LICHT ALS PASSIE (1)

turner-venice-wc

In de verte ligt de stad op het water, je ziet de dogana, de vage omtrekken van de gebouwen die samen Venetië vormen.
Maar het is het licht dat telt, die vreemde schemer vanuit het water naar de lucht.

We zijn in 1829, en een zekere Thomas Uwin schrijft op 3 februari:

I have fortunately met with a good-tempered, funny, little, elderly gentleman, who will probably be my traveling companion throughout the journey. He is continually popping his head out of the window to sketch whatever strikes his fancy, and became quite angry because the conductor would not wait for him whilst he took a sunrise view of Macerata. ‘Dawn the fellow!’ says he. ‘He has no feeling.’. . . He speaks but a few words of Italian, about as much French, which two languages he jumbles together most amusingly. His good temper, however, carries him though all his troubles. I am sure you would love him for his indefatigability in his favorite pursuit. From his conversations he is evidently near kin to, if not absolutely, an artist. Probably you may know something of him. The name on his truck is, J.M.W. Turner!

Thomas Uwin ontmoet zonder het zelf te beseffen de befaamde J.M.W. Turner, die dan 54 is, en Venetië bezoekt.
Om te drinken met zijn ogen, om schetsboeken vol te tekenen die hij later zal uitwerken (in het Tate alleen al zijn er zo’n 300 verzameld!)

William Mallord Turner is een van mijn vroegste liefdes zonder te beseffen wie of wat hij was.
Turner was herkenning, was dezelfde intense liefde voor het licht delen, was raadsel en techniek, en vooral romantiek, want wat ook hedendaagse critici mogen beweren, Turner was op de eerste plaats een kind van zijn tijd, over twee belangrijke eeuwen gelegen.
Zijn aards bestaan ligt tussen 1775 en 1851, van het complete landschappelijke naar de industriële tijd, van het oude regime naar pogingen tot Verlichting.
Zijn geboortejaar is het begin van de Amerikaanse burgeroorlog, en op zijn eerste vieren de Amerikanen hun eerste 4the of july, de declaratie van de onafhandkelijkheid..en het geboortejaar van John Constable.

dyn002_original_443_450_jpeg_20344_74488a09c9725628a622f632b120ff31

Hij schuwt het effect niet zoals in zijn bekende ‘Burial at Sea’ waarin hevige contrasten het brandende schip weergeven, en sfeer mee bepaald wordt door de zwarte zeilen die tot diep in hun waterweerspiegeling doorklinken terwijl een overwitte hemel daarmee fel contrasteert.

Zee, vuur en rook, het onmogelijke laten samengaan en daarvan het drama aanvoelen n elk detail.

Hij wordt in Covent Garden geboren, zoon van een barbier en pruikenmaker, een vaderskind, want de moeder verdwijnt vlug van het toneel als ze waarschijnlijk door het sterven van Williams zusje in 1786 mentaal ziek wordt, in een asylum wordt opgenomen en in 1804 daar sterft.
Ze kan verschrikkelijke woede-aanvallen krijgen, en waarschijnlijk daardoor zal hij bij een oom worden opgevoed, in het kustplaatsje Brentford zodat de zee, het oneindige van het water al in zijn vroege kinderjaren in hand- en oogbereik kwam.

Zijn tekentalent is al op erg jonge leeftijd merkbaar.
Zijn vader hangt het werk op in de barbershop en verkoopt het aan zijn klanten.
En terwijl in 1789 de Franse revolutie losbreekt, wordt Turner toegelaten als student in the Royal Academy Schools. (nauwelijks veertien jaar)

In feite wil hij architect worden, maar Thomas Hardwick Junior (architectenfamilie) zet hem tot schilderen aan.

En in 1790 na slechts 1 jaar studie hangt er al een aquarel op de Zomertentoonstelling terwijl zijn eerste olieverfwerk in 1796 het licht ziet, al is dat voor Fishermen at Sea in allerlei tonen en tinten op te vatten.

Hij zal later zelf leraar perspectief worden, en zijn lessen of voordrachten zijn moeilijk te volgen.
Hij is schuw, heeft moeite om beschaafd Engels te praten, en mummelt er dus op los, maar veel uitleg hebben zijn werken niet nodig, met één oogopslag zie je waar hij de nadruk op wil leggen en er zijn intussentijd dikke essays over zijn werkwijze verschenen.

In 1816 schrijft New Monthly Magazine:

”Excellent as are Mr Turner’s lectures, in other respects there is an embarrassment in his manner approaching almost to unintelligibility, and a vulgarity of pronunciation astonishing in an artist of his rank and respectability.’

Maar zijn werk slaat aan.
Hij opent zijn eigen gallerij en in een brief van Lady Trevelyan schrijft ze aan Dr. Brown op 7 oktober 1852:

”I have seen Turner several times – and have been in that wonderful old house – where the old woman with her head wrapped up in dirty flannel used to open the door, .and where on faded walls hardly weather tight – and among bits of old furniture thick with dust like a place that has been forsaken for years, were those brilliant pictures all glowing with sunshine and colour…’

We kijken morgen verder.


DE PAPIEREN MENS

READ7

Het mysterieuze in iemand laat zich na jaren een beetje kennen.
Je geliefde waarmee je leeft, een vriend(in), een ouder.

Waarschijnlijk leer je mensen mondjesmaat kennen door met hen samen te zijn.
Of zoals een citaat uit een Chinees gedicht:

Slechts één trap
ben je in mij afgedaald.

