KLEINE TANTE MARIE-ANGèLE

 

dyn002_original_336_544_jpeg_20344_10d4238a97c40e8ab798fa6b145e85db

Kleine tante Marie-Angèle heb ik nooit gekend.
Ze is lang voor mijn geboorte gestorven.
TBC.

Op een van de weinige foto’s die ik van haar heb zie je haar op haar ziekbed. Op de achterkant van de foto lees ik in haar handschrift:

‘Gent 1914-1918. Gedatenis van mijn 3 1/2 jaar verblijf te Gend op mijn bed.
Marie-Angèle.’

Ik zocht haar foto in een van de schoendozen vaak op als ik zelf ziek was, of teneergeslagen.
Alleen dus.
In mijn gedachten was ze een beeldje geworden zoals het mooie marmeren beeldje van Colton, hieronder.

dyn010_original_307_538_jpeg_20344_8d3a87bb1317adec0346b908de097edb

Ze zat daar met haar eveneens vroeg gestorven broertje.
Ze keken naar ons daar beneden.
Vooral dat kleine broertje was erg nieuwsgierig.
Marie Angèle houdt hem moederlijk vast, wil niet dat hij uit de hemel zou vallen.

Dat bijna tienjarige meisje op haar bedje, mijn kleine tante.
Mijn moeder vertelde mij dat ze haar hele leven een ijzeren corset droeg.
Iets met de longen.

Voor ze een beeldje werd, lag ze met haar poppen in dat sanatoriumbed terwijl buiten de grote oorlog woedde.
Mijn grootvader kwam onder één van de Luikse forten terecht en lag ergens in Duitsland te herstellen terwijl de kleine tante in Gent op genezing hoopte.

Hun kleine oorlog.

Ze was een kleine heilige, zei mijn moeder.
Kleine heiligen doen het goed bij de mensen: heilig Hermanneke uit Wijnegem, Dominiek Savio, Maria Goretti, hoe ze ook geleden hadden of in bekoring waren gebracht, God had ze zo lief dat hij hen van de aarde plukte en ze voor altijd bij hem mochten zijn.

dyn007_original_581_350_jpeg__c3005e78cc6206108866f1d3f1d20700

Ik vond Marie Angèle er niet zo heilig uitzien.
Ik vond haar mooi.
Heel kwetsbaar.
Ik was iets jonger dan zij.
Ik wilde graag bij haar en haar poppen liggen.
In een groot bed.
Een bed dat midden op de velden stond,
of in een geheimzinnig bos.

Haar broertje lag tussen ons in.
En aan elke kant van ons een pop.

Wie de eerste ster zag, kreeg een kusje.
Natuurlijk zag Marie Angèle de eerste ster.
Venus.
De avondster.

We gaven haar een kusje.
Voorzichtig.
Dat ijzeren corset, weet je wel.

Mijn kleine tante sliep vlug.
Haar broertje met zijn hoofdje tegen haar schouder.

Elke pop van vroeger dagen heb ik lang Marie Angèle genoemd.


ET IN ARCADIA EGO

eenzaam

Beste Vriendin,

Vaak zoek ik naar een begeleidend kunstenaar om niet in het illustratieve te vervallen wanneer ik een kleine periode van ervaringen wil beschrijven.
Het zou net zo goed muziek kunnen zijn, maar sinds enige tijd heerst er een zekere doofheid voor dit medium in mijn innerlijk oor en hou ik het bij tekeningen en schilderijen, het beeldende dus.

Het werk van de Engelsman Simon Evans (1972-) die in Berlijn woont en werkt leek me vandaag uitstekend geschikt om de voorbije dagen te begeleiden.

Voor mensen met depressieve neigingen zijn de Ardennen in deze tijd van het jaar niet aan te raden.
Staat hier te lande de natuur al zo’n 30-50 dagen achter in vergelijking met vorig jaar, dan doen ze daar in de Ardennen nog graag een dertigtal dagen bij, te zien aan de resterende kerstversieringen die boven de donkere dorpen zijn achtergelaten, bungelend aan één draad zodat je elk ogenblik door een vallende ster kunt geraakt worden.

Neem daarbij een huis waar een ijverige Waalse ambachtsman de hele inboedel van een door het water geschonden beneden-kamer boven in de living heeft neergeploft terwijl het buiten motregent en de mist niet voor 2010 zal optrekken, en je hebt een perfect beeld van onze aankomst in dat illustere gebied

Maar je kent de geliefde.
Hoe ze eerst met haar kennersblik het slagveld overschouwt en dan met een begrijpende hoofdknik aan het werk slaat zodat na een uurtje de uitdragerij in een bewoonbaar pand is omgetoverd, inclusief lichtpuntjes en knusse hoeken.

dyn003_original_321_480_jpeg__d2209402c5f55ec986c8b1f8ca63365d

Het kleinkind is van dezelfde soort maar in de omgekeerde richting.
Haar bijna negenjarig hoofdje vol initiatieven kan van een opgeruimde bovenverdieping in enkele uren een ware uitdragerij maken.
Terwijl dus de eetplaats bewoonbaar werd ontstond op de halve bovenverdieping Alice in wonderland, een rijk waarin poppen en knutselmaterialen, knuffels en spellen de ruimte vulden.

dyn003_original_350_467_jpeg__de7be9060f2fe5b38613a65eac042360

Dat werd de volgende dag aangevuld met een dierenziekenhuis en aanverwante auto (met lof voor Playmobil) en een schrift waarin gedichten zouden komen want schriften hebben (buiten de school) een bijna magische aantrekking, een magie waartegen ik mezelf ook nog steeds moet verweren.
Diezelfde avond echter kregen we een eerste voorlezing uit eigen werk.
Ik heb haar schrift hier voor mij liggen terwijl de schrijfster deze morgen zuchtend naar school is getrokken.

ik vraag veel met mijn verjaardagen
maar toen ik 100 werd
hat ik 5000 dingen
maar toen ik 1000 werd
hat ik 50000 dingen
maar als ik ontelbaar werd
dan kreeg ik niets omdat ik ales hat

elk jaar kreeg ik normaal iets
maar ik gaf ales weg
ik hat aleen nog herinneringen.

