordt ze als eerste vrouw toegelaten tot de Accademia dell’Arte del designo en kan ze eindelijk een volwaardige schildersopleiding genieten.

Artemisia_Gentileschi_Self-Portrait_as_the_Allegory_of_Painting_(26218694687)

Na enige tijd botert het niet goed meer met haar Pietro en eind 1620 keert Artemisia terug naar Rome waar ze met haar indringende schilderwerken veel lof oogst. Na een kort verblijf in Genua en Venetië, verhuist ze naar Napels. Enkele jaren later reist ze op uitnodiging van de Engelse koning Karel I (1600-1649) naar Londen waar ze opnieuw het schilderspenseel hanteert samen met haar vader Orazio die daar ondertussen tot hofschilder is aangesteld. Na diens dood in 1639, verlaat ze Engeland om zich opnieuw, ditmaal definitief, in Napels te vestigen waar ze tot aan haar dood actief blijft als schilderes. Van haar ongetwijfeld grote oeuvre blijven er vandaag de dag echter amper 34 werken over.

https://historiek.net/artemisia-gentileschi-1593-1653/8644/

Catherine

Voor vertellers is het tumultueuze aantrekkelijk, voor historici het probleem om de tijd van toen nu begrijpelijk te maken, voor hedendaagse feministische interpreteerders de toestand van vrouwen in het artistiek milieu van de vroege barok met duidelijke het hedendaagse ‘ook-nu-nog’.

Omdat ik zelf nog te weinig kennis ter zake heb en wacht op enkele reprints en een nieuw werk over haar wezen en werk en de tijd waarin ze leefde, laat ik enkele stemmen horen uit de talrijke engelstalige besprekers van dit boek, en natuurlijk enkele quotes van Siciliano zelf.
Mij heeft het urenlang geboeid en het zat vol papiertjes met vragen en verwijzingen.
Het kan wellicht ook onze graphic novel -kunstenaars inspireren om via hun kunde ons een inkijk in het verleden te laten beleven. Geschiedenis kan ook op deze hedendaagse manier tot leven komen.

I-KNOW-WHAT-I-AM-guts-ToPrint-56

For Gina Siciliano, her adventure with Artemisia Gentileschi started in 2007 when she saw Judith Slaying Holofernes, at the Uffizi in Florence. The painting resonated with her so much that she spent the next seven years immersed in the research. The fruit of her work is this book. A balancing act between conveying as much information as possible and keeping the book interesting and visually pleasing. To make this happen without interrupting the reader’s flow Siciliano added abundant notes at the end of the book, that provide additional in-depth information, they are not your typical footnotes, so do not skip them!
Siciliano does not focus solely on Artemisia. In fact, she creates an entire world around her. We get to know the political situation at the time, the situation of women in the society, the struggles of painters and their patrons. What I found fascinating was the environment where artists not only wield a brush and a palette but often also a knife and a sword. An environment that was very different from the 19th-century notions of poor, suffering artistic souls that often feed our imagination. (daily artmagazine)

I-KNOW-WHAT-I-AM-173-copy-720x1135

Siciliano’s ballpoint versions of classical paintings breathe of thousands of hours of hand-cramping work to recreate the originals. While her meticulously penned panels, often featuring a scowling Gentileschi, are a bit crowded by dense hand-written expository, they carry thoughtful historical context, and emotional urgency. This impressive debut is the detailed, passionate scholarly portrait that Gentileschi deserves

The graphic novel format integrates Gentileschi’s paintings with descriptions and interpretations of her artworks, and a narrative of her life. Siciliano’s renditions of the paintings reflect the importance of copying as a primary means of artistic study in the Renaissance. She writes in the preface, “When we see her work on a page alongside images of events in her life and/or the sociopolitical landscape, our eyes absorb a more comprehensive picture.”
Gentileschi was raised primarily by her father, an artist who trained her to assist him. “With humanism came some renewed respect for women, but they were legally considered minors, owned by fathers and husbands, or else destined to spend their lives in convents,” Siciliano explains. Gentileschi grew up in this atmosphere, under the eyes of her father’s leering patrons. She was aware of her talent, but she also knew the danger of being an unmarried woman whose value was tied not only to the dowry her father could offer, but to her prized virginity. Siciliano captures the discomfort of these realities in her tightly packed spreads, replete with written accounts of historical context that fill the pages with text, with only a few visual scenes illustrated — making this history as visually oppressive as the events described.

