EN REISKOFFERTJE, EINDE 18DE EEUW

 

 

Een van de oudste en ook mooiste stukken van onze collectie is dit koffertje.

Zo’n veertig centimer lang, hout met leder overtrokken, een prachtig slot en een koperen handvatje dat -naar ik vermoed- er in de 19de eeuw is opgezet ter vervanging van het oorspronkelijke.

De tand des tijds heeft er aan geknaagd, er zijn stukjes hout vervangen en ook de scharniertjes zijn van latere datum, maar in zijn geheel heeft het de meer dan tweehonderd jaar goed doorstaan.

Ik hou vooral van de gewelfde vorm van het deksel, de diepe lederkleur met ruiten decoratie en zijn stevig nutteloos slot

dyn003_original_448_336_jpeg_20344_abafb65e9ce02c3f50163f50bd7beea3

Binnenin is het koffertje beplakt met bedrukt papier.
In het deksel ben ik bij een hoofdstuk uit een kunstboek over Romeinse beeldhouw- en schilderkunst uitgekomen, en onderaan en aan de zijkanten zijn er uitreksels uit een Schots tijdschrift over landbouw te lezen en vond ik een aanduiding van de tijd waarin het drukwerk althans ontstond: 1796-1797.

dyn003_original_448_317_jpeg_20344_373c4ccf9998540abfa15ebbe375bea3

Een mooie combinatie.
En helemaal Romeins.
Beeldhouw- en schilderkunst en notities over de graanoogst en een reply op een ingezonden landbouwersbrief.

De eigenares (straks meer daarover) had ofwel geen hoge hoed op over de Romeinse kunst, ofwel bezat ze genoeg kennis daaromtrent zodat ze het boek of tijdschrift als binnenbekleding kon gebruiken.

dyn003_original_448_270_jpeg_20344_f26ad1c40293fd9baa4db90323ba6d81

Onderaan is de naam en adres van de eigenares gebrand: Mss Fauvell Jersey en dan het adres aan de linkerkant waarvan vooral de straatnaam ‘North Castlestr’ nog leesbaar is.

En wie nu die juffer of mevrouw Fauwell is geweest, blijft een raadsel.
Waarschijnlijk iemand die niet altijd op het eiland is gebleven, maar waarschijnlijk rondreisde, familie had in Schotland (?) of…

Je moet de mysteries laten wat ze zijn, namelijk mysteries.
Haar koffertje kun je altijd in de Venusstraat, 19 komen bekijken en zelfs kopen.

Goedkoop is het niet, want de eigenzinnige vormgeving en zijn lang leven maken het uiterst waardevol.

Stiekem hoop ik dat ik het kan bijhouden, maar iemand die er inderdaad 250 euro voor over heeft en met de hand op het hart belooft er goed voor te zorgen, mag de nieuwe eigenaar(es) worden.

Als je heel stil bent, hoor je de zee.


IN EXCELSIS DEO, MAAR OOK NIET TE HOOG

botticelli_madone_a_la_grenade

In excelsis deo.
Hoe hoog was dat, die plaats waar God lof werd gezongen, vroeg ik me als kind af.

In den hoge.
Zelfs een kind wist dat daar de hemel mee was bedoeld, en die hemel was dan weer verwant met de sterren en het heelal.

Mensen die op de hoogse verdiepingen van flatgebouwen woonden hadden geluk, ze waren dichterbij God, ze woonden tien hoog en weliswaar kon je daar -op stille momenten- al een vaag gezang horen van hemelse muzikanten.

Piloten ook.
Een tijd lang dacht ik dat ‘aartsengelen’ piloten waren omdat ik ‘aarts’ als ‘aards’ begreep, en ik daardoor een classifificatie van vliegende wezens had aangelegd: de aardse en de hemelse engelen.

Dat een bepaalde gierige tante als ‘aartslelijk’ werd bestempeld, versterkte mijn classificatie: je had aards-lelijk en hemels mooi, maar er was ook gedrag dat hemel-tergend werd genoemd, en dat gedrag viel samen met de eigenschappen van die aards-lelijke tante, de indeling was gered!

Er was ook een vervelende kant aan de zaak.
Wie braaf was, ging naar de hemel en wie stout was vloog naar de hel.
Daar ‘in excelsis’ werd je verondersteld de eeuwigheid te vullen met gezang terwijl de hel toch avontuurlijker was: vuurtje stook, schrikbarend gezelschap, maar ook warmte, terwijl de hoogte met zijn ‘eeuwige sneeuw’ met koude werd geassocieerd.

En zo spannend was dat zingen niet, dat kon ik al dadelijk zien op het schilderij hierbij gevoegd, reproductie verspreid door deegwaren Anco met Soubry-punten, verzameld door mijn vader en mijn eerste kennismaking met de wonderen van de schilderkunst.

Kijkt U zelf maar.
De mooie jongens die engelen moeten voorstellen zijn duidelijk ‘van dienst’.
De eerste jongen links kijkt naar de schilder.
Hij heeft zijn handen over elkaar gelegd, hij mummelt nog ‘gloria in excelsis’ maar het zou me niet verwonderen dat hij aan de pakjes onder de boom denkt.
Hij heeft verstrooid een tak vast, maar in feite kon dat net zo goed een lat of een opgeraapte veer zijn.

botticelli_madone_a_la_grenadeIk heb ze met zijn drieën even uitgesneden.
Naast de buiten-kijker staat een blonde schoonheid die op Tadzio uit de dood in Venetië lijkt.
Hij heeft zijn hand vertrouwelijk op de schouder van zijn maatje gelegd.
Hij houdt wel een boek vast, maar aan de dromerige blik van zijn vriendje te zien kan daarin iets heel anders te zien zijn dan het notenbeeld eigen aan het ‘in excelsis’.