Ik heb de oorspronkelijke spelling bewaard want die hoort bij haar wereldbeeld.
Het oranje schrift is intussen aardig gevuld geraakt.

dyn003_original_480_345_jpeg__3b12f4e1cf4f1e1dd763edb2edfd4d28

De laatste avond vond ze in huis een drietal lieve-heer-beestjes.
Die werden in een potje gezet met doorprikt papiertje afgedekt om ze ’s morgens, als het enigzins opgewarmd was, in de vrije natuur los te laten want binnen wachtte de beestjes een zekere hongerdood.

dyn003_original_480_338_jpeg__ef40229907df1ac98bc4d351f99d6275

Na het ontbijt stapte ze naar buiten en voor ze de diertjes de vrijheid gaf, las ze eerst uit haar schrift nog een afscheidsgedicht voor:

ik ga juli een voor een misen
roodstipje en zwart stipje
en tensloten ardka
samen hebben jullie
een klup opgestart
deen akrobate toere
de ene een googelaar
en de andere die eet maar

hier is het het beeter voor juli
vaarwel

Daarna werden ze vrij gelaten terwijl wij achter het keukenraam verbaasd en ten zeerste ontroerd toekeken.
De zon verscheen.
Tijd dus om terug te keren.

Naar de wereld.

En in haar schrift lees ik nog haar commentaar op mij toen ik haar tijdens de terugreis niet dadelijk begreep.
‘Opi je bent blind aan je oren’.

Inderdaad.


MOTOR MET ZIJSPAN

dyn006_original_350_532_jpeg_20344_efbd05986cc94b9430bded266ed18cce

Waar grootoom Jacob het felle motorspan vandaan haalde, is tot op de dag van vandaag een geheim gebleven.
Een van mijn talrijke ooms, oom Lion zie je op de foto hierboven, met voor hem zijn vrolijke zoon Andrej en in het zijspan zijn avontuurlijke moeder Julia.
Het lijkt wel of ze door de deur van de studio zijn binnengereden, of komen ze uit het geschilderde bos?

dyn006_original_350_544_jpeg_20344_1aed548751596edc0caaf1055611e5ab

Hierboven zie je Jacobs’ ouders op het stel.
Je zou hen niet dadelijk op een dergelijk span verwachten want ze hadden de naam en de faam de meest zachtzinnige mensen te zijn voor wie een onvertogen woord slapeloze nachten zou betekenen.

Was het nu omdat het zijn eigen ouders waren, of wegens de drukte, hun foto getuigt niet van enige cadreringskunst want bijna is moeder Jacob uit beeld verdwenen terwijl er aan de andere kant dwaze ruimte te over is.
Het zou natuurlijk kunnen dat Jacob de deur uit beeld wilde houden, eerlijk is eerlijk, want voor Jacob was de werkelijkheid meer waard dan de esthetica, dat zie je aan het motorspan.

Voor de kleine Andrej zal het leven op de motor bittere ernst worden al is hem dat hier nog niet aan te zien.
Hier wil hij na het maken van de foto onmiddellijk de wijde wereld intrekken, kijk naar zijn lachend gezicht, naar zijn ‘goesting’ om op avontuur te gaan terwijl Jacobs’ ouders met een minzame glimlach aan Jacobs aanmoediging hebben toegegeven.

Dat oom Lion weldra ander vrouwelijk gezelschap dan zijn moeder in het span zou meenemen zal niemand verbazen als je hem ziet zitten, de flierefluiter met pet, de man die nooit zacht sprak maar het leven luid verwelkomde.

Na de Russen kwamen de Duitsers.
Verwelkomd als bevrijders.
Hun koeriers reden ook met snelle motoren door de straten.
Een van die intussen grotere jongens was Andrej.
Ze vonden hem naast zo’n mooie motor, ver van de Boulevard Raina, 13.

De belangrijke documenten waren uit zijn tas verdwenen. Partizanen.
Met Lion als kapitein.

Kijk nu nog eens naar de foto, en hoe zijn hand op de schouder van de jongen ligt.
Achter hen het bos.


Enkele dagen naar het landhuis waar de traagheid in het landschap zichtbaar is.
Volgende maandag schrijf ik je weer.


WEG MET HET DARWINISME, LEVE DE EVOLUTIE (2)

080325083359-large

En daar zijn we met de breuklijn: dat zogenaamde ‘intelligent design’.
We beweren niet dat het ‘Darwinisme’ het creationisme in de hand zou werken, alleen maar door het vanzelfsprekende ‘isme’ in beide begrippen.

De term ‘Darwinian’ zet wel de term ‘intelligent’ in dezelfde schijnwerper.
Charles Darwin vond geen geloofssysteem uit.
Hij had een idee, geen ideologie.En dat idee zorgde voor een discipline en niet voor ‘disciples’

‘He spent 20-plus years amassing and assessing the evidence and implications of similar, yet diftering, creatures separated in time (fossils) or in space (islands). That’s science.’
That’s why Darwin must go.’

Ongeveer alles wat we nu onder het begrip ‘evolutie’ begrijpen, kwam na Darwin, niet van Darwin.
Hij kende niets van erfelijkheid of genese, beide cruciaal voor het begrip evolutie.
Zelfs ‘evolutie’ was niet eens Darwins idee.

‘Darwin’s grandfather Erasmus believed life evolved from a single ancestor. “Shall we conjecture that one and the same kind of living filaments is and has been the cause of all organic life?” he wrote in “Zoonomia” in 1794. He just couldn’t figure out how.

Charles Darwin was after the how. Thinking about farmers’ selective breeding, considering the high mortality of seeds and wild animals, he surmised that natural conditions acted as a filter determining which individuals survived to breed more individuals like themselves.

dyn005_original_364_454_jpeg__02d123930e15646253e8238a342f1f9a

He called this filter “natural selection.”
What Darwin had to say about evolution basically begins and ends right there.
Darwin took the tiniest step beyond common knowledge. Yet because he perceived — correctly — a mechanism by which life diversifies, his insight packed sweeping power.’

Hij was niet alleen.
Zijn thesis was in de groeifase twee decades voor haar publicatie toen Alfred Russel Wallace hem schreef vanuit Zuid-Oost Azië, en onafhankelijk van hem dezelfde theorie ontwikkelde.

dyn010_original_408_391_jpeg__8effc4bf78b3a69ecac23676caac9c76

Het waren Darwins collega’s die toen een publieke presentatie organiseerden ter ere van deze twee, uit schrik een primeur te missen.
Het was een idee wiens tijd gekomen was, met of zonder Darwin.