Toch steunen wij voor de meeste oordelen op een papieren mens.
Of het nu gaat om studieresultaten, een psychologisch of psychiatrisch rapport, een vonnis, een sollicitatiebrief, een werkrapport, al te gemakkelijk doen wij onze kennis over iemand uit papier op om ze dan weer aan papier toe te vertrouwen.

Heel essentieel: de projectie.
Een schoolvoorbeeld: de psycho-analyse.

Interpretatie van beelden en emoties lijden meer onder projecties van de interpreteerder dan dat ze materiaal verschaffen over de persoon of zijn/haar zielestoestand.

We lijden in onze gedachten-verstijving (een stadium dat aan de ideologie of aan de grootste gemene deler voorafgaat) snel aan bevestiging van wat vaak via het papier opgeld heeft gemaakt. (pers, publicaties)

Het feit dat wij in dit land zo’n massa kalmeer- en antidepressiva-pillen slikken heeft zeker met de angst te maken om niet in Procrustes’ bed te passen.
Wie te klein is wordt uitgerokken, wie te groot blijkt ingekort.

Papieren mensen zijn alleen boeiend als romanpersonage.
In de oordelende vorm is papier heel geduldig.

En woorden pompen zichzelf op zoals gedevalueerde aandelen.
In de stilte hoor je hen sissen.


ACHTER DE ALLEDAAGSHEID (1)

paula rego

Paula Rego is Portugese, groeide op tijdens het Salazar bewind en dat vertelt al heel wat over de vreemde ambigue fantasie die uit haar beelden springt.

Ik denk dat je haar werk niet kunt ‘beschouwen’, maar je moet je er tegen verdedigen, of je eraan overgeven, het proberen van je af te schudden, of te laten inzijpelen, maar telkens weer ontdek je elementen die je dwingen te gissen, te raden, of gewoon te ondergaan.

Dromen?
Ik laat haar daarover liever zelf aan het woord:

‘The dreams, however could not help me over my feeling of disorientation. On the contrary, I had lived as if under constant inner pressure. At times this became so strong that I suspected there was some psychic disturbance in myself. Therefore I twice went over all the details of my entire life, with particular attention to childhood memories; for I thought there might be something in my past, which I could not see and which might possibly be the cause of the disturbance. But this retrospection led to nothing but a fresh acknowledgement of my own ignorance. Thereupon I said to myself, “Since I know nothing at all, I shall simply do whatever occurs to me.” Thus I consciously submitted myself to the impulses of the unconscious. Memories, Dreams, Reflections. C.G.Jung’

Dat ‘niet-weten’, het slimme onderbewustzijn laten bovenkomen zonder op de vlucht te gaan of je in jezelf te keren, je binnenste buiten te moeten draaien, neen: gewoon de emoties naar je situaties en personages verschuiven, thing who “occurs’ to us.

Het doek hiernaast komt uit 1988, ‘De familie’.
De afwezige vader komt op de voorgrond, alleen maar om door vrouw en dochter te worden ‘behandeld’ (in het engels: manhandled)

En meteen komen de vragen:
-Helpen de vrouwen hem, of mishandelen ze hem?
-Wie is het kleine meisje bij het raam?
-Zit de oplossing in het Portugese retabel waar je Sint Jan en Sint Joris de draak ziet verslaan?
-Of is het de fabel van de ooievaar en vos fabel die onderaan op het retabel worden afgebeeld? (de vos zal de ooievaar opeten eens deze de graat in zijn keel heeft weggehaald)

Maar het zijn geen ‘slappe’ beelden, ze VERTELLEN, narratief zijn ze, zoals al haar werk deze epische sterkte draagt.

Nieuwsgierig? Ik vertel je graag morgen verder.
Intussen mag je zelf een aantal verhalen naar boven halen die bij je opkomen als je dit werk bekijkt.
Ik ben tenslotte nog ooit je psychiater geweest!


JONGENSLIEFDE VOOR VROUWENOGEN (JAPAN)

dyn004_original_470_306_jpeg_20344_17018bf47ab6326d8ddddec97ccbb652

Bij de ‘erotische’ genoegens van het kijkende westen zijn twee vrouwen die het met elkaar doen blijkbaar een toppunt van mannelijk genot gezien hun verschijnen in talrijke erotische en aanverwante prenten, waarmee ik ook filmen bedoel.

dyn004_original_400_400_jpeg_20344_67c5d102c5d9c2ea771ada9e7c517b32

In Japan opende vorig jaar Cafe Edelstein in Tokio, een zogenaamd buttler café, of beter nog een café waarin de kelners verkleed als schooljongens een exclusief vrouwelijk publiek bedienen.

Als klante bezoek je de kostschool waar teenager-studenten met zachte stemmen geheimen verklappen en met elkaar flirten.
De vrouwelijke bezoeker speelt de ‘weldoenster’ en wordt met de nodige egards verzorgd.

dyn004_original_246_350_jpeg_20344_28e661d70dd8f626fe5252ecace6adba

‘De meeste van onze bezoeksters zijn kantoormeisjes tussen de twintig en de veertig, modegevoelig maar voor de rest heel gewoon.’ zegt Emiko Sakamaki, Edelstein’s 27-jarige manager.

