427_6287ce46f175e06195c0bfe940004573

Het apollinische maken van dingen is de hoofdlijn van de westerse beschaving, die reikt van het oude Egypte tot het heden.
Iedere poging om dat aspect van onze cultuur te onderdrukken is uiteindelijk gestrand.

Het Jodendom, en later ook het christendom, keerde zich tegen het maken van gesneden beelden.
Maar het christendom, dat een bredere invloedssfeer verwierf dan het jodendom, werd juist de godsdienst die van alle religies ter wereld het meest met kunst beladen en door kunst beheerst werd.
De verbeelding zet de tekortkomingen van de religie altijd weer recht.
Het moeilijkst realiseerbare doel van het apollinische scheppen van dingen is de westerse persoonlijkheid, dat schitterende, betoverende, streberische, separatistische ego dat in de literatuur voor het eerst opdook in de Ilias.

Het christendom, dat de wereldlijke schittering van het heidendom wilde vernietigen, probeerde het spirituele op de eerste plaats te zetten.
Maar voor die aanvankelijk kleine, bedreigde sekte draaide het er uiteindelijk op uit dat zij juist de absolutistische ego-structuur van het Westen versterkte.
De held van de middeleeuws strijdende Kerk, de ridder in zijn schitterende wapenuitrusting, is het meest volmaakte apollinische ding van de wereldgeschiedenis.
De kunstboeken moeten herschreven worden.
Er loopt een directe lijn van de grieks-Romeinse beeldhouwkunst via de middeleeuwse wapenuitrusting naar de opleving van het classicisme in de renaissance.
Wapens en wapenuitrustingen zijn geen ambachtelijk vervaardigde gebruiksvoorwerpen, maar kunst.
Zij dragen het symbolische gewicht van de westerse persoonlijkheid.
De wapenrusting is de voortzetting van het heidendom in het middeleeuwse christendom.
nadat de renaissance de sensuele afgodische kunst van het classicisme weer deed herleven, heeft de heidense lijn zich tot op de dag van vandaag onverhuld en krachtig voortgezet.

De gedachte dat de westerse traditie na de eerste wereldoorlog is ingestort is één van de bijziende kinderachtige ideetjes van het progressivisme.
Ik zal aantonen dat de cultuur zichzelf door het neurotische nihilisme van het modernisme heeft achterhaald en dat de populaire cultuur de grote erfgenaam is van het westerse verleden.
De cinema is het apollinische genre bij uitstek, dat dingen maakt en door dingen gemaakt wordt, een machine van de goden.

De macht van de blik is in de westerse cultuur nog niet volledig naar waarde geschat of geanalyseerd.
De Aziaat slaat de ogen neer en kent waarde toe aan een mystiek derde oog, dat door de Hindoes met een rode stip op het voorhoofd wordt aangegeven.
Persoonlijkheid is niet authentiek in het Oosten waar het ik met met de groep versmelt.
De oosterse meditatie verwerpt de historische, chronologische tijd.
Wij hebben een parallelle religieuze traditie: de paradoxale axioma’ s van de oosterse en westerse mystici en dichters zijn vaak niet van elkaar te onderscheiden.
het boeddhisme en het christendom zien de materiële wereld allebei als “samsara”, de sluier der illusie.
Maar het Westen heeft nog een andere traditie, de heidense, die uiteindelijk culmineert in de filmwereld.
Het Westen maakt persoonlijkheid en geschiedenis tot goddelijke objecten van contemplatie.
De westerse persoonlijkheid is een kunstwerk en de geschiedenis is daarvan het podium.
De twintigste eeuw is niet de periode van stress, mar het tijdperk van Hollywood.
De heidense persoonlijkheidscultus herleeft en domineert het hele gebied der kunsten en van de gedachte, moreel leeg, maar vol diepe rituele betekenis.
Wij vereren de persoonlijkheid bij machte van de westerse blik.
het filmdoek en het televisiescherm zijn de heilige gebieden van dit tijdperk.