‘Darwin penned the magnum opus. Yet there were weaknesses. Individual variation underpinned the idea, but what created variants?
Worse, people thought traits of both parents blended in the offspring, so wouldn’t a successful trait be diluted out of existence in a few generations?
Because Darwin and colleagues were ignorant of genes and the mechanics of inheritance, they couldn’t fully understand evolution.’

dyn010_original_466_170_jpeg__5e196476be8b4d546eb9dd0ac4f76198

Gregor Mendel, een Oostenrijkse monnik, ontdekte dat erfelijkheid of individuele eigenschappen in bonenplanten bepaalde patronen volgden.
Zijn oversten verbandden na zijn dood in 1884 zijn papieren.

‘Not until Mendel’s rediscovered “genetics” met Darwin’s natural selection in the “modern synthesis” of the 1920s did science take a giant step toward understanding evolutionary mechanics.
Rosalind Franklin, James Watson and Francis Crick bestowed the next leap: DNA, the structure and mechanism of variation and inheritance.

Darwin’s intellect, humility (“It is always advisable to perceive clearly our ignorance”) and prescience astonish more as scientists clarify, in detail he never imagined, how much he got right.

But our understanding of how life works since Darwin won’t swim in the public pool of ideas until we kill the cult of Darwinism.
Only when we fully acknowledge the subsequent century and a half of value added can we really appreciate both Darwin’s genius and the fact that evolution is life’s driving force, with or without Darwin.’

(Carl Safina is a MacArthur fellow, an adjunct professor at Stony Brook University and the president of the Blue Ocean Institute. His books include “Song for the Blue Ocean,” “Eye of the Albatross” and “Voyage of the Turtle.”)


LIEFDE VOOR LETTERS

 

dyn009_original_408_441_jpeg_20344_0427f3bc1bd55d274a404b45395fe752

Wat mij restte, nakomelingen,
letters,
telkens op een andere rij gezet,

en hoe ver je ook weg was,
twee zinnen waren voldoende,
om je in mijn armen en mijn oud hart
terug te vinden.

Een opwelling.
Een proeve.
Of proeven van.

dyn009_original_379_381_jpeg_20344_f4c2bd8c24eec159e704ec706daa5a8f

Zoals de vele zinnen uit het boek ‘De gouden lier’, Archaïsche Griekse lyriek’ vertaald door Paul Claes en uitgegeven bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, een boek dat ik telkens weer weggeef en opnieuw koop, soms zelfs alsof het nieuw boek was en ik pas bij lectuur ontdek dat ik het al twee- driemaal in mijn bezit heb gehad.

Paul Claes verloste ons van de aanvullingen die 18-20ste eeuwse ‘dichters’ maakten bij de fragmenten die van de Griekse dichters overbleven.
(Om maar te zwijgen van geslachtsveranderingen waarbij alle mooie jongens in meisjes veranderden.)

Hij laat de tekst zoals de tekst tot ons is gekomen, in zijn naakte onvolkomenheid, maar juist daardoor roept hij allerlei onuitgesproken suggesties op, geeft hij ons de kans om te voorvoelen of aan te vullen in gedachten.
Het fragment als kern waarrond de ideeën en emoties van de lezer onuitgesproken mogen rondcirkelen.

Avondster

Avondster
van alle sterren de mooiste…

Avondster, jij die alles terugbrengt
wat de stralende ochtend verspreidt,
jij bent het die de lam, het geitje
en het kind terug naar de moeder leidt…

Aan Sapfo toegeschreven, 7de-6de eeuw voor Chr

dyn004_original_408_515_jpeg__acae6d6a1a895d98e5153cc5320de06d

Licht dat uit boeken komt.
Verlichting.
Alleen uit ‘heilige’ boeken?
Absoluut niet.

Uit elk boek, van kook- tot filosofisch boek, hun letters stralen.
Ze verlichten onze beperkte gedachtengangen.
Al die gangetjes
die nog in het donker lagen.
Waar je op de tast
je weg moest vinden,
zetten ze in het licht.

Letters
zijn belagers
van het eigen goeddunken.

dyn004_original_490_325_jpeg__7432d3fb0a0160a9350bd5a516f77bd7

Dat wekt wel eens tegenzin op want we willen nu net die boeken of verhalen lezen die onze eigen honger stillen, of onze individualiteit beklemtonen

Een aantal critici nemen die persoonlijke voorkeuren als ijkpunt, de eigen navel als baken.
En uit navels komt niet veel meer dan een kwalijk ruikend kruimeltje.

Ik vecht graag met boeken.
Boeken die zich niet onmiddellijk laten ‘pakken’, die je opnieuw en opnieuw laten stormlopen tot er hier en daar een scheurtje in hun stugheid komt, en vanuit dat scheurtje brokstukken vrijkomen, vage beelden verschijnen, je laten halthouden bij fakkellicht dat de tekeningen op de rotswanden zichtbaar maakt.

Het raadsel.
De vreemde wereld waarin we zullen aankomen met het prachtige boek van Shaun Tan ‘De aankomst’.

Neem me bij de hand.


OP ZOEK NAAR DE WARE BETEKENIS VAN MEDEDOGEN (3)

dood kind 02

Dat alles of niets standpunt van de tegenstanders van mededogen is vreemd: je hebt altijd mededogen of je hebt helemaal geen mededogen.
Niets weerhoudt de promededogentraditie echter van het oordeel dat sommige aanleidingen tot mededogen onterecht zijn en op verkeerde waardeoordelen stoelen.

Mededogen neemt niet het gezichtpunt in van de getroffen persoon maar dat van een toeschouwer die de ernst van een gebeurtenis inschat.

Ik kan makkelijk begrijpen dat een Romeins aristocraat die zijn pauwentongen mist voor een galadiner dat erg vindt maar op mijn mededogen moet hij niet rekenen.

‘De promededogentraditie is voornamelijk bezig met het opstellen van een goede waardetheorie en met kritiek op mensen die onevenredig veel belang hechten aan geld, status of genot.
(Aristoteles en Rousseau maken beiden deze kritiek tot kern van hun denken)
Deze traditie is het met Nietzsche eens dat mensen niet overal waar ze kijken zwakheid moeten zien en niet over elk mogelijk verlies moeten klagen, dat ze tot op grote hoogte het beste moeten maken van wat het leven op hun pad brengt en moeten vertrouwen op hun innerlijke kracht.
Aan de andere kant heeft het geen zin om te ontkennen dat sommige verliezen verdriet waard zijn- en dat zijn soms verliezen die de getroffen persoon niet opmerkt.