Edelstein steunt op een cultboek over een romance in een Duitse kostschool uit de jaren 1970.
Wat de café-bezoeksters allen gemeen hebben is een passie voor de zogenaamde ‘boy-love’ manga, of stripverhalen over jongen-jongen relaties voor vrouwelijke lezers, een genre dat een enorm succes kent in het hedendaagse Japan.

dyn004_original_217_319_jpeg_20344_266c9c20b07839d4b77fdda45a315b77

De meeste karakters in deze BL-manga’ s zijn dromerige vervrouwelijkte jongens en jongemannen.
Karakters die de kelners uit Edelstein als voorbeeld nemen als ze het over hun vermeend huiswerk en studies op de Edelstein school hebben.

Rollenspel-café’ s zijn altijd al populair geweest in Tokio.
De meesten draaien rond vrouwelijke kelners als Franse dienstmeisjes verkleed.
Hun doelpubliek is de ‘otaku’ , fervente fans van stripverhalen en animatiefilmen.

Maar nu hebben zakenmensen een nieuw terrein ontdekt: de vrouwelijke otaku, die er beter uitziet, meer sociaal is dan zijn mannelijke tegenhanger.
Het zijn deze vrouwelijke otaku die gek zijn op manga’s, speciaal de boy-love manga’ s.

De otaku-markt van animatiefilmen tot computergames met alle nodige accessoires was in 2007 goed voor zo’n miljard euro.

Een van de redenen dat dergelijke rollenspelen en verkleedpartijen zo geliefd zijn in Japan is het feit dat ze even aan de werkdruk en de extreme sociale controle kunnen ontsnappen, zeggen kenners.

Rond de 150 boy-love manga’ sen magazines worden er per maand uitgegeven.

dyn004_original_321_464_jpeg_20344_b8198829970d5f37096d360c7cf46305

In de vrouwenhoek van de grote Ayoma boekhandel (om de hoek van het Edelstein-café) vind je de laatste boy-love-titels naast boeken en tijdschriften over popsterren en atleten.

In een Australische magazine las ik hierover: ‘The easily shocked should avoid taking a closer look.’

‘Het is een vorm van escapisme,’ zegt Sakamaki.
‘These types of people don’t exist in reality, they only exist in comics.’

dyn004_original_500_477_jpeg_20344_6fa34f59d5f6e31abc035881daa276cc

In de boy-love manga’s worden de fragiele jongens vaak in de nabijheid van de dood afgebeeld, dat geeft hen een bijzondere schaduw en maakt ze nog mooier, volgens een van de tekenaars.

In een recente bijdrage in The Yomuri Shimbum Newspaper, zegt Kanta Ishida, een journalist gespecialiseerd in manga, dat het genre.. ‘…offers an alternative to traditional gender roles in Japan.’

‘The comics reflect a yearning for relationships with interchangeable roles that are free from fixed ieas about gender.’

In het Shibuya district, het grote neon verlichte uitgaansparadijs in Tokio praten enkele dertigers, mannen en vrouwen over mannelijke en vrouwelijke otaku, of over ‘fujoshi’ zoals deze vrouwen worden genoemd, de zogenaamde ‘rotten girls’.

‘Mannelijke otaku waren big business, en dan ontdekten ze dat ‘fujoshi’ ook voor gouden zaken konden zorgen.’

‘We leven nu in het tijdperk van de vrouw,’ zegt Shunichi Karasawa, sociaal kommentator, en vrouwen worden verondersteld net zo perfect in hun werk te zijn als mannen.
Dat maakt ze dan ook zo gestresseerd als diezelfde mannen.
Boy-love-manga’ s en verhalen geven de kans om een beetje stoom af te laten.
Onze informatie-tijd liet de schuldgevoelens over ‘playing around’ verdwijnen en het idee over seks als entertainement bestaat niet meer voor vrouwen.
De enige verboden liefde waarover ze kunnen fantaseren is de liefde tussen mannen.
De homo-talk is louter fantasie en vrouwelijke otaku kunnen hun verbeelding de vrije loop laten gaan.

Met dank aan Ryann Connel, journalist bij The Black Ship, online community for foreigners in Japan en de Brisbane Times in Australië.


TENDER IS THE NIGHT

dyn008_original_370_500_jpeg_20344_2066393e5f1f189a9a5cc3b7ca8d7130

Met de naam Gyula Halàsz moet je niet dadelijk bekendheid verwachten, dus nam hij de naam van het Transilvaanse dorp waar hij geboren was ‘Brasso’ (vroeger Hongarije, nu Roemenië) ‘ en duidde hij zijn afkomst aan met de roepnaam Brassaï, van Brasso afkomstig dus.

dyn008_original_370_500_jpeg_20344_6e590f645212e3e48fd1c09c4f2b5917

Omdat zijn vader een jaar als prof literatuur ging doceren aan de Sorbonne verhuisde de familie met de driejarige Gyula mee naar de Franse hoofdstad.

Later studeerde hij in Boedapest, maakte de eerste wereldoorlog mee in een Oostenrijks-Hongaars cavalerie-regiment en rondde zijn studies af in Berlijn Charlottenburg.

Als hij in 1924 naar Parijs verhuist, leert hij met het werk van Proust de Franse taal en komt hij terecht bij de artiesten op de Montparnasse.
Als journalist is hij bevriend met Henry Miller, Léon Paul Fargue en de dichter Jacques Prévert.

Verliefd op de nacht, op de nachtelijke stad is de fotografie voor hem een mooie aanleiding om ’s nachts in Parijs rond te zwerven.
In 1933 publiceert hij zijn eerste fotoboek ‘Paris de Nuit’.

Helemaal boven, de introductie bij Suzie, of de klant is koning en daaronder een mooie studie uit het bruisende nachtleven.