Ik ga de discussie over ‘het geslacht’ der engelen niet opnieuw openen, maar het zal er in excelsis niet toe doen of je een jongen of een meisje bent, je bent mooi en je loopt over van liefde, voilà.

botticelli_madone_a_la_grenadeDe drie schoonheden aan de andere kant zijn ook niet met hun hoofd bij het hemelse gedoe.
De ene doet een babbeltje met zijn vriendje, of hij wil hem een kusje geven terwijl die wegkijkt van zijn boek waarvan de bladzijden door de warme adem van het maatje alvast niet de juiste pagina weergeven.

De laatste engel heeft oog voor de haarkleur van het kindje, of kijkt hij naar een mooie welving van de bekoorlijke Maria?

Zijn lelie ligt achteloos op zijn schouder en zijn blik doet eerder aan het waarnemen van roos in de goddelijke haardos dan aan ontzag denken.

En kijk naar de dromerige blik van de moeder Gods.
Ze heeft haar kindje wel vast, maar ook zij is met haar gedachten in een andere ‘excelsis’ dan die aan ‘Deo’ is toegeëigend.
Denkt ze aan Jozef, of weet ze al wat er ‘in de naam van’ die zoon gaat uitgespookt worden op aarde.

Het kindje zelf straalt vooral guitigheid uit.
De granaatappel zal hem worst wezen (daarom dat zijn moeder dit symbool ondersteunt anders had het kind hem al weg gezwierd!), hij wuift even, maar hij wil zo vlug mogelijk aan de borst of op stap met de engelen.

Dat dit schilderij mij lief is hoef ik niet te betogen.
De prachtige jongens in hun natuurlijk ongeduld, hun verraderlijke schoonheid ten spijt, de wegdromende Maria en het jolige kind, ik zal ze blijven koesteren.

Dit is ‘in excelsis’, en je moet er geen piloot voor zijn of op de 25ste verdieping huizen.
Je hand op de schouder van je maatje, de schoonheid van het vrouwelijke die zich in alle wezens heeft verenigd tot het vreugdevolle woord dat vlees is geworden.

Het hoeft nu ook weer niet de Bosmans-show te zijn op kerstavond, ik dacht zoiets eerder voor oudejaar, maar het hemelse in handbereik, en onze ‘aardse’ ziel die zich mag verheffen tot een iets hoger niveau, dat is al wat.

En dan van goede wille zijn.


KLEIN REQUIEM VOOR WIMS ZACHTE ZIEL

dyn003_original_403_600_jpeg_20344_4ffead467959cb7e80c7b8b91a484a8e

 

In de koude decemberkramp
nu iedereen zich naar zijn dorp begeeft,
om rond de boom of bij de menorah
het licht in de donkere nacht te proeven
ben je ons voor geweest
en keerde je terug naar de stad
waar zachte zielen als jongetjes gekleed
zich in de armen van hun eeuwige vader nestelen.

Hier, bij ons, proefde je al graag de geneugten
van een lekker maal, een huis op de berg-
ubi caritas est et quam dulicis est amor.

met musica aeterna omgeven deducant te angeli in paradisum.

dyn003_original_362_506_jpeg_20344_0065b1ab2a0cd74d160270c5b4f114b4

Dankbaar blijf ik je
ik was nauwelijks dertien
toen ik een jongensstem hoorde zingen
met jou aan de piano
Schuberts lied dat mijn leven veranderde:

Ich hört’ ein Bächlein rauschen
Wohl aus dem Felsenquell,
Hinab zum Tale rauschen
So frisch und wunderhell.

Ich weiß nicht, wie mir wurde,
Nicht, wer den Rat mir gab,
Ich mußte gleich hinunter
Mit meinem Wanderstab.

Hinunter und immer weiter
Und immer dem Bache nach,
Und immer frischer rauschte
Und immer heller der Bach.

Ik zal me nog een tijdje de vraag ‘Wohin?’ blijven stellen, maar jij weet het intussen wel.

Jij bent bij de bron uitgekomen waar het ruisen van het beekje in de meest innerlijke muziek is veranderd.

Amor, quam dulcis est amor


DE VERVALSERS

berlijn

Lieve Berlijnse,

Met innige dank voor je mooie stemmen van het Thomanerchor uit Leipzig
Hun beertje vind je naast jouw kaart, een foto van ene Joseph Hüber uit 1991, en er staat in grote letters bij: GARANTIERT KEINE MONTAGE.

Dat is een mooie waarschuwing in Photoshop-land natuurlijk, want waar Pilatus al vroeg ‘Quod est veritas?’ zo moeten wij ons voortdurend afvragen of de werkelijkheid op een afbeelding ook een werklijkheid is of was.

De volmaaktheid van gefotoshopte meiden is bekend, en als ik terugdenk aan een film met Annie Girardot die om een foto-vervalsing draait, nauwelijks twintig jaar geleden, dan zou je je nu bescheuren want de afgebeelde werkelijkheid is inderdaad nog zelden de werkelijkheid.

dyn001_original_188_283_jpeg_20344_1ab6d72d97e5c9bf7debff156ee82a57

Aber hier keine Montage.
Wel is de Duitse kunst op allerlei vlakken altijd sterk geweest in ‘montage’, pictoraal, maar ook het theater van de dertiger jaren ontdekte de montage en de collage, tot er in 1945 niets meer te monteren viel want je kunt mooie kiekjes maken van ruïnes, en je kunt de vergankelijkheid -zelfs van antiek- voor je geest halen, maar daar houdt het op, tenzij je zoals in de 18de-19de eeuw van ruïnes houdt (ook een Duitse eigenschap?) en je ze op maat voor je park (want tuin is een te klein begrip) kunt bestellen.

dyn001_original_358_235_jpeg_20344_eae89ef81d74903a5eaa042d87155ca1

En de combinatie met de stemmen van het Leipziger Thomanerchor, vooral dan van de jongensstemmen, ligt voor de hand.

