110_66b592eaffab8db036a06c9126ffd4b6

It’s still full of surprises, zegde Thomas Gibson, een Londense kunstdealer.
Waarschijnlijk bedoelde hij niet de inhoud van de geveilde kunstwerken, maar vooral de prijzen.
Het waren drukke dagen hier in Londen, lieve Simon en beste psychiater.
De grote veilinghuizen boden hun halfjaarlijkse “producten” aan, Impressionisten, moderne en hedendaagse kunst en tot ieders verbazing gingen de prijzen stevig over de geschatte waarden heen.

Meestal zet Amerika de trend en is Londen goedkoper, maar nu kwam er uit de States zelf nogal wat aanbod, en of dat nu aan het stevige pond en de sterke euro ligt of aan de Europese smaak, het is niet zo dadelijk te analyseren.

Als ik dan hoor dat onze minister van cultuur ook nog zo’n 350.000 euro over had om een “auto” van de Antwerpse knutselkoning Panamarenko te verwerven dan was het ogenblik slecht gekozen, maar het zal de Vlaamse gemeenschap een zorg zijn en de kunstenaar nog minder.
(vergeet niet bij deze prijzen nog 20% commissie te tellen voor de eerste 200.000 dollar en 12% voor de rest, Sotheby’ s en Christie’s moeten ook leven!)
Leuk was dat onze nieuwdiensten deze opwaartse trend enkel bij de Vlaamse artiest duidden, terwijl hij ook maar een onderdeel was van de totale marktstijging waarvoor niemand een verklaring heeft.

Echte records werden die avond gebroken door werken van de Nederlandse kunstenaar Kees van Dongen, voor artiesten als Paul Signac en Henri-Edmond Cross.
De New York Times van vandaag vraagt zich af:
“”Has London become a dumping ground for the second rate?” one curious observer asked, as he studied “The Grape Harvest,” an 1882 painting experts said was one of the finest examples of Cross’s neo-Impressionist landscapes.”

Ze zullen dat in Nederland niet graag horen, dat “second rate” van een figuur als Van Dongen, of dichter bij huis, de andere fauve Vlaminck wiens “Tuinman” (1904) door een telefoonbieder voor 8,8 miljoen dollar werd binnen gehaald waar de schattingen het hielden bij $6.3 miljoen.

Van Dongens blote-borstenmeid ‘Vrouw met grote hoed” ging voor $9.2 miljoen weg, waar de schattingen het hielden bij $7.2 miljoen.

Zelf had ik geen geld te besteden maar de “trends” wat kunst moet kosten zijn het onderwerp van een lezing die ik in Cambridge voorstel als gastcollege na een semester beschouwingen omtrent het Impressionisme.

Lawrence Graff, Londense juwelier en ernstig verzamelaar vatte het na de veilingen samen:
“”Either there’s too much money around or there’s no confidence in the financial markets.”
“This is not an English market, it’s a world market that just happens to be in London,” he added. “When I see the prices it certainly makes diamonds look cheap.”

Laat me jullie een kopie sturen van Hockney’s “Seated woman being served tea by standing companion”.
Je kent mijn liefde voor de kunstenaar, dus verbaasde het mij niet dat dit werk uit 1963 3.2 miljoen dollar moest kosten.

En zij die zeggen dat het allemaal wat veel is, ze lopen maar eens langs een autokerkhof waarin voor miljoenen roest in pakjes wordt samengeperst, blik dat wij met zijn allen duur (af)betaald hebben voor zijn kortstondige bruikbaarheid.
Dat Panamarenko’ s wagen daar niet bij hoort, vind ik persoonlijk spijtig want de roestende tinten zouden zijn werk beter dienen dan de kleurloze museumlucht die het voor de eeuwigheid moeten behoeden.
Maar je moet de minister zijn pretje gunnen.