Brassai Paris by Night

Zo vlug de fotografie ontstond was er ook het ‘gulzige oog’.
Kon zich dat in de schilderkunst nog via allerlei symboliek verbergen of sublimeren, de fotografie hield het bij de werkelijkheid, en de lijfelijkheid in al haar aspecten kwam al meteen ruim aan bod.

Brassaï gluurt niet, hij toont, zonder een standpunt in te nemen.
Hij is onbeschroomd, want niets is zo mooi en lelijk tegelijkertijd als de naaktheid van een lichaam.

dyn008_original_392_500_jpeg_20344_2750056e5e6a6c8bad0b64bd330d0dcf

Anders dan in deze bigotte tijd hoort het lichaam en zijn lusten zonder schroom bij de nachtelijke stadsactiviteiten zonder appel te doen op een zekere vinger in de lucht, het oordeel en de smaak is eigendom van de kijker.

Zijn voorloper, Eugène Atget(1857-1927) schaart zich dan weer aan de kant van de gewone alledaagse mens in Parijs.
De prachtige foto van de drie vrouwen is in 1924-25 genomen in de Rue Asselin in de Parijse rosse buurt die sterk aan Cartier-Bresson doet denken.

Aan de andere kant zijn liefde voor etalages, interieurs, straten.

dyn008_original_350_460_jpeg_20344_9d3008dd6dc6c866314cfd6d48c7c59a

Een kar tegen een brugwand, de regenachtige morgen op een café-terras, een paardenmolen, een binnenkoer rue Bonaparte, schamele mensen voor hun deur, een protserige open haard, Parijs zoals het bij het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste was en nooit meer zou zijn.

Hij wist waarom.Op zeven jaar al wees, opgevoed door zijn oom, cabinejongen ter lange omvaart, acteur, zijn liefde voor de straat en zijn alledaagse bewoner stak hij nooit onder stoelen of banken.

Ik hou erg veel van zijn foto’ s omdat ze zo dichtbij het gewone leven aanleunen.
Zijn lege straten en etalages, ze zullen weldra weer met leven gevuld zijn want Parijs slaapt zelden of nooit.

En daarom zijn de mensen van de dag vaak ook weer de mensen van de nacht.
Niets is te klein of te schamel om het onderwerp van het leven te zijn, een mooie boodschap voor ons die met de vinger in de lucht zwaaien als ‘rolmodellen’ nalaten heiliger dan de paus te zijn.

Al zou een beetje cocaïne de theologie weer wat vaart kunnen geven.


Boulevard de Bonne-Nouvelle, 1926, Eugène Atget. Gelatin silver chloride print. Getty Museum, Gift of Mary and Dan Solomon

EEN VERHALENVERTELLER

munoz-abroad-3

munoz-abroad-4

Waarde Psych

Het is bijna overbodig het over nationaliteiten te hebben als je even naar de halve finale van ‘het songfestival’ zou gekeken hebben, een soort narrenschip waarin de identiteit er alleen maar toe doet als je bij de winnenden bent.

Waarschijnlijk is dat in ons leven ook zo.
Ben je bij de winnenden, wordt je naam genoemd bij prestaties van sportieve of artistieke aard, dan wordt je identiteit bekeken vanuit dat zonnige venster, je bent de mensenkenner, de karaktervolle.
Kom je bij de verliezenden in de schaduw terecht dan wordt diezelfde identiteit vervloekt, meestal anoniem overladen met geheugenstoornissen.

Heb ik het niet gezegd, hoor je dan.
Heb ik het niet gezegd dat het een slecht liedje was, dat hij niet te vertrouwen is, dat zij een louch persoontje mag genoemd worden, en vul maar aan.

In ons totalitair denken wachten wij op wat de voorlopers of prototypes (de winnaars) gaan doen, en dan scharen we ons achter hen ook al moet je daarvoor de waarheid verminken.

Iemand die dat goed heeft aangevoeld is de beeldhouwer Juan Munoz (1953-2001).
Kind onder Franco werd hij van school gestuurd maar verklaarde dat hij een gelukkiger kind was dan iemand die in Engeland van de public school werd getrapt, land waar hij midden 1970-jaren naar verhuisde.

munoz-abroad-8

De reis naar het buitenland, zo omschreef hij grote werk waarmee hij ruimtes opvulde met zijn zeer direkte beelden.

En inderdaad, verder dan deze verte kun je je niet voelen.
Tegen de muur.
Gelukkig hier en daar nog in liefdevolle armen.
Maar meestal kijken zijn personages weg.
In de leegte.
In het felle licht.
Naar het ‘nergens’.

‘ Although he was influenced by, respectively, the drama of American minimalism and the poetry of Italian Arte Povera, Muñoz consistently went his own way, at a tangent to fashionable movements. How unlikely it was that a young Spanish artist in the early 1980s would announce himself with a sculpture of a minaret, placed temporarily in the Plaza de Toros in Malaga.

With Muñoz, even a walk down the street became a performance, a game. He understood that sculpture, far from standing alone or aloof, only made sense in human terms. Or rather, that what made sculpture interesting was its relation to the world about it, the lives we lead. He understood the potential, and the enigma, of the simplest human gesture. In many ways, much of his work looked old fashioned in its concentration on the human form, and in the use of such motifs as the ballerina, the dwarf – simple human presences .