In enkele jaren tijd zijn de vocale mogelijkheden van een jongensstem uitgeput, en al was in vroegere tijden daar een ingreep voor, de castrati hadden nooit nog de stemkleur van hun jongensstem, maar wel die van een ‘poging-tot-behoud-stem’, een combinatie van jongen, conter tenor, und Man ohne diese Eigenschaften aber wohl mit dem Gestalt aber ohne Gewicht.

dyn001_original_600_400_jpeg_20344_c2ad8d2633a11c3a24f25f4a123dcb10

Het succes van mooie kinderstemmen en hun mogelijkheid tot collectieve ontroering heeft uiteraard te maken met het besef van het voortschrijden, of beter het sluipen der jaren, van het toeschrijven van allerlei ‘zuivere’ eigenschappen,the paradise lost, maar laten we dan The Lord of the Flies niet vergeten waar een bende koorknapen zich tot een wrede stam ontpopt, eens het toezicht van de volwassenen is weggevallen.

Net zoals photoshop het beeld ‘vervalst’ zo vervalst de tijd het verleden.
We zijn bijna niet in staat om dat verleden vanuit het verleden te bekijken, we idealiseren of vervloeken het, we zoeken er oorzaken die er nooit te vinden zijn, want de deuren en ramen zijn dichtgemetseld en erger nog, als ze dan al open blijken dan is hun leegte spreekwoordelijk want die laat ons toe ze vrijelijk te vullen.

Aber keine Montage.
En het drama: we hebben alleen maar die brokstukken uit het geheugen of via lectuur, of uit de al dan niet mondelinge epiek.
Zelfs de meest droge bronnenstudie levert alleen maar een skelet af, en de veronderstelling waar het vlees gezeten zou hebben of wat de’levende’ daar mee gedaan heeft, het wordt een spelletje photoshoppen waar je na een tijdje niet meer weet of je met het echte of met het vervalste geheugen te maken hebt.

Speak memory, zei Nabokov, lange tijd een Berlijner, maar hoe scherp hij ook zijn kindertijd herinnerde, het huis in Sint-Petersburg bleef een herinnering.

En ik geef het toe: vervalsingen zijn soms prachtig, mooier dan het echte.
We monteren dus verder.
Ik zet de Thomaner luid in mijn Antwerpse salons, kunnen ze even mijn afwezige klanten vervangen.


MIJN HUIS IS WAAR DE GEEST IS

 

dyn001_original_362_358_jpeg_20344_887b77f9fb1c7d63a63445286fa93b25

Hier zijn we inderdaad in mijn befaamde Venusstraat, 19, de poort waarachter ik twee maanden een flink stuk van de dag verblijf.

Geen deur, maar een poort.
Een poort diende eerder voor rijtuigen dan voor mensen.

Een poort is de toegang tot een domein, niet dadelijk de ingang van een huis.

dyn001_original_362_262_jpeg_20344_fc722238e12e057f53dd395f05822763

De tralies voor de ramen moeten bozerikken buiten houden, terwijl ze bij ons de bozerikken of wat daarvoor doorgaat, verhinderen die buitenkant nog te betreden.

Het is al duidelijk een mix van de 18de en de 19de eeuw, kijk maar naar de figuren in het poortvlak, figuren die de ‘rede’, het geometrische verlaten en met rondingen de stijfheid van de rechthoek doorbreken.

Duw je die poort open dan kom je in een soort tussenhal.
In 19de eeuwse herenhuizen kwamen daar de spreekkamers op uit, hier is het duidelijk een luifel, een voorgeborchte voor degenen die wel mogen zien, maar niet de volgende ruimte mogen of kunnen betreden.

dyn001_original_362_294_jpeg_20344_ccfb8330e131bae7b643a4bf59df2b57

Nu zijn huizen één blok, maar een patriciërshuis was een conglomeraat waarin de verschillende leeffuncties gecentreerd waren rond een patio.

Je vindt dat idee natuurlijk in oude Griekenland en Rome, maar het aantrekkelijke dat wij verloren, is de functie van die open ruimte, de geëigende plaats van de natuur niet alleen als tuin achter het huis, maar als centrum waarrond het huis werd opgetrokken zoals de patio het kloostercentrum was waarrond de collonades voor het ambulante gebed, een oosters idee dat echter in het middeleeuwse westen in zwang was.

Ik droomde er als jongen van om zo’n niet-huis als centrum te hebben en ik tekende mijn eerste schetsen rond die open ruimte, al dan niet een tuin- of een badplaats.

In de Griekse mythen heeft dat baden niet alleen een reinigende betekenis maar ook een meditatieve, een combinatie van het lijfelijke met het lijfelijke van de natuur.

dyn001_original_362_250_jpeg_20344_ed54891a8e0325666fb18858e7131b10

Daarnaast is het water ook een spiegel waarin Narcissus op zichzelf verliefd werd, een mythe die wij voortdurend verkeerd interpreteren als het summum van ego-centrisme terwijl ik ze altijd als een onmogelijke liefde zag, hij werd immers niet op zichzefl verliefd, maar op zijn spiegelbeeld, op zijn ‘andere’ kant, waar rechts links en links rechts is.