holofernes

The scenes she painted, in the dark, shadowy tradition of Caravaggio, were unconventional, alluring, and sexual; she was unafraid to embrace women’s desires. One of her earliest subjects was the story of Susanna, a young woman who was attacked while bathing. “Susanna was often an excuse to paint a partially naked lady in a lush, suggestive Garden of Eden,” Siciliano writes. She juxtaposes this background with a full-page drawn copy of Gentileschi’s “Susanna and the Elders” (1610), showing a fleshy woman cowering beneath two lecherous men. “Her gesture — awkward pain. The two elders bore the dark curls of Agostino Tassi and the balding sleaziness of Cosimo Quorli” — her father’s friends from the previous spread, one of whom would eventually rape her and sully her honor.  (Megan N. Liberty Hyperallergic)

suzanna078

I learned a lot by copying the paintings into the book. It required deep, intense hours of concentrating on looking and studying the images, so of course things I didn’t notice before came up in all kinds of ways. And not just in Artemisia’s paintings, but many others as well. There’s a big difference between looking at a painting for five minutes and looking at a painting for five hours!
I started seeing different objects and figures emerging from the dark areas. I learned a lot about how these artists handled clothing and drapery. And I was also confronted with the great mysteries of this art—the areas of the paintings that haven’t survived as well through all these years. Also, the expressions of the figures in the paintings took on new life—at times I felt as if I was seeing the models trying to hold the poses for the artists, like glimmers of their expressions. A lot of this made me want to see more of the paintings in person so badly.

48bfee721d4f13e691ccfd9e61f2be21._SX1280_QL80_TTD_
Also, on a more practical level, I’ve never had the money or resources to dig through far-away archives, so all my sources are secondary. That means that I used a lot of other people’s research, so I really need to give credit where credit is due, and the notes section/bibliography is a great spot for that. In addition, the notes are an extension of my feeling that people need to reconnect with history, and history is always biased depending on who is telling it. So we need to constantly analyze where our history comes from and how it’s told.

handen
To me, that’s a big component of feminism, and our efforts to rethink race, class, and gender. Another way to think about it, especially regarding the retelling of the sexual abuse, is that we can piece together Artemisia’s story through research, but a lot of times we piece together Artemisia’s history through gut feelings and emotional responses to her life and work. I wanted to do something based on research, but without completely disregarding the gut feelings and emotional responses.
In my opinion, we need to utilize both of these—If we are only driven by emotional responses and gut instincts, then we’re missing the big picture and we aren’t doing justice to Artemisa and her legacy. On the other hand, if we totally disregard the gut instincts and emotional responses, then it’s harder to feel deeply connected to and inspired by Artemisia and her legacy. I really hope this makes sense. (interview met Ann Foster in Bookriot)

Left-Judith-and-Her-Maidservant-1614-20-Galleria-Palatina-Palazzo-Pitti-Florence-Right-Susanna-and-the-Elders-1610-Schloss-Weissenstein-Pommersfelden

 

 

 

Moeder-ziel

fanny-nushka-moreaux-leaving

Mama,

Met Allerzielen jou voorbijlopen, terwijl de nacht tussen Allerheiligen en Allerzielen van jouw diep slapen is vervuld?
Voorzichtig, alsof ik bang ben je wakker te maken, open ik een wellicht bedampt vensterje van het ‘hiernamaals’ en ik zie je op de foto aan de rand van de zee in Oostende naar mij kijken. Eén oog een beetje dichtgeknepen voor het hevige licht, het andere waarin ik bijna onmiddellijk de blik van mijn volwassen dochter in herken.
De bloemen op het graf, het Allerheiligen-ritueel, vond geen genade in jouw ogen. Dat geld kon beter aan een heilige mis ter ere van de geliefde afgestorvene besteed worden. Nu, na één vriesnacht, was al dat chrysanten-wit in droevig ros verkleurd.
Als kind al vermoedde ik dat die uitspraak een mantel voor een te groot verdriet kon zijn. Een uitweg zoals wij allen een uitweg uit dat onbegrijpelijk sterven zoeken.

