INLEIDING TOT DE APHRODISIA (SLOT)

dyn002_original_340_515_jpeg_20344_d6903efbfa83bbd3203a02e1d9a3314e

Laten we in deze laatste aflevering rond de aphrodisia vanuit twee beelden vertrekken die ook nu nog herkenbaar zijn: de classificatie en de schuldige seksualiteit, twee beelden die wellicht hun oorsprong vonden in de 18de eeuw maar ook al in het Oude Griekenland herkenbaar waren.

De classificatie echter gebeurde op een andere manier dan in onze erfenis van de ethiek rond ‘het vlees’, het ging om matigen en onmatigen, om actieven en passieven terwijl het verlichte Roussiaanse beeld van de onschuldige mens de Grieken vreemd was.

dyn002_original_379_514_jpeg_20344_6c24701ef259e1a96750c01a612c027f

De begeerten die ons tot de aphrodisia brengen rangschikt Plato onder de meest natuurlijke en noodzakelijke begeerten, en de lusten die ze ons verschaffen worden volgens Aristoteles door noodzakelijke dingen veroorzaakt, die voor het lichaam en het leven van het lichaam in het algemeen van belang zijn.

Hier ligt dus duidelijk een scheidingslijn met de latere ervaring van het vlees.
Toch is de aphrodisia een object van morele zorg.

Er is vooreerst haar ‘inferieure’ karakter (wij menen nogal vlug dat hetgene ‘natuurlijk’ is, ook ‘edel’ zou zijn)
Dieren en mensen hebben immers deze lust, en ze gaat met veel leed en gemis gepaard.

Anderzijds is deze lust uiterst krachtig want ze moet voor nageslacht zorgen, voortzetting van de soort.
Zo brengen de wetten het bestaan van drie fundamentele begeerten ter sprake: voedsel, drank en voortplanting, en Socrates vroeg aan zijn gesprekspartner in De Staat of hij ‘een groter en heviger prikkelend genot kon noemen dan dat van de zinnelijke liefde.

En het is nu juist deze heftigheid van het genot met de aantrekkingskracht die het op de begeerte uitoefent die de seksuele activiteit ertoe aanzet de grenzen te overschrijden die de natuur had vastgesteld toen ze van de lust van de aphrodisia een inferieur, ondergeschikt en geconditioneerd genot maakte.

dyn002_original_509_381_jpeg_20344_cdd3fbb4b7ce83d3bd9f5ec633109d8d

Het is dus de dynamiek van de aphrodisia die voor het nodige onheil kan zorgen terwijl het bij de christelijke (en later ook verlichte) ethiek de morfologie is die de volle lading krijgt.

Bij de Grieken is het een kracht, een energeia die vanuit zichzelf tot buitensporigheid kan leiden.
Het morele probleem bij de Grieken is hoe deze kracht het hoofd geboden wordt en beheerst kan worden en hoe een behoorlijke besturing ervan kan gewaarborgd worden.

Vanuit die natuurlijkheid van dit krachtenspel wordt de aphrodisia dan ook in verband gebracht met met het voedsel en de morele problemen die dat kan opwerpen.

Deze koppeling van seksmoraal en tafelmoraal is een constant gegeven in de antieke cultuur.

Als de arts Eryximachus in het Symposium het woord neemt, eist hij voor zijn kunst de competentie op adviezen te verstrekken over de wijze waarop iemand van tafel- en bedgeneugten gebruik moet maken.
Volgens hem moeten juist de artsen zeggen hoe je genoegen aan een goede maaltijd kunt beleven zonder ziek te worden, en ook moeten ze degenen die de fysieke liefde – de pandemische (de vulgaire)- bedrijven, voorschrijven hoe ze kunnen genieten zonder dat er enige losbandigheid uit voortvloeit.

Nog een hint voor een thesis of doctoraal scripsie?
Onderzoek de lange geschiedenis van de betrekkingen tussen voedingsmoraal en seksuele moraal vanuit de doctrines, maar ook vanuit de godsdienstige riten of dieetregels.

Besluiten we dit hoofdstukje met Aristoteles:
‘In bepaalde mate geniet iedereen van voedsel, wijn en liefde, maar niet iedereen geniet zoals het behoort.’ (ouch hos dei)

Maar wie bepaalt wat hoort en niet hoort, en… op welke basis?
Daarover morgen meer.