Zo is de wintertuin een spiegelbeeld van de buitennatuur maar ook een andere kant van het huiselijke, het verlangen om dichtbij het licht te leven.

In de oosterse tuin wordt hij zelfs het beeld van het onbewuste, de som van onze verlangens en dromen zonder hun betekenis in riten te moeten verklaren.

Ook deze binnentuin -zijn overkapping dateert van de 19de eeuw- is zo’n beeld.
Hij doet je de straat vergeten, je bent omgeven door het huis en toch buiten, het licht kan er binnen zonder omweg, je bent buitenste binnen.

dyn001_original_362_233_jpeg_20344_ea54dc0b2975104f4329339353e4efa2

En zo kom je in onze arcadia-zalen waar we de collectie bij elkaar hebben gebracht.
Ze liggen er niet te schitteren, maar ze zijn afwachtend bij elkaar gebracht.
Ze hebben al een geschiedenis, ze hebben mensen gezien, bediend, hun dorst gelest, de bloemen van het seizoen gedragen, helling voor talrijke brieven geweest, schatkamertjes en spulletjes-verzamelplaats.

Ze zijn van glas, zilver, hout en porselein, ze hebben verschillende landen en ruimtes bewoond.

Ze hebben een eigen ziel die voor een groot deel is samengesteld door de zielen die met hen zijn omgegaan, en daardoor zie je dat sommigen ‘bezield’ zijn zoals de oer-beschavingen materialen bezielden.

Een collectie is dus niet zo veel en zo verschillend mogelijk, maar plaats voor het samenbrengen van die ‘anima’, en…ze laten zich koesteren, blijven een tijdje bij jou zonder je eeuwig trouw te zweren want ze willen daarna weer naar je kinderen, kleinkinderen, antiquairs of andere mensen met hongerige ogen.

Wil je ze zelf komen bekijken?
Ze zijn niet spectaculair, hebben niet de waarden waarover de kranten schrijven, maar ik hoop dat ze ziel hebben, hoe klein ze ook zijn.

Venusstraat, 19, kom je zelf maar vergewissen tussen 14u-18u en zondags vanaf 11u.

Kopen mag, maar kijken alleen ook.
Maar pas op, het zijn verleiders.


EEN LICHTE BEWEGING VOOR EEN OPEN RAAM

awcurtains

Er zal alvast een doctoraat aan gewijd zijn, en indien niet is dit een mooie tip: de betekenis van bewegende gordijnen voor een open raam in de cinema en aanverwante podiumkunsten.

Denk maar even na en je zult je vast en zeker een aantal filmen kunnen herinneren waar deze welvende gordijnen een zekere sfeer van voorbij-zijn, van rust of naderende onrust, van verlatenheid of gelatenheid, uitdrukken.

Het gat in de muur, ook venster of raam genoemd, beweegt slechts bij natuurrampen en afbraakwerken, maar de gordijnen die het hebben afgeschermd voor de buitenwereld, rillen bij het minste zuchtje tocht of wind.

Zij maken de beweging zichtbaar.
Kun je de wind zelf niet zien, dan is er het opbollen en weer zachtjes neerstrijken van de gordijnen.

gordijjen01Je ligt in het bed.
Je bent een baby en je kunt al licht van donker onderscheiden.
Uit mijn vroegste herinneringen komen de lichte gordijnen zachtjes naar mij toe, maar nog voor ze de rand van mijn bedje bereiken, vallen ze terug, en dat spel herhaalt zich, komen en gaan, verbonden met de straatgeluiden aan de voorkant van het huis.

Ik ben oud.
Ik lig in het bed.
Het sterfbed.
Ik zie de gorijnen zachtjes trillen en de bries trekt er golfjes door, heft ze op en houdt ze een moment ver weg van het raam.
Dan vallen ze geluidloos terug.

Dat is alles: het opbollen van een doorzichtige stof en eens de wind zijn adem inhoudt, vallen ze terug naar de kader waarboven ze bevestigd zijn.

Zo kort en zonder betekenis is het.
Het leven met zijn serieuze bepalingen en strevingen.

Je kunt er a volonté engelen in zichtbaar maken of andere fraaie verschijningen die het lijf onrustig maakten en het hart vol zotte verlangens lieten zwellen.

Maar tenslotte keert alles terug ad principium, en het woord dat er zou zijn, de logos waarvan de hedendaagse paus zo houdt (tenslotte blijft hij een Duitser) is niet uitgesproken of ongehoord gebleven voor dit dove oor.

Moet je door die gedachte teleurgesteld zijn, of je bedrogen voelen?
Waarom?
Dat je even mee mocht zwellen met die volheid van de wind, de spiritus, is al een geschenk.
Je ziel kan door het open raam de kosmos in, een stofje groot.
Maar kijk, er ligt alweer een kindje in het wiegje.


EEN RUIMTE NAAR JE HAND EN HART ZETTEN

1

Lieve Berliner,

Voilà, dat is onze eerste feesttafel, 19de eeuwse spullen in een 18de eeuw rococco-decor .
En wat meer is, ik zit hier in die ruimte naar jou te schrijven met de hulp van mijn laptop en zo’n darmpje met aanwas van proximus, een breedband modem die zonder enige aansluiting zijn weg zoekt op het virtuele gsm-net, een soort moederkoekje dat de vrucht van mijn schrijfsels met de grote stad Berlijn verbindt: de as Berlijn-Antwerpen.