Terug naar de foto hiernaast, een foto die de foto van gisteren voorafgaat.
Ik kan er niet lang naar kijken.<br<Alsof ikzelf mijn eigen dood kind in de armen zal houden, mijn kind dat niets met de politieke situatie in Irak of Gaza heeft te maken, maar als kind buitenspeelde, of nog wakker moest worden.

kind03

Je kunt deze foto ook politiek misbruiken.
Je kunt er wraakgevoelens mee oproepen, je kunt er de wreedheid van de tegenstander mee belichten terwijl je zelf jongens de dood injaagt door het martelaarschap als hoogste goed voor te stellen, enz.

Maar ik als verre toeschouwer wordt in één ruk met mijn westerse neus op de afschuwelijke gevolgen van een conflict gedrukt waarin alleen nog de band tussen een moeder of vader en hun kind telt en al de rest er niet toe doet.

Mijn mededogen met al deze mensen zet mij aan om me te verdiepen in de oorzaken van dit leed, in de rol van de verschillende ‘actoren’ zoals dat zo mooi heet, want dit leed voel ik als mijn eigen leed, mijn onmacht probeer ik te vertalen in het verlenen van mijn povere bijstand, eerst en vooral door studie, en daarna ook door mogelijke materiële hulp aan fondsen die zich voor deze mensen inzetten.

Terecht voel ik me betrokken bij de momentele gebeurtenissen in Gaza wanneer weldra hier de lucht zal gevuld zijn met knallen en vuurwerk, terwijl de gruwelijke knallen en het dodelijke vuurwerk op een halve dag vliegtuigreis hier vandaan alles behalve feestelijke gevolgen hebben.
Ik erger mij in onze houding van ik stond erbij en keek ernaar, en probeer me voor mijn eigen kinderen en kleinkinderen zoveel mogelijk in te zetten om hen tot mededogende mensen op te voeden.

Je zou kunnen zeggen dat de stoïcijnse tegenwerpingen iemand die toevallig hulp nodig heeft, afschilderen als een pathologische narcist: niet in staat om anderen te respecteren omdat ze grenzeloos behoeftig is en slaaf van haar eigen eisen.
We kunnen de kritiek in wezen omdraaien: eigenlijk lijken juist de stoïcijnen op een pathologische narcist, met hun overmogen tot verdriet, hun snakken naar macht en hun onwil om te accepteren dat andere mensen eisen stellen die hun gelijkmoedigheid aantasten.

Mededogen als lang lopend cadeau voor een nieuw jaar.
Ik wens het ons allen toe, vooral ook de machthebbers die van goede wille zijn.


PRIMITIEVE SCHAAMTE

male statue decor

adameva

metzak

Een belangrijke opmerking maakt Nussbaum over het feit dat voor schaamte een tekort aan zelfrespect geen vereiste is.
In wezen is voor schaamte als noodzakelijke achtergrond juist zelfrespect vereist.
Alleen als je denkt dat je waardevol of zelfs volmaakt bent, deins je terug voor de tekens van je eigen waardeloosheid of onvolmaaktheid en verberg je die.

‘Omdat alle kleine kinderen een gevoel van almacht hebben, ervaren alle kinderen schaamte als ze hun eigen onvolmaaktheid beseffen.
Dit is een universele ervaring die de achtergrond is van het bijbelse verhaal van schaamte voor onze naaktheid.’

Een goede ontwikkeling maakt het echter mogelijk die almacht geleidelijk los te laten ten gunste van vertrouwen.
Dan leert het kind dat het zich niet hoeft te schamen voor zijn behoeftigheid en dat het kan creatief kan genieten van het subtiele samenspel tussen twee onvolmaakte wezens.

metpaardTerugkerend naar onze patiënt B. begrijpen we nu beter zijn uitspraak ‘Onvolmaakt zijn, betekent voor mij afgewezen worden.’
Als hij huilde, als hij aangaf dat hij honger had waren dat tekens van zijn menselijke naaktheid, die in de ogen van zijn moeder evenzoveel tekens van waardeloosheid waren.
‘Er is maar één manier om iets te bereiken,’ concludeert hij, ‘ en dat is door volmaakt te zijn.’

Uit schaamte verstopt het echte, kwetsbare ‘zelf’ zich en treedt het robotachtige, niet authentieke ‘valse zelf’ zich naar voren.

Primitieve schaamte over je eigen zwakheid is waarschijnlijk een elementair kenmerk van ons emotionele leven.

‘Een ouder die ervan geniet een kind te hebben dat kind is en die in die wisselwerking laat zien dat het goed is om menselijk te zijn, vergemakkelijkt echter het omgaan met de ambivalentie in latere objectrelaties.’

Natuurlijk heeft schaamte allerlei uitingsvormen.
Een ideaalbeeld waaraan je je spiegelt kan altijd tot schaamte leiden.
Wat Nussbaum ‘primitieve schaamte’ noemt is een vorm van schaamte die nauw verband houdt met het narcisme of kinderlijke almacht.

Wij zullen waarschijnlijk allemaal deze schaamte in een of andere vorm ervaren.
Ze wordt zeker hernieuwd en versrterkt door het besef van je eigen sterfelijkheid.
Morrison brengt het mooi onder woorden:
‘Zo inspireren schaamte en narcisme elkaar, wanneer het zelf eerst wordt ervaren als iets wat alleen afzonderlijk en klein is, en vervolgens als iets groots, dat streeft naar volmaaktheid en hereniging met het ideaal.’

Het is uiteraard makkelijk de schaamte ook als wapen te gebruiken.
Mensen beschaamd maken is een effectief middel om ze te overheersen.


male statue decor
Photo by karatara on Pexels.com

MY BOY JACK

dyn006_original_310_443_jpeg_20344_2d5b2d5487819983fa3ee236a4edc521

Have you news of my boy Jack?”
Not this tide.
“When d’you think that he’ll come back?”
Not with this wind blowing, and this tide.

“Has any one else had word of him?”
Not this tide.
For what is sunk will hardly swim,
Not with this wind blowing, and this tide.

“Oh, dear, what comfort can I find?”
None this tide,
Nor any tide,
Except he did not shame his kind —
Not even with that wind blowing, and that tide.

Then hold your head up all the more,
This tide,
And every tide;
Because he was the son you bore,
And gave to that wind blowing and that tide!

dyn006_original_500_375_jpeg_20344_31e68b3e81b7ddb630f73cf8e6eb38ed

Rudyard Kipling


ZUINIG OP ZATERDAG

sunrays on blue sky with clouds
252202979_gmBJp-M

In een van zijn gastcolleges vroeg een vriend voorbeelden bij elkaar te brengen rondom het thema ‘ars erotica’.
Ik wil U de bijdragen onthouden, want het grootste gedeelte van deze collectie had eerder iets met ars pornografica te maken, of was aan de andere kant een samenraapsel van goed bedoelde onder- of overbelichte afbeeldingen waarin het samenvloeien der lichamen al dan niet geïdealiseerd of gebrutaliseerd door een over esthetisering machteloos was gemaakt en ze daardoor eerder als kalenderplaatjes dienstbaar waren.

