Lieve Vriend(in)

Hier hoort muziek bij.
En omdat de helderheid van de droom de beste benadering van de voorbije dagen is, kies ik voor Lully, uit ‘Atys’, scène du Sommeil.

Want les belles zijn er, en ook les forêts’, et les couleurs, toutes les couleurs.

Is de oude wijze petemoei net voorbij gekomen en heeft ze de pompoen tot een blinkende koets omgebouwd?

Mijn Assepoes danst ook nog terwijl ze de auto poetst, want zelfs hij zal een spiegel zijn voor zoveel uitgegoten licht.

Hij heeft ons hier gebracht, deze hedendaagse pompoen.

‘Dormons’, laat ons de tijd uitzweten, de angst voor de klok, it’s midnight dr Schweizer, blijft boven ons hangen.
Maar wij verslapen ons honderd jaar, geliefden.

Dormons.

Noli me tangere.
Raak me niet aan, zei de verrezen Christus.

Daarom is de slaap zo mooi, want daarin raak je de innerlijkheid van de meest verborgen hoeken aan, de schuilplaatsen van de bange blanke man.(en vrouw)

En het glazen muiltje?
Bleef het het op de trappen liggen toen je wegrende?

Dormons.
Les arts florissants onder de paraplu van Harmonia mundi, zoveel hevig verlichte woorden die deze overvloed aan licht proberen te benaderen.

Dormons.

En nu ‘Versa est in Luctum’ van Lobo door het Gabrieli Consort
Dat is werkelijk stromend licht.

Lobo moet dit bosbruggetje bewoond hebben.

dyn002_original_577_432_jpeg_20344_2a58b9f5a8fbc5302f448dd17a86f46e

In het bronnengebied zijn al die kleine pietluttige murmelende beekjes samengestroomd tot iets wat al op een riviertje begint te lijken.

Hoge boventonen.
Diep gegorgel bij hindernissen.

Kinderen hebben dammen over haar doorzichtige ruggegraat gebouwd.

Versa est in Luctum.

Kijk naar de wortels van de dennen.
Op zoek naar water trotseren ze elke droogte.

Water en licht.

En daarover, een gespannen boogje van de betonnen brug.

Nutteloos want je zou het water zelfs als stramme zestiger met een fikse stap kunnen over-bruggen, maar een beetje respect aub, zestiger.
Dit water is stem.

In stemmen stappen alleen de kinderen.

Zij herkennen het gemurmel, ze herkennen de oorsprong, het zachte wiegen, negen maanden lang in het vruchtwater.

Versa est in luctum.
Onzichtbaar nog in de moederschoot, weten zij wat licht en donker is.

Wij allen dus.
Wij allen in dat voorgeborchte van het licht.
Door de ogen van onze moeder richten we dat snelle hartje naar het licht achter de buikwand.

Non aeterna.

kind onder brug

 

 

 

 

 

 

 

 

Niet voor eeuwig dus.

Nu mag Schubert uit zijn mooie schaduw komen, en de prachtige fantasie D934 voor viool en piano is licht genoeg om met het kind de brug te torsen.

Toen ik haar zag, wist ik dat zij de brug wilde gebruiken als houvast, maar tegelijkertijd besefte ik dat het ook andersom kon zijn: ze torst de brug, ze geeft ze een bijzondere betekenis.

Dat duurt niet lang genoeg.

Dat is korter dan de Schuberts Fantasy in C (22′.48″) want enkele passen verder wordt de brug weer een brug, tilt ze zichzelf boven het beekje.

Non aeternam.
Niet voor eeuwig.

Dat is faciosum en zeker ook tremendum.
Het fascineert ons maar jaagt ons ook schrik aan.
Wij willen alles voor eeuwig.

Maar het eeuwige huist in het ogenblik.
De paternoster ogenblikjes wordt door vrome zielen gebeden en geleden, maar non aeternam beleden.

Al wat zo mooi is, vergaat.
De schoonheid van de brug.
De sierlijkheid van het meisje.
De overvloed aan licht.

O, zelfs Schubert met hulp van D. Rohn, piano en M. Chernyavaska, piano, laat zich in de stilte nasmaken.

Non aeterna.
Maar lux in overvloed.