In deze ruimte waar de rijke Duitse bankiers weigerden de soldij van de Spaanse soldaten uit te betalen en die soldaten de ‘Spaanse Furie’ ontketenden.
En in die ruimte, in die prachtig gerestaureerde grote salon uit de 18de eeuw zit ik met een proximus-moederkoekje een boodschap naar Berlijn te typen die jij binnen enkele ogenblikken zou kunnen lezen waar de vroegere bewoners enkele dagreizen nodig hadden om Berlijn te bereiken.

In het restaurant De Siechel hiernaast dwaalt de geest van advocaat De Bryune rond en zie ik Elschot glimlachen want hij vermoedt dat hier weer zo’n zot zit die zijn kelder niet vol kaas maar veel te vol met ‘antiek’ heeft gevuld, en mocht hij zijn publiciteit nog kunnen schrijven, ik vroeg hem direkt voor een flitsende campagne in ruil voor een gezamelijk avondje kletsen over de letteren en een kist sigaartjes, al weet ik niet of de man rookte.

De zeven bomen in de binnentuin zijn in het koude van de nacht onder gedoken, en in de wintertuin heerst rust.
De man die dit gebouw heeft gered en gerestaureerd, Emile Warmenbol (invoerder van kaas!) heeft zelf deze ruimtes niet meer gezien, maar enkele van zijn kinderen maakten zijn droom waar en investeerden verder in de restauratie.

dyn008_original_639_428_jpeg_20344_41dee7c42df05e0d963968f08e628521

En die schoonheid van generaties goede wil en hard werken, en vooral van durf en gezonde gekte is voor enkele tijd onze expositieruimte.

Na al het gesleur zetten we ons dan in de tweede salon en maakt Marie koffie, of schenken we ons een glas rode wijn in, en we roemen de voorgangers die zoveel moois hebben geconserveerd.

Maar hoe breng je daar nu al die mooie dingen in een zekere relatie met de immense ruimte?

Daar is maar één oplossing: de vrouwenhand en het vrouwenhart.
Wij plannen de ruimte, wij organiseren ze, maar de vrouwenharten vullen ze, brengen moeiteloos verbindingen aan en geven elk voorwerp hoe klein of kostbaar ook, een intuïtief verband met tijd en ruimte.

Ik wil ‘ten toon stellen’, maar de vrouwenharten grijpen gelukkig in en schikken de ruimte, tafels en kastjes alsof je elk ogenblik de vroegere bewoners kunt verwachten, vergezeld van een schone Antwerpse uit deze tijd, ik bedoel ze ‘verzoenen, en ’t is niet voor niets dat het woord ‘zoenen’ in dat mooie werkwoord is ingemetseld.

Voor ons is dit een ‘handelsruimte’ maar voor hen zijn de tafels en rekken uitnodigingen om graag te leven, om het alledaagse met het niet zo alledaagse (het tijdeloze?) te verbinden, dat is inderdaad een verzoening.

En voor wie het niet geloven wil, we openen morgen.
Vanaf 14u ben je welkom, want tot 18u zijn we graag uw gastheer en gastvrouw.

Welkom dus in de Venusstraat, 19 te Antwerpen, je zult ze horen ademen, de dingen die nooit voorbijgaan maar even hebben stilgestaan tot U ze komt ontdekken.


OP WEG NAAR DE VENUSSTRAAT, 19

0

 

 

Lieve Vriendin,

Op dit ogenblik iets over acht uur ’s morgens wordt hier met man en macht (= 2 verhuizers) de boel buiten in de grote vrachtwagen gezet, veel te veel dozen, kasten en de bekende glazen rekken, en dan blijft er nog een hoop achter.
We hopen dat het rond negen uur is geklaard en we richting Antwerpen kunnen.Naar de Venusstraat in het hartje van het oude Antwerpen.

Dit zijn van die vreselijke momenten .
Reminisenties aan voorvaderen dringen zich op, mensen die gedwongen worden te verhuizen, een leven te verlaten zonder enige hoop op een nieuw, of met de vooruitzichten van een somber levenseinde.

Wat doen we anders dan verhuizen?
Alleen in het hoofd blijven we altijd hangen bij de oude woorden, de schrik om door te denken, de consequenties van de eerlijkheid door te trekken.

Misschien dat daar de oorzaak van de wandeldrift van Ahasverus te vinden was, de wandelende Jood.

Er is immers geen stilstand, en dat wordt hier wel duidelijk.

In het huis naast ons, Venusstraat, 17 is nu een klasserestaurant gevestigd en vroeger de ABA, de American Belgian Associaton, maar na allerlei zwerftochten tot bij Willem Elschot, ben ik uitgekomen bij de vroegere bewoner, een zekere advocaat DeBruyne die al lang geen advocaat meer was en van het prachtige zestiende eeuwse pand 2 kamers bewoonde en een grote ruimte had waar hij zijn wapenverzameling (harnassen, musketten en dergelijke) had opgeslagen.Ik citeer uit een artikel uit Achter De Schermen, over deze figuur:

Alfons De Ridder – Willem Elsschot – heeft zo iemand gebruikt in zijn roman Kaas, en wel als model voor Van Schoonbeke, die Laarmans in dat boek regel-recht naar een klein drama leidt.