Hij kocht dus een mengeling fruit en groenten en toog met deze verzameling naar zijn toehoorders.
De opdracht was: maak vormen en kleuren zichtbaar die je graag met je ogen of met je lichaam zou aanraken.

Wie zich deze zaterdag zou vervelen kan aan het werk.

161597421_yw6kf-M-1

Het ontbreekt ons in het Westen aan de ars erotica, ze -of wat ervoor moet doorgaan- is ingepalmd door de commerciële lijf- en lustencentra en nauwelijks de naam ‘ars’ waard.

We keren terug naar Michel Foucault die in zijn geschiedenis van de seksualiteit deze ars erotica toewijst (als procedure om de waarheid van de seks te produceren) aan tal van landen en streken zoals Griekenland, China, Japan, India, Rome, de Arabisch-Islamitische maatschappijen.

‘In de kunst van de erotiek wordt de waarheid ontleend aan de lust zelf, welke wordt opgevat als praktijk en vergaard in de vorm van ervaring; de lust wordt niet gezien in relatie tot een absolute wet die bepaalt wat toegestaan en verboden is, en ook niet naar de verwijzing naar een nuttigheidscriterium; maar de lust wordt allereerst en vooral in relatie met zichzelf gezien, hij is als lust te kennen, met andere woorden in zijn intensiteit, zijn specifieke hoedanigheid, zijn duur, en zijn uitstraling in lichaam en ziel.
Beter nog: dit weten moet succesievelijk weer terugvloeien in de seksuele praktijk zelf om haar als het ware van binnen uit te bewerken en haar uitwerkingen te vergroten.’

Het weten dat daaruit voortvloeit moet geheim blijven, niet omdat op die wijsheid de verdenking van schandelijkheid zou berusten maar vanwege de noodzaak daar tegenover een zo groot mogelijke terughoudendheid te betrachten, omdat het naar de traditie, zijn werkzaamheid en kracht zou verliezen als het algemene verbreid zou raken. (zoals dat gebeurt in de technische standjes-publicaties en dito programma’ s.)

‘Fundamenteel is dus de verhouding tot de meester als degene die de geheimen bezit; alleen hij kan dat weten langs esoterische overdragen, na verloop van een initiatie waarin hij, uitgerust met een onfeilbaar weten en met een onverbiddelijke gestrengheid, de schreden van de leerling leidt.
De uitwerkingen van dit meesterschap, die heel wat weldadiger zijn dan de dorheid van zijn voorschriften doet vermoeden, moeten in degene die door hem werd verkozen, tot een verandering leiden: absolute beheersing van het lichaam, een ongeëvenaard genot, vergeten van tijd en grenzen, levenselixir, uitbanning van de dood en zijn dreiging.’ ‘p59-60)

In het Westen kennen wij zo’n ars erotica niet, maar wel een scientia sexualis , geuit via de bekentenis.

Laten we die scientia behandelen in de prozaïsche sfeer van de maandag.


sunrays on blue sky with clouds
Photo by Bùi Hoàng Long on Pexels.com

HET OOGVERBLINDEND SCHITTEREN VAN DE PERVERSIES

kiss

Het meest gangbare idee over de negentiende eeuw is de stelling dat ze getracht heeft de seksualiteit tot het echtpaar te reduceren, ‘…tot het heteroseksuele paar dat zo mogelijk ook nog wettig is.’
…aldus Michel Foucault in zijn eerste deel van de geschiedenis van de seksualiteit.

Hij bestrijdt echter dat gangbare idee met verve:

‘Men zou evengoed kunnen zeggen dat zij de groepen met velerlei elementen en een circulerende seksualiteit zo niet bedacht, dan toch minstens heeft ingedeeld en heeft laten voortwoekeren: een verdeling van gehiërarchiseerde of tegengestelde machtspunten, “nagejaagde” genietingen – dat wil zeggen zowel begeerd als vervolgd; geparcelleerde seksualiteiten die werden geduld of aangemoedigd; een nabijheid die zich uitgeeft voor bewakingsmethode en als intensiveringsmechanisme werkt; inducerende contacten.’ (p48)

Zijn vraag of het 19de eeuwse gezin eigenlijk wel een monogame echtelijke cel zou zijn kan hij voor een deel positief beantwoorden, maar tegelijkertijd is het ‘een netwerk van lusten en machten die onderling in talrijke punten met elkaar verbonden zijn en veranderbare relaties onderhouden.’

dyn004_original_400_183_jpeg_20344_4240a1dbebee6a36187ad4dd6c3179c8

En daarbij denkt hij aan de scheiding tussen volwassenen en kinderen, uitgedrukt in de kamer van de ouders en de kinderkamer (in de loop van de eeuw canoniek geworden toen men begon met de bouw van arbeiderswoningen), de strenge instructies omtrent zuigelingenzorg, de aandacht voor de kinderlijke seksualiteit, de vermeende gevaren van masturbatie, het belang van de puberteit, de gewaardeerde en tevens geduchte aanwezigheid van bedienden, dat alles maakt het gezin tot een complex netwerk dat verzadigd is met velerlei fragmentarische als beweeglijke seksualiteiten.

dyn004_original_408_258_jpeg_20344_d5967f48e151a6643502c00363d50c10

‘Reduceert men deze tot de echtelijke relatie, met het risico haar in de vorm van een verboden begeerte op de kinderen te projecteren, dan gaat men voorbij aan dit dispositief, dat zich tegenover deze seksualiteiten minder als een verbodsprincipe opstelt dan als een mechanisme van prikkeling en vermeerdering.
De onderwijsinstellingen of de psychiatrische inrichtingen met hun talrijke bevolking, hun hiërarchie, hun ruimtelijke indelingen en hun systeem van toezicht, vormen naast het gezin een andere manier om het spel van de machten en lusten te regelen; maar ook zij vertonen regionen met een hoge seksuele verzadiging, met bevoorechte ruimten of riten zoals het klaslokaal, de slaapzaal, de visite of het spreekuur.
Hier worden de vormen van niet echtelijke, niet-heteroseksuele en niet-monogame seksualiteit aangetrokken en geïnstalleerd.’

