dyn008_original_370_500_jpeg_20344_2066393e5f1f189a9a5cc3b7ca8d7130

Met de naam Gyula Halàsz moet je niet dadelijk bekendheid verwachten, dus nam hij de naam van het Transilvaanse dorp waar hij geboren was ‘Brasso’ (vroeger Hongarije, nu Roemenië) ‘ en duidde hij zijn afkomst aan met de roepnaam Brassaï, van Brasso afkomstig dus.

dyn008_original_370_500_jpeg_20344_6e590f645212e3e48fd1c09c4f2b5917

Omdat zijn vader een jaar als prof literatuur ging doceren aan de Sorbonne verhuisde de familie met de driejarige Gyula mee naar de Franse hoofdstad.

Later studeerde hij in Boedapest, maakte de eerste wereldoorlog mee in een Oostenrijks-Hongaars cavalerie-regiment en rondde zijn studies af in Berlijn Charlottenburg.

Als hij in 1924 naar Parijs verhuist, leert hij met het werk van Proust de Franse taal en komt hij terecht bij de artiesten op de Montparnasse.
Als journalist is hij bevriend met Henry Miller, Léon paul fargue en de dichter Jacques Prévert.

Verliefd op de nacht, op de nachtelijke stad is de fotografie voor hem een mooie aanleiding om ’s nachts in Parijs rond te zwerven.
In 1933 publiceert hij zijn eerste fotoboek ‘Paris de Nuit’.

Helemaal boven, de introductie bij Suzie, of de klant is koning en daaronder een mooie studie uit het bruisende nachtleven.

Zo vlug de fotografie ontstond was er ook het ‘gulzige oog’.
Kon zich dat in de schilderkunst nog via allerlei symboliek verbergen of sublimeren, de fotografie hield het bij de werkelijkheid, en de lijfelijkheid in al haar aspecten kwam al meteen ruim aan bod.

Brassaï gluurt niet, hij toont, zonder een standpunt in te nemen.
Hij is onbeschroomd, want niets is zo mooi en lelijk tegelijkertijd als de naaktheid van een lichaam.

dyn008_original_392_500_jpeg_20344_2750056e5e6a6c8bad0b64bd330d0dcf

Anders dan in deze bigotte tijd hoort het lichaam en zijn lusten zonder schroom bij de nachtelijke stadsactiviteiten zonder appel te doen op een zekere vinger in de lucht, het oordeel en de smaak is eigendom van de kijker.

Zijn voorloper, Eugène Atget(1857-1927) schaart zich dan weer aan de kant van de gewone alledaagse mens in Parijs.
De prachtige foto van de drie vrouwen is in 1924-25 genomen in de Rue Asselin in de Parijse rosse buurt die sterk aan Cartier-Bresson doet denken.

Aan de andere kant zijn liefde voor etalages, interieurs, straten.

dyn008_original_350_460_jpeg_20344_9d3008dd6dc6c866314cfd6d48c7c59a

Een kar tegen een brugwand, de regenachtige morgen op een café-terras, een paardenmolen, een binnenkoer rue Bonaparte, schamele mensen voor hun deur, een protserige open haard, Parijs zoals het bij het einde van de 19de eeuw enhet begin van de 20ste was en nooit meer zou zijn.

Hij wist waarom.Op zeven jaar al wees, opgevoed door zijn oom, cabinejongen ter lange omvaart, acteur, zijn liefde voor de straat en zijn alledaagse bewoner stak hij nooit onder stoelen of banken.

Ik hou erg veel van zijn foto’ s omdat ze zo dichtbij het gewone leven aanleunen.
Zijn lege straten en etalges, ze zullen weldra weer met leven gevuld zijn want Parijs slaapt zelden of nooit.

En daarom zijn de mensen van de dag vaak ook weer de mensen van de nacht.
Niets is te klein of te schamel om het onderwerp van het leven te zijn, een mooie boodschap voor ons die met de vinger in de lucht zwaaien als ‘rolmodellen’ nalaten heiliger dan de paus te zijn.

Al zou een beetje cocaïne de theologie weer wat vaart kunnen geven.