Ik heb die Van Schoonbeke persoonlijk nog gekend.
De heer De Bruyne, of beter nog meester De Bruyne, door de kennissen advocaat De Bruyne genoemd, want hij was advocaat, was een ietwat geblokte, vrij corpulente man van middelbare grootte, altijd gekleed in een driedelig pak, ontsierd door hier en daar wat vlekken.

dyn009_original_450_540_jpeg_20344_20f120bf9ca67679bc45b437efd51663
Hij woonde in de Venusstraat te Antwerpen op het adres waar nu de ABA (American Belgium Association) gevestigd is, een statig mooi herenhuis uit de late zestiende eeuw waar ooit nog de weduwe van Graaf Hoorn na diens executie te Brussel naartoe werd verbannen.
Het huis straalde rust uit en was grotendeels onbewoond, want advocaat De Bruyne verplaatste zich amper en verbleef hoofdzakelijk in twee kamers. De ene was die waar hij zijn vrienden ontving, onder anderen de schrijver Willem Elsschot, de piepkleine dokter Canivet en de gewezen loodgieter John Smits, die zijn verzameling antieke wapens onderhield.
Zijn tweede kamer was zijn slaapkamer. Er was ook nog zijn kabinet, waar hij nooit kwam omdat hij zijn praktijk als advocaat niet meer waarnam.

Zijn reputatie was ver dragend, waarschijnlijk door zijn afkomst. Hij was zeer invloedrijk bij vooraanstaande en belangrijke lui.

Verder was er het ganse gelijkvloers van het huis, drie reusachtige kamers die werden ingenomen door een waardevolle en unieke verzameling middeleeuwse wapens, zwaarden, harnassen, schilden, pistolen en zowat alles wat uitgevonden werd om elkaar naar het leven te staan.
Merkwaardig toch dat die moordtuigen zo prachtig werden versierd, zodat men zelfs vergat waarvoor ze moesten dienen. Het is die verzameling die me door toedoen van mijn grootvader Willem Elsschot tot bij hem heeft gebracht.
Ik mocht de verzameling bekijken, betasten en tekenen, tekeningen waarmee mijn grootvader pronkte bij de vrienden aan huis van advocaat De Bruyne.

Elke woensdag was daar de wekelijkse vergadering waarvan sprake in Kaas. Die dag was voor mij een hoogdag.

Ik herinner me ook nog een vage verschijning die door het huis dwaalde, een vrouw van tijdloze ouderdom, een beetje kleurloos zowel wat haar teint betrof als haar inhoud. Ze werd altijd gevolgd door een ruwharige, even tijdloze hond, een fox geloof ik, of toch iets dat ervoor moest doorgaan.
Daarmee werd telkens dezelfde grap uitgevoerd: die hond moest mooi gaan zitten, waarna een klontje suiker op zijn neus werd gelegd waarnaar de hond erbarmelijk en vol verlangen keek.
Hij mocht er tot nader order niet aankomen, want men had er immers bijgezegd dat dat klontje van een Duitser kwam en niet mocht worden genuttigd.
De marteling nam een einde na de verlossende woorden ‘’t Is van een Engelsman’.
Hierbij haalde iedereen zijn beste lach boven, advocaat De Bruyne keek dan met voldoening rond, waarna de vrouw met de hond in het niets verdween.

Ik heb nooit geweten of die vrouw zijn echtgenote was of een half vergeten maîtresse.

Dat advocaat De Bruyne een dierenvriend was viel wel op door de talloze katten die ronddoolden in het huis, dat zagen rook men in alle hoeken van de kamer, de katten manifesteerden zich zoals het hoort. Zij lieten hun sporen na, vooral de katers.
Tot grote verbazing van iedereen mochten zij mee uit het bord van de meester eten, er werd niet het minste ondernomen om dat te verhinderen.

Ik denk dat Willem Elsschot, die ook een dierenvriend was, dat niet echt kon smaken en vond dat het net iets te ver ging. Veel zei hij er niet over maar toch heb ik hem eens ‘merkwaardig…’horen mompelen, en wie hem kende wist wat dat betekende.

dyn009_original_450_591_jpeg_20344_ec75bdb1b174f60377ba7ec50f4de06f

Advocaat De Bruyne had waarschijnlijk last van jicht, want hij liep voortdurend met een koperen ketting rond zijn middel, rotsvast overtuigd van de geneeskracht door afzetting van het kopersulfaat, een geloof dat men ook terugvond bij oude zeelui die daarom een koperen ring droegen die als oorbel functioneerde.
Het belette hem echter niet royaal porto te drinken uit een grote, bijzonder mooie zeventiende-eeuwse romer.

Bij de vergaderingen zat hij altijd aan het hoofd van een enorme langwerpige eiken tafel waarop een prachtig Perzisch tapijt was gespreid.
Het licht was veeleer gedempt door de halfgesloten kelims die langs beide zijden van de vensters hingen.

Een van de zeldzame hedendaagse objecten die aanwezig waren was de telefoon, die door Elsschot werd gebruikt bij het verlaten van de vergadering om een taxi op te roepen.
Naast die telefoon stond een doosje dat vijf frank afdwong van de beller, en advocaat De Bruyne zag erop toe dat men zich aan die regel hield. Vergat men het, dan werd de aandacht van de dader ogenblikkelijk op het doosje gevestigd met de woorden ‘als je het doosje mocht zoeken, het staat naast de telefoon’.

Aan alles komt een eind. Toen ik op zekere dag ’s middags naar huis kwam van de Academie voor Schone Kunsten, zag ik een reusachtige verhuiswagen met Nederlandse nummerplaat voor de deur staan. Ze waren zijn verzameling, die hij had verkocht, aan ’t inladen. Enkele dagen later was advocaat De Bruyne dood.’