En dan die intrigerende conclusie dat de 19de en wellicht ook de 21ste eeuw een maatschappij is waarin de perversies ‘oogverblindend schitteren’.
En niet bij wijze van hypocrisie, want ‘…niets was duidelijker en breedsprakeriger, niets werd openlijker door vertogen en instellingen voor hun rekening genomen.’

Ook niet omdat de maatschappij de seksualiteit streng wilde indammen en tegen wil en dank de perversies als een soort reactie zouden ‘uitbotten’, neen, deze macht heeft geen verbodskenmerken schrijft Foucault.

‘Ze stelt geen grenzen aan de seksualiteit, maar verlengt haar uiteeenlopende vormen door die langs eindeloze penetratielinies te achtervolgen. Ze sluit de seks niet uit, docht sluit haar op in het lichaam als een manier om de individuen te classificeren. {…} De moderne maatschappij is pervers, niet in weerwil van haar puritanisme of als weerslag van haar hypocrisie, maar ze is werkelijk en rechtstreeks pervers.’

0005

Foucault somt dan een aantal seksualiteiten op die het correlaat van scherp omlijnde machtsprocedures vormen:
-zij die optreden in de verschillende levensstadia
-zij die hun beslag krijgen in neigingen of praktijken
-zij die vanuit relaties voortkomen (pedagoog-pupil, enz.)
-zij die in allerlei ruimten ronddwalen (gevangenis, thuis, school)

En nogmaals benadrukt de auteur dat het niet gaat om een regulerende rol om slechts één type van seksualiteit te reproduceren, dienstig aan arbeidskracht en gezinsvorm), ‘maar dit polymorfe gedrag is werkelijk uit het lichaam van de mensen en zijn genietingen opgediept, of beter, men heeft ze erin laten stollen; zij zijn door talrijke machtsdispositieven opgeroepen, aan het licht gebracht, geïsoleerd, geïntensiveerd en geïncorporeerd.'<p>Misschien komt hij dan bijna zonder enige nadruk overigens tot een stelling die hij voorzichtig met een ‘misschien’ inleidt:

‘Het is mogelijk dat het Westen niet in staat is geweest om nieuwe genietingen te bedenken, en het staat vast dat het geen onbekende, oorspronkelijke ondeugden heeft ontdekt. Maar het heeft nieuwe regels vastgesteld voor het spel van de machten en de lusten: daarin heeft zich het verstarde gelaat van de perversies afgetekend.’

Geen nieuwe genietingen, en…het verstarde gelaat.
Je zou kunnen denken dat het machts- en lustspelletje tot verstarring leidt eigen aan een over classifiëring, maar even later klinkt het toch anders:

‘De inplanting van perversies is een middel-effect: door afzondering, intensivering en versterking van de perifere seksualiteiten vertakken en vermenigvuldigen de relaties tussen macht en seks, tussen macht en lust zich, brengen het lichaam in kaart en dringen door tot in de gedragingen.
En met het oprukken van de machten nemen de verstrooide seksulaiteiten vaste vorm aan en hechten zij zich aan een leeftijd, een plek, een neiging of aan een bepaald type praktijk.

dyn004_original_400_310_jpeg_20344_e4616d27384310541ba50d3bcd13fc5b

Een woekering van de seksualiteit door uitbreiding van de macht; een opvoering van de macht waarvoor elk van deze regionale seksualiteiten een oppervlak voor ingrijpen levert; vooral sedert de 19de eeuw wordt deze aaneenschakeling door talloze ecomomische voordelen gegarandeerd en versterkt, die dank zij de tussenkomst van de geneeskunde, de psychiatrie, de prostitutie en de pornografie zich zowel hebben aangesloten op deze analytische vermenigvuldiging van de lust als op de opvoering van de macht die hier toezicht op houdt.
Lust en macht heffen elkaar niet op, ze keren zich niet tegen elkaar, ze jagen elkaar na, overlappen en versterken elkaar.

Dat moderne industriële maatschapijen in toenemende mate een seksuele ondrukking zouden hebben ingeluid is dus een mythe.

‘We zijn niet alleen getuige van een zichtbare uitbarsting van de ketterse seksualiteiten, maar vooral – en dat is het punt waar het om gaat- van een dispositief dat sterk verschilt van de wet, ook al steunt het hier en daar op verbodsprocedures.’

We plaatsen dus de nodige vraagtekens bij die zogenaamde Victoriaanse preutsheid.
Nimmer immers bestonden er meer machtscentra, nimmer werd er openlijker en breedvoeriger belangstelling getoond, en nimmer waren er meer brandpunten waar de intensiteit van de lusten en de hardnekkigheid van de machten oplaaiden om zich verder te verspreiden.

De konsekwenties van deze wederzijdse beïnvloeding zadelen ons op met de allerlei vragen die heden ten dage nog steeds werkzaam zijn.

Het is vanuit die vragen en achtergronden dat we stapje voor stapje proberen hedendaagse opvattingen van macht en lust te onderzoeken.

De vragen zijn vaak belangrijker dan de
vermeende vlugge oplossingen.


MACHT EN MACHTELOOSHEID

dyn010_original_448_310_jpeg_20344_e5185dbe788423673db8fa6fdcc6a47b.2

In 1922 schrijft Gide in zijn Journal dat hij nooit gestemd heeft, en dat hij zich daar heel goed bij voelt.

‘Tous ces partis me font horreur, non plus à droite qu’ à gauche, je ne sens place pour ce que j’ ai de plus réel, de plus irréfutable en moi.’

Het zal inderdaad nog een hele tijd duren vooraleer een Franse politieke partij rekening houdt met het doen en laten van homoseksuelen.
Begrijpelijk ook omdat een politieke partij steeds haar macht vanuit een meerderheid moet halen, vanuit de grootste gemene deler, de vox populi, de publieke opinie, en zich dus zal indekken tegen alles wat haar “stemmen kan kosten”.
In die zin is een partij steeds bezig met “de mensen” en nooit met “de mens”.
Ik denk dat die gewaarwording ook voor de wortels van de anarchie als beweging blijft zorgen, een anarchie die zich in de kunst als in de politiek bijzonder weinig aantrok van seksuele minderheden.

Het “ons” gevoel moet voortdurend offers brengen aan de particularité die ieder van ons van “ons” onderscheidt.

Toch waarschuwt Michel Foucault ons voor het verkeerde denkbeeld alsof de 19de eeuw de afwijkende seksualiteiten zou onderdrukken.
In zijn geschiedenis van de seksualiteit vertrekt hij vanuit dat aanvaarde standpunt maar zijn conclusies gaan de andere kant op.