Why make it look new, he asked, when it will only look old later. Yet he did make things anew, and reinvigorated figurative sculpture with his massed crowds of laughing, grimacing life-sized Chinese figures (whose heads were all derived from the same Belgian art nouveau bust), his choreographed single and multiple groups, his lone dwarf standing at the end of a long corridor, or among columns. His ventriloquist’s dummy, perched over a precise and seemingly limitless abstract floor pattern (this last, a work called The Wasteland, influencing a scene in David Lynch’s Twin Peaks) showed him to be a master at orchestration and placement, understanding the importance of absence as well as presence in the deployment of sculpted figures and false architectural details within real space.

Adrian Searle
Thursday August 30, 2001
The Guardian

In die lege ruimte voel ik mezelf vaak als een schepping van Munoz.

Er is een tijd dat je te klein bent om boos te worden, te oud om droevig te zijn, te vanzelfsprekend om te logenstraffen.

Een leegte die soms heelt maar ook suizend je ziel doorkerft.


POEZEN EN MUSSEN

musje

Haar eigen versie van ‘jeux interdites’ toen ze vorige week het musje begroef dat de kat mee naar binnen had gebracht, een geschenk wellicht, maar eentje dat niet in de menselijke smaak viel.

Ze maakte onmiddellijk doodsbrieven en ik tikte de tekst, een wat slappere versie van de wondermooie song van Robert Long ‘Gisteren vloog ze nog.’

Met haar acht jaar stond ze voor een raadsel: de aaibaarheid van de poes, de schoonheid van het kleine (dode) musje, en voeg dat maar eens samen tot een boodschap waarin verdraagzaamheid en respect voor het kwetsbare samengingen.

Neurotische mensen houden er een navel-moraal op na, wat hen niet heeft gesmaakt is ook voor de anderen verboden.
Zelfs dat ‘niet smaken’ kan je makkelijk aangepraat worden, maar ligt aan de kern van een neurose die uitgroeit tot ‘ik ben de wereld’, ‘ik ben Jerusalem’, ‘mijn navel is de kern van het heelal’.

Zo stonden we hier ook voor de vraag hoe je en van poezen kunt houden en kunt opkomen voor het uitstervende musjes-ras.
Je kon al de katten de nek omwringen -er zijn er toch genoeg als excuus- je kon ze van belletjes voorzien zodat elke mus op tijd kon wegwezen, maar telkens kwam je voor het feit te staan dat je hoe dan ook de eigenheid, het wezen van de poes aantastte.

Je kon de musjes in gouden volières opsluiten, ze de status van ‘poezen-slachtoffer’ toekennen, maar ook hier was de uitkomst dan je een musje best een musje kon laten zijn.

Ik probeerde haar duidelijk te maken dat de poezen-identiteit en de musjes-identiteit verschillende belangen in zich hielden.
Wellicht overgeërfde, atavistische trekjes en dat we makkelijk zowel de ene als de andere identiteit konden vervalsen zodat de poes een crimineel werd en het musje een onschuldig wezentje.

vogels

Zo steken we onze vuist op naar de eksters die nesten leegrooft maar we vergeten dat uilen ook nogal vraatzuchtig zijn maar vooral ’s nachts -dus ongezien- opereren.

Je zou van de kat een staatsvijand kunnen maken als je al de anderen tot musjes kon benoemen.
Die scherpe klauwen, de felle tanden, kortom er was genoeg onder de zachte poezenhuid om haar tot ‘killer-monster’ om te toveren.

Je zou die waarheid zo ver kunnen drijven dat je alle poezen de oorlog verklaart en de musjes tot de altaren verheft.

De identiteit vernauwen noem ik dat, ze terugbrengen tot eigenschappen en niet tot een wezen.
Dat doen mensen heel vaak, legde ik haar uit.
Ze zien je niet staan als mens, maar ze evalueren je op allerlei eigenschappen zoals steeds goed geluimd, vriendelijkheid, behulpzaam, enz.

Ook in het vijandbeeld doen we dat.
We brengen de mens terug tot dat wat ons stoort, zijn huidskleur, zijn geaardheid, minder leuke momenten uit het verleden, en we vernauwen die zo sterk dat alleen nog de J op het paspoort nodig is om een vernietiging goed te praten.

Ze is nog te jong om het woord demoniseren uit te leggen, maar ze begreep heel goed wat ik bedoelde.

Te veel poezen in te weinig tuinen, en veel te weinig musjes, daar zijn mensen verantwoordelijk voor.
Dat was el een stap in de goede richting.
Nu nog erkennen dat wij tot die menselijke diersoort behoren en we weten wat ons te doen staat.

Weigeren een slachtoffer te zijn zoals de dichter Brodsky dat zo prachtig aan zijn studenten voorhield.
Al draait het heelal rond je navel, er zijn nog navels in je onmiddellijke geburen.

We besloten het musjeseten in de bomen te hangen en zo lang die kat geen vleugeltjes uitvond konden beide partijen in meer of mindere mate hun gangen gaan.


IK BEN HET! WIE?

identite2

Beste Antikwaar,

Met veel liefde heb ik je bijdrages gelezen die bij Serov vetrokken en een stukje Russische geschiedenis vlees en bloed gaven, of omgekeerd: schilderijen die door hun verbanden de geschiedenis van een mens vertellen, die niet bij de af-beelding bleven stilstaan, maar met de ver-beelding een derde dimensie toevoegden die je niet in de ruimte maar in de tijd mocht localiseren.

Je zou het een zoeken naar IDENTITEIT kunnen noemen waarbij de vraag naar ‘wie ben ik’ centraal komt te staan door vooral dat ‘ik’ duidelijker te maken met de geschiedenis van een ander iemand.
Oftewel, het ik bestaat slechts bij gratie van de andere(n).