Aldus Willem Dolphyn (1935) de zoon van Anna De Ridder, dochter van Willem Elsschot, en Vic Dolphyn. Net als zijn vader is hij kunstschilder.
De laatste jaren heeft hij zich vooral toegelegd op stillevens.

Wel, naast dat huis hebben wij tot einde januari onze ‘showroom’, je zult ze dus nog zeker te zien krijgen.

Nu ga ik dadelijk mee dozen en bakken sleuren, de schoonheid heeft zo haar banale kanten.

Woensdag om 14u kan iedereen die wil zich komen vergewissen van de schoonheid van het huis en de collectie (geen wapens!) van zijn nieuwe bewoners!


BERLINER LUFT

GALLERIE

 

Cineastenogen heb je dus.
Ogen die niet alleen de beelden componeren maar ze dadelijk door hun bijna direkte compositie laten spreken.

Dat is inderdaad het resultaat van ‘bekend zijn met’.
Ik plaatste je mooie foto’s naast elkaar, de vernissage in de galerie aan de Rosa Luxemburg Platz en de kapotte plaat met uitroep.

dyn008_original_491_368_jpeg_20344_780d5386e34680079e4a49a7f062cf3b

Ik denk dat het jaar nul (1945!) zich vaak herhaalt, wellicht minder bloedig aan de buitenkant maar met dezelfde snijdende meedogenloosheid (het wreedste woord dat ik ken) waarmee we telkens weer onze innerlijkheid, ons ‘bekend zijn met’ terugdraaien naar het primitieve, het oog voor oog en tand voor tand.

I was dead.
Een jaar na de val van de muur was ik voor een regie-opdracht in Berlijn, in het net opgedoekte Oost-Berlijn, en het werd duidelijk dat het zoveelste Wirtschaftswunder de scheiding niet kon helen laat staan uitwissen.

dyn008_original_462_355_jpeg_20344_6cf056540af2b10b9f6d34f500cb7284

En in mijn knipsels heb ik het schilderij hierboven gevonden, een schilderij van Gerhard Sperling (1908-1975) dat de titel kreeg: In Berlin 1934.

Ons huis was net één jaar oud, ikzelf nog tien jaar van de aardse kringloop verwijderd, en…inderdaad Gide was dat jaar ook in Berlijn.

Schrijver Erich Ebermayer beschrijft en de ontmoeting en het belang van Gide…voor Duitsland:

‘J’ai vu André Gide un soir, dans un théâtre de Berlin, sans savoir que c’était André Gide. Ses yeux me fascinèrent, ainsi que son incomparable front. Je demandai à des amis qui était ce spectateur dans la troisième rangée : — André Gide.Il en alla de même pour moi en ce qui regarde son œuvre. Quand je commençai à le lire, il y a des années, je n’avais pas le moindre soupçon de son importance pour la France, pour l’Europe et — last not least — pour l’Allemagne. Je lisais tout simplement sans m’arrêter. Ses yeux me fascinaient, ces yeux qui voient à travers le cœur de l’homme. Ce front qui sait, connaît et comprend toutes choses : toutes les passions et tout ce qui fait la joie des hommes.Le fait que mon effort à moi : — deviner l’énigme de l’âme des jeunes gens et les représenter, — s’est approché parfois de l’œuvre du maître français, a été pour le débutant que j’étais une satisfaction particulière et personnelle.Il est impossible d’imaginer sans Gide la vie de la jeunesse européenne pendant la 3e et la 4e décade de notre siècle.’

Zijn verblijf in Berlijn in 1934 was een poging om Goebels te ontmoeten, om bij hem persoonlijk de vrijlating van opgepakte communistische voormannen te bekomen na de herrie rond de brand van de Reichstag.

Zijn pogingen liepen op niets uit.
De mooie jongens waarvan hierboven in de Gallerie een beeld keken al naar het opschrift I was dead.

Tussen de chaos van de verhuis naar Antwerpen en het onderhandelen over huurprijzen en organiseren van mijn ‘salons’ in de Venusstraat, 19, weldra verder.


BRIEF AAN DE GELIEFDE VRIENDIN IN BERLIJN

STRAAT

Lieve Vriendin,

Niet alleen gebruik ik het net om je te schrijven, maar tegelijkertijd laat ik je mooie foto’s hier verschijnen, zoals die foto ‘Kremmenerstrasse, 12′ die inderdaad heel mooi aansluit bij de teksten van gisteren waarin ook de schoonheid in het ogenschijnlijke verval werd verhaald.

Toen de ons bekende H. die foto’s zag zei ze met haar zeven jaar en half: weet je, opi, ik vind die oude huizen soms nog mooier dan de nieuwe want hier is veel gebeurd en je vraagt je af wie er hier heeft gewoond en wat hen is overkomen.

De fascinatie voor het blijkbaar voorbije ent ik al dadelijk op het filosofische begrip: ‘bekend zijn met’, daar waar onze wereld het steeds maar heeft over het ‘weten’ of ‘kunnen’.

De amusante show op de VRT ‘De slimste mens’ bevestigt dat cliché: het komt erop aan te weten en niet ‘bekend te zijn met’.

Je kunt te weten komen wie er in de vervallen huizen heeft geleefd, je kunt hun verleden achterhalen en in een wetenschappelijke bronnenstudie vastleggen, maar het brengt je vaak geen stap dichter bij het ‘bekend zijn met’.

Ik wil vermijden een tegenstelling te scheppen tussen wetenschap en ‘bekend zijn met’, maar waarschijnlijk gaat het ons meestal om dat weten, worden de prijzen uitgereikt aan de veel-weters, de reproduceerders en lopen mensen die het ‘bekend zijn met’ nastreven vlugger in de schaduw van de prestatiemaatschappij.