‘Deze nieuwe drijfjacht op de perifere vormen van seksualiteit brengt een ‘incorperatie van de perversies’ en een nieuwe ‘specificatie van de individuen’ met zich mee.
De sodomie van het oude burgerlijke of canonieke recht behoorde tot het type verboden handelingen; de bedrijver was slechts het rechtssubject ervan.
De homoseksueel van de negentiende eeuw is een persoon geworden, iemand met een verleden, een persoonlijke geschiedenis en kinderjaren, met een karakter en een levenswijze; tegelijk is hij iemand met een morfologie, een lichaamsbouw die de aandacht trekt, en wellicht met een geheimzinnige fysiologie. Niets van alles wat hij is, ontsnapt aan zijn seksualiteit. Zij is overal in hem aanwezig, ze ligt ten grondslag aan al zijn gedragingen, waarvan ze het arglistige en oneindig actieve beginsel is; ze staat schaamteloos op zijn gezicht en lichaam geschreven, want zij is een geheim dat zich altijd verraadt.’

Dat is een mooie mondvol die er vanuit gaat dat de eindeloze indelingen die de 19de eeuwse psychiatrie maakt hen uit ‘het typetje’ verlost en hen verheft tot “een soort”, aldus Foucault.

e8fd8-dyn003_original_599_709_jpeg_20344_98ff2dbcc6fc7b526db45429c0ed2a2f

Ik wil u de mooie opsomming niet onthouden:

‘De exhibitionisten van Lasègue, de fetisjisten van Binet, de zoöfielen en zooërasten van Krafft Ebing of de automonoseksualisten van Rohleder, en later de mixoscopofielen, gynecomasten, presbyofielen, sekso-esthetische homofielen en dysparaneutische vrouwen.

Al deze prachtige ketterse namen verwijzen naar een natuur die zich voldoende te buiten gaan om zich aan de wet te onttrekken maar die zich toch genoeg in acht nam om nog allerlei soorten te blijven produceren, zelfs daar waar geen indeling meer is.

Het gaat dus niet om een uitsluiting, zegt Foucault maar ‘om de specificering en regionale stolling van elk van hen. De bedoeling van hun uitzaaing is dat het werkelijke met hen bezaaid raakt en zij in het individu worden geïncorpereerd.’

Ja, dat klinkt mooi, en het wordt nog fraaier als hij aan die incorperatie ook de lust verbindt, het genot.
Want meer dan het oude verbod verlangt deze machtsuitoefening en aandachtige en vooral ‘nieuwsgierige’ aanwezigheid.

Ze gaat te werk volgens indringende onderzoeken en waarnemingen, middels vragen die bekentenissen afdwingen en vertrouwelijke mededelingen die het kader van een verhoor te buiten gaan.

De macht die de seksualiteit aldus voor haar rekening neemt, maakt aanstalten de lichamen lichtjes aan te raken: ze streelt met haar ogen; intensiveert er bepaalde regionen van; zij elektriseert hun oppervlak en dramatiseert de ogenblikken van verwarring. De macht pakt het seksuele lichaam om het middel beet.

Dat betekent enerzijds de vergroting van het onder toezicht staande domein maar…tevens een sensualisering van de macht en een winst aan genot.

Dit levert een tweeledig effect op: aan haar uitoefening ontleent de macht een prikkel; het toezicht wordt beloond met een aandoening die het bereik ervan vergroot.
De heftigheid van de bekentenis rakelt de nieuwsgierigheid van de vragensteller op; het aangeboorde genot vloeit terug naar dde macht die het omsingelt.

En zo komen lust en macht samen om de hoek kijken.

Macht die zich laat overweldigen door het genot waar ze jacht op maakt. En daar tegenover de macht die het genot vindt om zich te tonen, aanstoot te geven of weerstand te bieden.

Dat is een dieptezicht dat niet dadelijk doordringt, maar het legt de belangstelling voor de seksuele periferen uit, de lust van het ondervragen en de lust van het lezen in kranten en tijdschriften waaraan sommigen zich zouden hebben overgegeven.

De afstand tussen de ketters en recht-geaarden is minder groot dan we vermoedden.


IL FAUT QUE CET ENFANT SOIT BEAU (3)

de panne 1916

Deze prent neemt ons mee naar De Panne, 1916, badstad, Belgisch grondgebied dat niet door de Duitsers is bezet.

Voor we er kunnen blijven, neem ik U nog even mee terug naar de rouwende Elisabeth die Engeland verlaat om leerkracht en chef tuinvrouw te worden aan een Zwitserse tuinbouwschool.

En van Zwitserland nu naar Rouen in Frankrijk.
Een man die net een lezing heeft gegeven wil nog de trein halen, valt en komt onder een andere trein terecht die net het station binnenkomt.
Dat is het levenseinde van Emile Verhaeren.

De Belgische consul contacteert Theo van Rysselberghe om de begrafenis te regelen.
Verhaeren is in gans Europa bekend en geëerd.
De Fransen willen hem een plaats in het Pantheon geven, maar de familiale delegatie kiest voor Belgische bodem, voor De Panne, 30km van Duinkerken.
Verhaeren heeft er gewoond.

Elisabeth komt terug uit Zwitserland, zij wil met haar moeder bij de begrafenis van haar peter zijn.
’s Avonds neemt het gezelschap met Gide in Calais de trein naar Parijs terug.

Naar oude gewoonte neemt Gide zijn notitieboekje en maakt aantekeningen.
Hij scheurt het blaadje uit het boekje, plooit het, en verlaat de coupé om in de gang van de trein te gaan staan.

Elisabeth komt hem gezelschap houden.
Hij geeft haar het papiertje en keert terug naar het gezelschap.

dyn006_original_333_444_jpeg_20344_7118b4cb8882d126a617eb0da787eeea.2

‘Je n’ aimerai jamais d’amour qu’une seule femme, et je ne puis avoir des vrais désirs que pour les jeunes garçons. Mais je résigne mal à te voir sans enfant et à n’en pas avoir moi-même.’

dyn006_original_419_314_jpeg_20344_0113e761372ce2a0194957ed170814c6.2

Elisabeth neemt de volgende morgen de trein terug naar de tuinbouwschool in Zwitserland.
Met ons vraagt Billard zich af hoe Beth en haar moeder hebben gereageerd op dit berichtje.

We kunnen ons voorstellen dat Elisabeth gechoqueerd was, dat ze vreemd opkeek van een dergelijk bericht van de anders eerder gereserveerde Gide.

