25589805

Nog in augustuszon zo onbezorgd gevlogen
prikt u de minnaar in zijn kleurenkast
de schoonheid telkens weer bedrogen
heeft uw naam in steen gekrast.

In Flanders Fields de tuinen en ’t getoeter
dat het een vaderland was dat u als jongen at
en niet de wanhoop van een verre moeder
of een kind dat snel uw beeld vergat.

Uw honger naar de nieuwe tijd bekend
aan oude mannen in hun oorlogstooi
gooide u in ’t slijk en aan hun firmament
schitterde jouw jongensster als prooi.

In deze vlakten is geen plaats voor vredig slapen,
geen krans of heldensteen mag u bedekken.
Ook zal geen god de scherven van u samenrapen
slechts machteloze woorden proberen u te wekken.

En voetjes van al die ongeboren bleven, lopen
onder de leoniden sterrenregens naar u toe,
die door uw dood nooit naar buiten kropen
en willen dat ik even voor hen opendoe.

Zo scheur ik uit uw dood de niet-nakomelingen,
uw kinderen en zij die weer hun kinderen wilden zijn,
en daarvan weer de kinderen, en allen die ontspringen
maar zonder sprong stierven in uw levenslijn.

In Flanders Fields bevolken zij de nodeloze leegte,
de nooit gekusten, en zij die nooit zijn thuisgekomen.
Wie jou gedenkt, gedenkt meteen de uitgeveegden,
en droomt met hen de nooit gedroomde jongensdromen.