Zo is de vraag die een antiquair krijgt eerder: weet je wat het waard is, dan wel: kun je er de geschiedenis van vertellen?

Hier heb je opnieuw de opdeling tussen weten en bekend zijn met.

Mensen zoals Jung die probeerden dat ‘bekend zijn met’ te verzoenen met het weten kregen het bij de wetenschappers erg moeilijk omdat je het bekend zijn met niet in oorzaak en gevolg kunt uitdrukken.

dyn008_original_519_389_jpeg_20344_5faac4f4400b2a039e89c3313ec9e634

Als ik je foto’s van de Kremmenerstrasse bekijk (een straat die overigens krioelt van de therapeuten zie ik via Google) dan ben ik ook weer in Berlijn.

Je foto’s bezitten dus de wonderlijke eigenschap om mijn bekend zijn met die stad weer opnieuw boven te halen.

Vooral ook Berlijn in de late herfst.
Er hangt een licht over de stad waarin het donker al van ’s middags zijn ellebogen doorsteekt. (oneerbiediger: de tenen van het donker door de kapotte sokken van de dag).

Dat licht voel je ook hier, maar vermits Berlijn toch meer centraal Europa is, zal de kou er eerder toeslaan, een droge kou overigens die dat late licht een speciale toets meegeeft.

Het is het Sinterklaas- en kerstlicht, de verlichte etalages die al vanaf drie uur ’s middags hun buik vol gelig lamplicht hadden in onze jeugd, geligheid die nu naar het witte, het heldere plasjeslicht van de spotjes is verschoven.

Schilders kijken weemoedig bij zoveel strijklicht als de zon toch nog verschijnt en de daken met te vroeg kerstgoud decoreert.
Het licht van ’t heerlijk avondje is gekomen, en zie de maan schijnt door de bomen.

Als kind weet je dat het heidense mysterie van de winterwende nog bestaat: de lichten in de klas die vaak ’s middags al branden, de pakjestijd om het donker te verdrijven, en het heerlijk veel te veel van de feesttafels waarmee wij onze muizenissen bij zoveel duisternis moeten weg-eten.

Ik moet koffers gaan kopen want de hele zwik verhuist vrijdag naar Antwerpen, en met die zwik bedoel ik de meer dan 1000 items van onze antiek-collectie.

Ik stuur je de gevraagde kaartjes vandaag nog, ze liggen klaar bij het mooie glaswerk en de zilveren kruikjes die richting Duitsland moeten.

Vervolgt dus.


EEN DEUR SLUITEN IS ALTIJD AL DE VOLGENDE OPENEN

 

dyn003_original_476_333_jpeg_20344_05553c0b3d050f891da14a6b82a7a145

Woorden
geklemd tussen
een stenen engel
en het gefilterde licht
wonderlijke foto’s
van Henri Meunier.

dyn003_original_476_324_jpeg_20344_ce22778024a6189082eea42226767180

 

Woorden hebben het koud
bij zoveel beeld.

dyn003_original_476_316_jpeg_20344_71c6d8bbac013863aedb781b2f1ad571

Vandaag verlaten we dus Gide, Marc
La petite dame, Beth
Cathérine, en al diegenen
die zo dichtbij waren-hoop ik
en die je kunt terugvinden
in de talrijke geciteerde werken.

dyn003_original_476_677_jpeg_20344_2d24b2972c98ebb61e98f777f5b2a832

Ook de doden zijn nog bij ons,al lijkt het huis verlaten,de tijd van jong zijn lang voorbij.

Er is het panta rei
en het in de tijd zijn zoals Theilard de Chardin dat zegt.

We zijn niet tijdelijk, maar in de tijd.

Het duurt een tijdje eer je daar achter bent,en ik kan me voorstellen dat het tijdelijk zijn voor de nodige angsten en vluchtwegen zorgt.

Hoe je schrijver, vader, minnaar en sociale beweger kunt zijn.(wij zijn nu immers aan de vooravond van zijn Congo-reis waarna hij luid en duidelijk de misstanden daar zal aanklagen)

Hoe hij in Koksijde naar de kleine Catherine kijkt, en hij bewonderdend haar durf tegenover zoveel water zal verwoorden.

Hij doet dat met dezelfde blik die generaties na hem hebben gebruikt om naar kind of kleinkind te kijken, de zomers aan zee.

En Marc gaat zijn weg.
Hij zal inderdaad de weg van de film ingaan, en grote sterren ontdekken en prachtige filmen maken.
Hij sterft in 1973.
Gide krijgt de Nobelprijs in 1947 en zal in 1951 overlijden.

De decors lijken versleten nu de acteurs afwezig blijken te zijn, maar dat is slechts schijn.
De schoonheid huist tot in het verval, en je hebt telkens weer de herfst nodig wil je de volgende lente vol bloeikracht zien.

Er zijn natuurlijk de boeken, de prenten, de filmen, de foto’s.
Ik heb ze met ons leven trachten te verbinden.

Maar laten we nu terugkeren naar het boek van Nemer: Corydon citoyen.
En de vraag: zou Corydon in onze tijd al een burger mogen zijn, moet ik met een luid ‘NEEN’ beantwoorden.
Integendeel.
Maar hoe komt dat dan, wat is er gebeurd sinds Gide?
Het is een vraag met een een lang en complex antwoord.
Als mij de tijd wordt gegund probeer ik ze de volgende dagen beetje bij beetje te beantwoorden.