Raphaël Enthoven schreef er een mooi artikel over in het meinummer van ‘philosophie magazine, en een koptekst wil ik je graag citeren:

“Si l’ identité désigne ce qui demeure au sein de ce qui devient, alors, pour avoir une identité, c’est-à-dire pour rester le même, il faut être au moins deux.’

Dat ben ik-zelf dus, ‘moi’ en dan de andere waarmee ik mezelf kan vergelijken om niet aan zijn (lui) identiteit te twijfelen.

Een vreemde paradox als je op zoek bent naar dat ik, want wat je erover te weten komt is al voorbij en wat je bent, weet je nog niet.

Laten we Montaigne aan het woord:

‘Je m’eschappe tous les jours, et me desrobbe à moy.’

Dat ontsnappen aan jezelf en dat uitkleden is niet altijd zo’n ‘edele’ activiteit, en minder nog de uitkomst als je geestelijk uitgekleed dat ‘ik’ bekijkt.

Louis Borges drukt het zo uit:
‘Er zijn twee mannen in elke man, en de echte dat is de andere.’

Om met een grapje te eindigen: Jaja, ventje, ik ken u wel.
Antwoord van het ‘ventje’: ‘Dan weet U alvast meer dan ik.’


EEN FLAMBOYANTE MOOIE JONGEN

rus pose

Ze waren rijk, immens rijk.
Mijnbouw in Siberië, naast talloze landgoederen.En al zal je de naam Graaf Felix Sumarokov-Elstone niet veel zeggen, als ik hem als ‘prins Yussupov’ voorstel, gaat er alvast een historisch belletje rinkelen.

rus hoofd

De naam Yussopov namen ze over van moeders kant omdat die anders bij gebrek aan mannelijke opvolging dreigde verloren te gaan.

Deze rijke mooie jongen werd in 1887 geboren en is hier naar eigen zeggen bijna 17 want zoals we kunnen lezen in zijn memoires zou het in 1904 zijn geweest toen Serov het portret schilderde, terwijl Serov zelf het in 1903 dateert.

Het portret is geschilderd in het buitengoed van de familie ‘Arkhangelskoye’.
En we laten het model zelf aan het woord:

fserovArkhangelskoye had a friend and admirer after my own heart in the person of Serov, the artist who came to paint our portraits in 1904.

He was a delightful man. Of all the artists I have ever met in Russia or elsewhere, my memory of him is the most precious and vivid. His admiration for Arkhangelskoye, which revealed his acute sensibility, was the basis of our friendship.
In an interval between sittings, we sometimes went into the park, sat down on a bench under the trees, and had long talks, His advanced ideas influenced the development of my mind considerably. I must add that in his opinion there would have been no cause for a Revolution if all rich people had been like my parents.

Serov bad a great respect for his art and never consented to paint a portrait unless the model interested him. He refused to paint a very fashionable lady of St. Petersburg whose face did not inspire him. However, be finally yielded to the lady’s entreaties but, after the last sitting, he added to the portrait an enormous hat, which concealed three-quarters of her face. When the model protested, he replied that the hat was the most interesting part of the portrait.

He was too independent and too disinterested to conceal his feelings. He once told me that when he was painting the Tsar’s portrait the Tsarina exasperated him by continual criticisms; so much so that one day, losing all patience, he banded her his palette and brushes and suggested that she should finish the work herself.

Dat beroemde portret is in de oktoberrevolutie verloren gegaan.
En wie was één van de moordenaars van de vreemde ‘Raspoutin’?
Juist, deze mooie flamboyante jongeman.


EEN BOUWVALLIG BRUGGETJE EN EEN JONGEDAME

rus b

Laten we ’t maar dicht bij huis houden, dicht bij Abramtsevo, waar dit bouwvallige vlondertje de lieftallige voetjes van Maria Botkina nog net kunnen dragen.

Maria was de dochter van Pavel Mikhailovitch Tretyakov, de stichter dus (samen met zijn broer Sergei) van de Gallerij met die naam.
Tussen beide werken liggen zo’n 17 jaar.
Het eerste ontstond in 1888, het tweede in 1905.

rus

Voor wie een beetje met de Russische geschiedenis bekend is, weet dat het jaar 1905 het jaar van de eerste grote volksopstand was, opstand die bloedig werd neergeslagen.

De vrede van het landgoed, 1888 en het eerste grote onweer dat in 1917 voor goed zal losbarsten.

Op deze pastel is Maria 30, geboren dus in 1875, zodat je met een beetje eenvoudig cijferwerk weet dat ze als dertienjarige bij het meertje heeft gezeten, of beter nog gespeeld, want kinderen waren er altijd aanwezig.
De kunstenaars brachten vrouw en kroost mee en logeerden vaak op het landgoed.

Vader zal vaak op reis zijn geweest, op zoek naar nieuwe kunstwerken, maar ook druk bezig met het organiseren van allerlei dienstbetoon voor weduwen en wezen van te vroeg gestorven kunstenaars.
Ook de slachtoffers van de wrede Krimoorlogen konden op zijn steun rekenen, en hij was de persoonlijke bezieler van een instituut voor dove kinderen.
Hij bracht kunst en samenleving erg dicht bij elkaar.

Repin heeft een erg intimistisch van deze humanist geschilderd.

Door de combinatie van het vredige meertje (Serov bewonderde de Hollandse meesters uit de gouden eeuw) en het mooie jonge vrouwenportret leg je een spreekwoordelijke brug: het dertienjarige kind is intussen een mooie vrouw geworden zoals de kleine prins van gisteren weldra tot in China zou gelezen en bestudeerd worden.

