597_5cf97dc43c6d2c351e5725f1890e4350

Toen ik Camille Paglia aan het woord liet, kwam in haar inleiding het begrip “moeder” meermaals voor het voetlicht.

De moeder als vertrekpunt, als chtonische oerbron, als fatale vrouw, kortom: in tegenstelling met “vader” is de aanwezigheid van de moeder in de kunst monumentaal, en dat in verschillende betekenissen.

Omdat ik gisteren jullie een kopie van Hockney’ s schilderij stuurde, wil ik je vandaag een heel ander werk van zijn hand tonen, een portret van zijn moeder.
Ik ontdekte het procédé toen ik in Berlijn een stuk regisseerde en ik op een luie voormiddag een mooie bbc uitzending over David Hockney’ s werk, inzonderheid zijn foto’ s, zag.
Later kocht ik enkele boeken in Parijs en tot op de dag van vandaag zijn deze fotografische werken van de kunstenaar mij heel dierbaar gebleven.

Terecht zei Paglia dat in vergelijking met het woord, de letterkunde, de studie omtrent het beeld erg verwaarloosd is.
Nochtans vullen wij ons leven met uren beelden kijken, en het is zeker aan het beeld-analfabetisme te “danken” dat onze beeldcultuur zo weinig voorstelt.
(de verschrikkelijke kleurtjes van de VRT-omgeving is daar al een voorbeeld van)

Kunnen we na enkele jaren studie letters lezen, ja zelfs een boek tot ons nemen, we hebben het blijkbaar veel moeilijker met het beelden-lezen zoals dat tegenwoordig zo modieus heet.

Voor Abraham Baumgarten koop ik sinds enige tijd mooie oude foto’s, cartes de visite en cabinetfoto’ s (1860-1910) en het valt me telkens op hoe de fotografen van die tijd aansloten bij de heersende ideeën over de grafische kunsten.

Ik herinner me ook de oude familiebijbel, gedrukt op de Melkmarkt in 1713 te Antwerpen waarin de talrijke gravures mij uren hebben zoet gehouden.
Op die platen wordt meestal het ganse verhaal verteld.
Het centraal afgebeelde moment heeft een verleden en een toekomst (de afloop), en van beiden zijn er in de prent sporen te vinden .
Het was die chronologische veelheid, naast de verschillende perspectieflijnen (denk maar aan de Grand Canyon van Hockney) die het beeld uit zijn verstarring van ‘moment’ haalden en het een diepte schonken waarin de tijd en de verdwijnlijnen niet meer vastlagen, maar door hun veelheid telkens weer nieuwe invalshoeken van het onderwerp belichtten.

Met de komst van de cinema kreeg het begrip “montage” diezelfde betekenis: het eigenzinnig ordenen van de werkelijkheid zodat in die condensatie een persoonlijke kijk duidelijk wordt.

Hockney maakt in feite cinema in een stilstaand beeld.
Met polaroidfoto’ s (de voorloper van het digitale dadelijke zichtbare beeld) of fragmenten van gewone foto’ s brengt hij de verschillende lagen van de tijd aan en vertekent hij het perspectief zodat we onze zekerheden moeten verlaten om aan die diepere werkelijkheid te wennen.

Zijn moeder, een vrouw die een enorme betekenis had in zijn leven, is hier in verschillende foto’ s tot één collage samengevoegd.
Het zijn geen puzzelstukken, maar telkens andere perspectieven of klemtonen op andere details.
Kijk je naar de ogen of haar sjaaltje, de verbanden kunnen door de kijker zelf gelegd worden omdat de onderdelen nog zichtbaar zijn en in hun vreemde samenvoeging een beeld schetsen waarin het dynamische met verstilling en raadselachtigheid wordt aangevuld.

Toch vervalt het beeld niet in de abstrahering van bijvoorbeeld het kubisme, of verdwijnt het onder de druk van het vormexperiment.
Het wordt telkens weer scherper, en de 25 jaar dat ik ernaar kijk hebben mij met de tijd verzoend en me aangezet de meerlagigheid ook in mijn denken toe te passen.