En Billard:
‘Pourquoi Gide serait-il capable de faire avec Elisabeth l’enfant qu’il ne peut même tenter de faire avec sa femme (Madeleine) qu’il adore. (Marc komt pas een jaartje later op het toneel)

Eens Marc bij de Gidiennes hoort, bestond er toen een plan om hem en Elisabeth te koppelen?

‘Marc, qu’il aime tendrement, se substitueerait à lui-même pour l’exercice physique de l’entreprise qu’il favorisait, bénirait et dont le moment venu, il assumerait les charges matérielles: l’enfant né d’une telle procédure ne serait-il pas d’une certaine manière aussi le sien?’

Dat is niet zo maar een uit de lucht gegrepen veronderstelling, want tijdens hun verblijf in Cambridge maken Gide en Marc een driedaagse uitstap naar Schotland, naar de hoeve waar Elisabeth, Whity en een andere vriendin Marie-Thérèse Frank, werken.

dyn006_original_347_342_jpeg_20344_5e7f3ee6795c04e593bbe629d28adc4b.2

We kunnen via ‘Notes prises en courant’ van Marc de gebeurtenissen van toen volgen.
Een van Marc’s eigenschappen is zijn kunst om zich onmiddellijk aan een nieuw milieu aan nieuwe mensen aan te passen.

dyn006_original_433_355_jpeg_20344_fd3fd2dfa248b1d75a25945cbe53534a.2

Hij noemt pony en kat bij hun naam, (alsof hij hen ooit zag geboren worden, zegt Billard) hij interesseert zich voor het landschap, de beplantingen, het werk van de meisjes, kortom met zijn grenzeloze nieuwsgierigheid en zijn goed humeur is hij al vlug ieders vriend.

De drie dagen gaan vlug voorbij, en bij het afscheid wordt uitvoerig geknuffeld en gekust.
Elisabeth en Whity beloven Marc in Cambridge op te zoeken.

De eerste stap van Gides plan lijkt uitstekend gelukt.


SECRETS DE FAMILLE (4)

dyn007_original_491_357_jpeg_20344_3a90725503fd3e2f23f1dccdd5bce801.2

Ze werd geboren als Maria Monnom in Brussel in 1866, la petite Dame, twee jaar na Dorothy Bussy dus.

Haar vader runde een drukkerij waar enkele nummers van de Nouvelle Revue française zijn gedrukt.
Een intelligente ondernemende vrouw was ze.
Ze kende al vlug de toenmalige belgische intelligentia, schrijft Billard.

dyn007_original_360_270_jpeg_20344_8a98384531761370d0c0996c3eef08ba.2

Op haar 23ste trouwt ze met Théo Van Rysselberghe, schilder met toen al een zekere faam wiens werken naast die van Bonnard en Signac werden tentoongesteld.

Hun dochtertje Elisabeth die een zeer belangrijke rol zal spelen in ons verhaal wordt in 1890 geboren.

Ze installeren zich in Parijs in 1899 en maken daar al vlug kennis met André Gide.
Hij vertrouwde haar toe dat hij als jongetje met poppen speelde waarop zij:

‘C’est dommage que tu ne sois plus un petit garçon.’
En Gide:
‘Ma petite fille, on ne m’avait jamais rien dit de plus gentil.’

In haar notities lezen we dat ze al op erg jonge leeftijd werd aangetrokken “par ce nouveau monsieur”.

dyn007_original_519_275_jpeg_20344_83c904ac7891f5ac045caa0b4877aaa6.2

Twee jaar later verhuizen de Rysselberghes naar de rue Laugier, “Le Laugier” zoals het in de langue gidienne ging heten, en werd dit huis een natuurlijke refuge voor hem, hij die graag bij vrienden en vriendinnen ging logeren, liever dan zich in zijn eigen ‘Villa’ terug te trekken

Monique Nemer bekijkt het verhaal vanuit haar kant en laat haar aan het woord om die ‘aantrekkingskracht’ van Gide onder woorden te brengen:

“…faite d’ attrait, de confiance absolue, mais aussi de résistance, grace à laquelle {elle} évitait l’ accoutumance et la banalité.”

En Nemer voegt er zelf aan toe:

‘Et cette constante exigence de vérité, envers elle et les autres, qu’ elle maintint au-delà de toutes les souffrances intimes.’ (p213)

dyn007_original_287_500_jpeg_20344_92278990fec874243598964c486b87b7.2

En bij die ‘souffrances’ moet je zeker haar liefde voor Aline Mayrisch, Loup bijgenaamd, rekenen.

Zij was de echtgenote van de schatrijke Luxemburgse industrieel Emile Mayrisch.
Ze werd geboren als Aline de Saint-Hubert in 1874 uit al net zo rijke industriele ouders.
Emile voelde zich geroepen als kunstmaecenas op te treden en zou later La Bastide kopen, een grote hoeve die Elisabeth mocht beheren.

‘Loup- complexe, déchirée, capable de toutes les tendresses et de toutes cruautés, initiatrice de folles nuits blanches quand elle vient “s’amuser” à Paris mais aussi tradutrice rigoureuse des sermons de Maître Eckhart…’

Zo vat Monqie Nemer haar persoonlijkheid treffend samen.

De grote liefde die la petite dame voor haar koestert brengt haar dicht bij Gide, want bij hem kan ze over die liefde openlijk praten.

dyn007_original_448_358_jpeg_20344_c40131d32a42f6367ba4f9dd11f100b2.2

En Gide:
‘Pour ce qui est de vous aider à porter vos joies et vos peinen, je m’offre d’une façon illimitée; pour ce qui est des risques matériels, nous faisons bien d’être sages et d’éviter tant que nous le pouvons des airs de complicité qui seroaient graves aux yeux de ceux que nous aimons.’

En zo schrijft Maria aan Loup:
‘Ma confidence fut comme un torrent. je dis tout: {…} ..toutes les complications de notre cas, le côte douteux, comme supendue, de nos rapports, la beauté de notre sincerité, nos vérités si differentes, la place que tu prenais dans ma vie.’

Net zoals Dorothy Bussy, zoals La petite dame, had ook Loup een dochter, Andrée (Schnouky) geboren in 1901.

Het huis in Dudelange en later het kasteel te Colpach waar de Mayrisch leefden, werd een cultureel en intellectueel trefpunt, maar vooral de thuis voor de Gidiennes, en ik sluit met de woorden van Billard:

‘…le refuge précieux où la petite société gidienne vient se détendre, ourdir ses complots, cicatriser ses blessures. Et les blessures, il y en a…’