Het levenslot van Maria is me onbekend.
Ik weet alleen dat ze in hetzelfde jaar als Mika is gestorven, 1952.

En of de vlonder nog lang heeft bestaan, kan ik alleen maar vermoeden.
In feite weet ik met zekerheid dat hij sinds 1888 niet meer heeft opgehouden te bestaan, en al de kinderen, artiesten, geliefden, mijmerenden en toevallige bezoekers die er voorzichtig zijn gaan opstaan, mogen we er zelf bij denken.

Dat is het mooie van Serov’s schilderijen, er is altijd nog plaats voor een geheim.


DE INVLOED VAN HET KIND OP CHINEZEN DIE SHAKESPEARE SPELEN

Much79P6_small

 

 

Mika’s werk ging tot ver in China waar het spelen van Shakespeare niet zo’n vanzelsprekende zaak was.
Het was Morozov’s werk dat de stugge doctrinaire regels doorbrak:

The Soviet mode of performing and understanding Shakespeare was dominant in China. Works by leading Soviet Shakespeare scholars, such as Morozov and Anikst, appeared in more than one version. Moreover, key texts of Stanislavsky’s system were translated and widely circulated in China; An Actor Prepares was translated in 1956.

One of the most important Soviet works translated into Chinese was Mikhail Mikhailovich Morozov’s (1897-1952) Shashibiya zai Sulian [Shakespeare in the Soviet Union] (Wu Ningkun 1953), as translated from David Magarshack’s English translation (Morozov 1947).
Morozov’s influence in China was visible from the 1950s through the 1980s, during which time Morozov’s influential biography of Shakespeare was translated and widely read by students and scholars (Morozov 1984).

Alexander C.Y. Huang, The Politics of an “Apolitical” Shakespeare: A Soviet-Chinese Joint Venture, 1950-1979 The Pennsylvania State University

 

Of hoe een schilderij je op het spoor brengt van Much ado nothing in het China van Mao.


HET MEISJE MET DE PERZIKEN (Valentin Serov)

pessegos
serov17

Beste Psych,

Ik had je gisteren al beloofd je mijn meisje met de perziken te presenteren, maar het levendige hedendaagse model van dat meisje in haar achtjarige staat van genade was hier op bezoek en vroeg de nodige aandacht.
Als grootvaders moeten kiezen tussen de kunst en het kleinkind dan besef je dat de keuze voor het kind de enige ware dienst aan de kunst bewijst.

Bij mijn veertig kilogram boeken uit de USA-erfenis zat een prachtig boek dat werken toont uit de Moskouse Tretyakov Gallerij.
Die Pavel Tretyakov was een welstellend koopman die vanaf 1856 hedendaagse Russische kunst verzamelde en in de jaren negentig zijn collectie aan de stad Moskou schonk.

Op de stofwikkel van dat boek lachte de mooie Vera Mamontova mij toe, en met haar kwamen de prachtige lentedagen het land binnen.

De Mamontova’s hadden een groot buitenhuis net buiten Moskou, Abramtsevo, en al wat een beetje aan kunst deed die dagen verzamelde zich in en om dat huis.
Dochter Vera werd door de tweeëntwintigjarige Valentin SEROV in 1887 geschilderd.
Hij werkte meer dan een maand aan het doek, en als ik je de naam REPIN noem, zijn leermeester overigens dan zie je meer dan één touch die naar hem verwijst.

Valentin Serov zelf was zo’n gelukskind dat je alleen in verhalen zou aantreffen, al bleek dat niet in zijn jongste kindertijd.
Zijn vader Alexander was een bekend componist die echter al in 1871 stierf toen Valentin nauwelijks zes was.

Moeder en kind verhuisden van Sint Petersburg naar Munchen waar het jongetje al tekenles kreeg van K. Kepping.
Als ze in 1874 naar Parijs trekken is de negenjarige Serov een geregelde bezoeker in het atelier van de grote Ilya Repin.
De meester was erg in zijn schik met het jochie en stond toen al verbaasd van zijn technische mogelijkheden en zijn inventiviteit.

Vanuit Parijs gaat het naar het Moskouse landgoed van de Mamontova’ s, Abramtsevo waar alle grote kunstenaars kind aan huis waren.
De jonge schilder verbaasde menig ouder collega met de snelheid waarmee hij de ziel van zijn model begreep en kon uitdrukken.

Op zijn vijftiende komt hij in de academie bij meester Pavel Tchistykov terecht en ontmoet hij zijn vriend voor het leven Vladimir Derviz.

Het meisje met de perziken vestigt al dadelijk zijn reputatie, en een zekere verwantschap met Renoir’s licht en kleurentoetsen is inderdaad merkbaar.

Ik wil je verder niets vertellen over het schilderij zelf.
Je hebt ogen in je hoofd en een ziel waarin de tocht van de schoonheid de overbodige woorden zou wegblazen.

Kijk naar het meisje en kijk dan naar buiten. Er is niets gebeurd tussen 1887 en 2008.


Valentin Serov. Zelfportret

DIT UITZICHT OP DE LEEGTE

vr aan raam

Vredig lief, maar wat voor een vrede,
het is deze benauwde schemer, deze kamer.
Naast het openstaande raam je silhouet en
ik hier, die je gezicht niet kan zien, ik

die alleen kan proberen te zien wat jij
ziet: deze grijze hemel, dit lege plein
tussen de vervallen huizen, dit stadje
waarin je leefde, ver voor mijn tijd.

