DE KOMST VAN DE PSYCHOANALYSE

01

Elke nieuwe poging tot het doorgronden van onze diepste, meestal verborgen zieleroerselen kent zijn charlatans, al dan niet met een universitaire titel, zo ook de psychoanalyse.
Maar niet alleen wegens deze mismeestering riep ze in het begin (en nu!) vijandigheid op want ze nam Charcots les volstrekt letterlijk op en ging de seksualiteit van de individuen los van elke gezinscontrole onderzoeken.
Ze bracht deze seksualiteit aan he daglicht zonder haar onder het neurologisch model toe te dekken. (Charcot was een uitstekend en gereputeerd neuroloog!)
Ze ging nog verder en stelde de door haar geanalysserde gezinsverhoudingen zelf ter discussie.

Maar al vlug stuitte de psychoanalyse in het hart zelf van deze seksualiteit weer op de wet van de aanverwantschap, het spel van trouwen en houwen, de incest (oedipus en de zijnen) als het beginsel van haar ontstaan en de sleutel van haar kenbaarheid.

‘De zekerheid dat men aan de wortel van ieders seksualiteit weer de relatie ouders-kinderen zou aantreffen, maakte het mogelijk dat zelfs toen alles op het omgekeerde proces leek te wijzen, het seksualiteitsdispositief vastgehecht bleef aan het aanverwantschapssysteem. Er bestond geen gevaar dat de seksualiteit van nature vreemd zou blijken aan de wet: zij werd enkel door de wet geconstitueerd.

Ouders, wees niet bang uw kinderen naar de analyse te brengen: zij zal hen in elk geval bijbrengen dat ze alleen van u houden.
Kinderen, beklaag je niet te hard over dat je geen wees bent en dat je diep in jezelf altijd weer op je Object-Moeder of het souvereine teken van de Vader stuit: door hen krijg je toegang tot het verlangen.

En hier vind je dan de verklaring voor de enorme consumptie aan analyse in de maatschappijen waar het aanverwantschapsdispositief en het gezinssysteem versterking nodig hadden.

Dit is immers een van de fundamentele aspecten van heel de geschiedenis van het seksualiteitsdispositief: het zag het licht met de technologie van het ‘vlees’ in het klassieke christendom, steunend op de aanverwantschapssystemen en de regels waaraan de aanverwantschap gehoorzaamt.
Maar tegenwoordig speelt het de omgekeerde rol: het seksualiteitsdispositief houdt in toenemende mate het oude aanverwantschapsdispositief in leven.

‘In een langzaam proces dat nu al meer dan drie eeuwen duurt, van de leiding van het geweten tot de psychoanalyse, zijn het aanverwantschapsdispositief en het seksualiteitsdispositief ten opzichte van elkaar gedraaid en van positie gewisseld.

In de christelijke zielzorg codeerde de aanverwantschapswet het vlees dat men bezig was te ontdekken, dwong het vanaf het begin in een kader dat nog juridisch van aard was; met de komst van de psychoanalyse is het de seksualiteit die de aanverwantschapsrgels lijf en leven geeft door ze met begeerte te verzadigen.

Het seksualiteitsdispositief zal dus het onderzoeksdomein zijn, en niet vanuit een soort onderdrukking van de seks (om de economie te dienen!), maar veeleer om de produktie van de ‘seksualiteit’.

De ervaring dus.