dyn010_original_448_310_jpeg_20344_e5185dbe788423673db8fa6fdcc6a47b.2

In 1922 schrijft Gide in zijn Journal dat hij nooit gestemd heeft, en dat hij zich daar heel goed bij voelt.

‘Tous ces partis me font horreur, non plus à droite qu’ à gauche, je ne sens place pour ce que j’ ai de plus réel, de plus irréfutable en moi.’

Het zal inderdaad nog een hele tijd duren vooraleer een Franse politieke partij rekening houdt met het doen en laten van homoseksuelen.
Begrijpelijk ook omdat een politieke partij steeds haar macht vanuit een meerderheid moet halen, vanuit de grootste gemene deler, de vox populi, de publieke opinie, en zich dus zal indekken tegen alles wat haar “stemmen kan kosten”.
In die zin is een partij steeds bezig met “de mensen” en nooit met “de mens”.
Ik denk dat die gewaarwording ook voor de wortels van de anarchie als beweging blijft zorgen, een anarchie die zich in de kunst als in de politiek bijzonder weinig aantrok van seksuele minderheden.

Het “ons” gevoel moet voortdurend offers brengen aan de particularité die ieder van ons van “ons” onderscheidt.

Toch waarschuwt Michel Foucault ons voor het verkeerde denkbeeld alsof de 19de eeuw de afwijkende seksualiteiten zou onderdrukken.
In zijn geschiedenis van de seksualiteit vertrekt hij vanuit dat aanvaarde standpunt maar zijn conclusies gaan de andere kant op.

‘Deze nieuwe drijfjacht op de perifere vormen van seksualiteit brengt een ‘incorperatie van de perversies’ en een nieuwe ‘specificatie van de individuen’ met zich mee.
De sodomie van het oude burgerlijke of canonieke recht behoorde tot het type verboden handelingen; de bedrijver was slechts het rechtssubject ervan.
De homoseksueel van de negentiende eeuw is een persoon geworden, iemand met een verleden, een persoonlijke geschiedenis en kinderjaren, met een karakter en een levenswijze; tegelijk is hij iemand met een morfologie, een lichaamsbouw die de aandacht trekt, en wellicht met een geheimzinnige fysiologie. Niets van alles wat hij is, ontsnapt aan zijn seksualiteit. Zij is overal in hem aanwezig, ze ligt ten grondslag aan al zijn gedragingen, waarvan ze het arglistige en oneindig actieve beginsel is; ze staat schaamteloos op zijn gezicht en lichaam geschreven, want zij is een geheim dat zich altijd verraadt.’

Dat is een mooie mondvol die er vanuit gaat dat de eindeloze indelingen die de 19de eeuwse psychiatrie maakt hen uit ‘het typetje’ verlost en hen verheft tot “een soort”, aldus Foucault.

e8fd8-dyn003_original_599_709_jpeg_20344_98ff2dbcc6fc7b526db45429c0ed2a2f

Ik wil u de mooie opsomming niet onthouden:

‘De exhibitionisten van Lasègue, de fetisjisten van Binet, de zoöfielen en zooërasten van Krafft Ebing of de automonoseksualisten van Rohleder, en later de mixoscopofielen, gynecomasten, presbyofielen, sekso-esthetische homofielen en dysparaneutische vrouwen.

Al deze prachtige ketterse namen verwijzen naar een natuur die zich voldoende te buiten gaan om zich aan de wet te onttrekken maar die zich toch genoeg in acht nam om nog allerlei soorten te blijven produceren, zelfs daar waar geen indeling meer is.

Het gaat dus niet om een uitsluiting, zegt Foucault maar ‘om de specificering en regionale stolling van elk van hen. De bedoeling van hun uitzaaing is dat het werkelijke met hen bezaaid raakt en zij in het individu worden geïncorpereerd.’

Ja, dat klinkt mooi, en het wordt nog fraaier als hij aan die incorperatie ook de lust verbindt, het genot.
Want meer dan het oude verbod verlangt deze machtsuitoefening en aandachtige en vooral ‘nieuwsgierige’ aanwezigheid.

Ze gaat te werk volgens indringende onderzoeken en waarnemingen, middels vragen die bekentenissen afdwingen en vertrouwelijke mededelingen die het kader van een verhoor te buiten gaan.

De macht die de seksualiteit aldus voor haar rekening neemt, maakt aanstalten de lichamen lichtjes aan te raken: ze streelt met haar ogen; intensiveert er bepaalde regionen van; zij elektriseert hun oppervlak en dramatiseert de ogenblikken van verwarring. De macht pakt het seksuele lichaam om het middel beet.

Dat betekent enerzijds de vergroting van het onder toezicht staande domein maar…tevens een sensualisering van de macht en een winst aan genot.

Dit levert een tweeledig effect op: aan haar uitoefening ontleent de macht een prikkel; het toezicht wordt beloond met een aandoening die het bereik ervan vergroot.
De heftigheid van de bekentenis rakelt de nieuwsgierigheid van de vragensteller op; het aangeboorde genot vloeit terug naar dde macht die het omsingelt.

En zo komen lust en macht samen om de hoek kijken.

Macht die zich laat overweldigen door het genot waar ze jacht op maakt. En daar tegenover de macht die het genot vindt om zich te tonen, aanstoot te geven of weerstand te bieden.

Dat is een dieptezicht dat niet dadelijk doordringt, maar het legt de belangstelling voor de seksuele periferen uit, de lust van het ondervragen en de lust van het lezen in kranten en tijdschriften waaraan sommigen zich zouden hebben overgegeven.

De afstand tussen de ketters en recht-geaarden is minder groot dan we vermoedden.