66347424_168201880888574_3731283623017670399_n

Het ouderlijk huis lag op de weg naar de stedelijke begraafplaats. Mijn vader stak ’s morgens het kleine kolenkacheltje in de voorste kamer aan zodat de voobijkomenden vanuit de bijgeschoven zetels alle aandacht konden krijgen. Na Allerzielen werd wegens economische redenen de dubbele deur van die kamer weer gesloten en alleen bij het neerlaten van het rolluik ’s avonds nog betreden.

Ik laat je zelf aan het woord, mama.
Uit je dagboekje in ouderwets linnen kaft nam ik een fragment dat even na Allerzielen in potlood werd geschreven, na je terugkeer uit het ouderlijk huis in de kostschool waar je tot onderwijzeres werd klaargestoomd. Je bent dan nog een jaartje jonger dan onze kleindochter of net zo oud, 18-19 jaar. Maandenlang had je uitgekeken naar die enkele dagen thuis.

Ivon-Hitchens-Mixed-Poppies-web

‘4-11-1935

‘Enfin, ’t is voorbij en ik zit hier in de studie met m’n groot heimwee, m’n groot verlangen. Ik zou een opstel moeten maken: Allerzielen. Maar ik heb geen gedachten.
Wat zijn die dagen toch voorbijgevlogen! En toch zoo plezant geweest. Eerst en vooral zo’n heerlijk weer met Allerheiligen en Allerzielen. Zelfs met korte mouwen in de boschen gerakkerd. Alle interessante “iemanden” gezien. En heimwee nu, heimwee onbeschrijfelijk. M’n hartje is geen boontje groot, ineengekrompen van heimwee. Ik zou het uit kunnen schreien. Luidop maar zulke flauwiteiten zullen we maar liever laten. Al het heimwee verbergen, diep in mijn hart.’

Screen-shot-2015-01-11-at-10.06.21-AM

Vijfenvijftig jaar later zou je de avond van Allerheiligen de mensen van het rusthuis slaapwel wensen en niet meer wakker worden.
We hadden altijd glimlachend commentaar geleverd bij je ‘novenen voor een goede dood’ en je dagelijkse kerkgang, maar zowel tijdstip als manier waarop doen mijn vrijdenken geen goed. Je won alvast op punten.
Maar ik zoek troost bij Hans Lodeizen die zelf niet lang van dit bestaan mocht genieten maar in prachtige weemoedige woorden de achterblijvers betovert:

natuurlijk is er veel meer
dan enkel het lichaam

er is het oog dat alle
lichamen omsingelt en
een overwinnaar is voor de
spelende handen

alles is maar spel tenslotte
waar maak je je druk over
en waarom dans je niet

de lente maakt deuren
de wind is een open hand
wij moeten nog beginnen te leven

als ik in de gele nacht sta
op het blauwe tapijt van mijn hart

Marc-Chagall

En tenslotte sluit ik me aan bij Judith Herzberg uit haar bundel ‘Het vrolijkt’ uit 2008.

Hiernamaals

Als ik, nadat ik dood ben, nog
ergens rond mag dolen, laat het dan
op de markt zijn, in geur en kleur.
En mag die markt dan open zijn
onder de blote hemel. En mag ik dan
als vroeger met mijn moeder
zo’n puntzak gloeiend hete frites
(met veel zout uit zo’n gebutste
strooibus) met haar delen.

Waarschijnlijk zou het voor mijn moeder een ‘dame blanche’ zijn, ze was gek op ijs en ze zou me vertederd aankijken zoals ze dat deed enkele maanden voor haar weggaan en me vragen: ‘Jongen, studeer je nog?’
‘Ja ma, zeg ik, nog altijd. Ik begrijp het nog altijd niet, maar het interesseert me in hoge mate.’
Nu, bij de eerste mooie dag, in korte mouwen in de boschen gaan rakkeren.  Samen.

ivon-hitchens_cloud-study_c1948oil-on-canvas_41x87cm