Je hand in de vensterbank, je hand
in je schoot, die handen die liggen
alsof ze een brief hebben gekregen,

maar niet hebben opengemaakt,
en dat ook niet zullen doen.

Het is nog altijd deze lauwe avond, en jij,
ik kan je gezicht niet zien, je kijkt
van me weg. Om te zien wat jij ziet
kijk ik uit het openstaande raam

naar de lichte, nevelige hemel boven de daken,
de huizen met hun blinde vensters,
en daar beneden het verlaten plein,
kijk ik naar jouw wereld, om

je lege verlangen te zien.
Zoals je hoofd is afgewend, zoals
je handen zijn weggelegd,
zoals je zit alsof je je lichaam
al hebt verlaten.

Je kijkt uit het raam naar het lege
plein in de diepte, en ik, ik ben
daar niet. Hier ben ik, achter je,
nooit zien wij elkaar, we kijken altijd

naar buiten, alsof daar ooit iets zou
gaan bewegen, er ooit nog een bewoner
van deze uitgebloeide stad uit een steeg
zou komen, als een kat, en hij

komt niet. We kijken, maar nooit.

Ik zie je rug. Omdat je rug
nog zo jong is, zie ik hoe krom
die is, te stil om iets tegen
te zeggen, te zwak
om iets tegen te doen.

Ziek lief, maar wat voor een ziekte, zie
de grijze hemel, de grauwe huizen, het lege
plein, er is niets meer te zien, achter geheimen
is geen brein, geen hart, daar is niemand.

Is dit het moment nadat de liefde wegging
en de dood bij je achterliet, of is dit
het moment voordat de liefde zou komen en
de dood zou brengen, wanneer is het?

Ziek lief, wie ben ik, die dit vraag, meer
dan hij die dit vraagt, deze toeschouwer?
Het is niets meer, dan dit schilderij, dit
uitzicht op uitzicht op leegte, deze
herhaling van vragen, wie
ben je, wie ben je.

RUTGER KOPLAND

vr aan raam


Bij een schilderij van Henri De Braekeleer


INVESTEREN IN KUNST

 

 

Waarde Antikwaar,

Jij bij de wetenschap tenhuize Darwin, ik bij de kunst…in Beiijing.
Ik stuur je hierbij enkele foto’s uit een slide gallerie van de New York Times.

Het zal jou zeker bekend zijn dat de hedendaagse Chinese Kunst ‘aardig’ verkoopt in het Westen, maar wil je de markt van nabij volgen en nog meer geld verdienen, dan moet je dus ook ter plekke zijn, dacht Pace Wildenstein, eigenaar van menig gallerij in New York en elders in de grote wereld.

Hij zorgde voor een aardig opstapje in Beiijing, een vroegere munitiefabriek aub, in het hart van Beiijings gallerijen-district, het ‘Factory 798-district’.

“Beijing is a crossroads” for Taiwan and Hong Kong, said Arne Glimcher, chairman of PaceWildenstein. “Shows there sell out to other parts of Asia.”

 

Arne was niet de eerste om dit te ontdekken want sinds 1995 houdt Sotheby’s reizende tentoonsellingen en veilingen in Hong Kong (al vanaf 1973) en openden zij vorig jaar een kantoor in Beiijing.

Als illustratie, Sotheby’s vierdaagse lente-veiling in Hong Kong bracht zo maar eventjes $227 miljoen dollar op, de hoogste omzet ooit in Hong Kong.

Deze gallerij ‘Pace Beiijing’, ligt in een omgeving die je met het New Yorkse Chelsea zou kunnen vergelijken.
Richard Gluckmann, een New Yorkse architect, is de designer (bouwde ook het Andy Warhol museum in Pittsburgh en het museum voor hedendaagse kunst in San Diego)

Pace Wildenstein heeft de kruim van de hedendaagse Chinese kunstenaars onder zijn gallerijenvleugels: Zhang Huan en Zhang Xiaogang, de zogenaamde man van het ‘cynisch realisme’.

china5

Hierboven het mooie beeld waarmee Zhang Huan zijn website opent, en hieronder Zhang Xiogangs ‘generaal’.
Bij Sotheby’s in Hong Kong haalde een bewerkte foto uit de ‘Bloodline series’ van deze laatste kunstenaar deze maand nog de som van $6 miljoen dollar.

china6

De nieuwe gallerij in Beiijing moet opengaan op…8 augustus, het begin van de Olympische spelen.
Als aanvulling, en voor wie nog op tijd mijn brief leest is er een heruitzending op de WDR vandaag 29/4 om 15u een prachtige documentaire ‘Ein Klavier geht um die Welt’, of hoe Bechstein de markt in China tegemoet komt, een markt waar 85 mijoen mensen willen leren piano spelen.

Jaja, Bechstein.
Tijdens de tweede wereldoorlog verklaarde één van de familieleden dat ze best een zoon van Hitler had gewild!
En al is de firma daarna door de Amerikanen overgenomen, op hun website vond ik de vreemde tekst waarmee de stichter zijn succes verklaarde omdat er een ‘god’ aanwezig was bij het begin van zijn carrièrre.

Groot geld!
Kunst in dienst van de centen?
Ik weet het, het is niet nieuw, de heer Rubens kon er van meespreken, maar…kunst als economische factor in dienst van een regime?

Ik ga naar de bloemen in de tuin kijken.
De blauwe regen bloeit bijna.