1813835Rfl

De eerste zin uit dit laatste hoofdstuk van ‘Het gebruik van de Lust’ zet dadelijk de toon:

‘Het gebruik van de lusten in de omgang met knapen was voor het Griekse denken een thema van bezorgdheid.’

Het is natuurlijk een handige zet de vraag die hierop volgt nog voor het antwoord is geschreven te horen, want Foucault geeft onmiddellijk de paradox toe.
Dit was toch een samenleving die ‘tolereerde’ wat wij ‘homoseksualiteit’ noemen.

Maar zowel het begrip ‘tolereren’ als het begrip ‘homoseksualiteit’ zijn hier waarschijnlijk niet op zijn plaats, zegt de auteur.

‘In feite is het begrip ‘homoseksualiteit’ heel weinig adequaat om een ervaring, waarderingsvormen en een indelingssysteem te omvatten die zo sterk van de onze verschillen.
De Grieken stelden de liefde voor het eigen en die voor het andere geslacht niet als twee onverenigbare keuzen en twee radicaal verschillende gedragstypen tegenover elkaar.

De scheidslijn viel niet met zo’n grens samen.
De tegenstelling tussen een gematigd man die zichzelf beheerste en iemand die zijn lusten botvierde was vanuit moreel gezichtspunt veel belangrijker dan het onderscheid tussen de categorieën van het genot waaraan zich iemand het liefst overgaf.

Kijken we naar Plato die het portret van de tirannieke man schildert, de man bij wie tiran ‘Minne’ zijn intrek heeft genomen.
Hij toont bij hem twee gelijkwaardige kanten die op dezelfde wijze getuigen van minachting voor de greep van het genot.

‘Laat hem eens verliefd worden op een courtisane, een nieuwe en alles behalve ‘noodzakelijke’ of verwante kennis, wat zal er dan van zijn moeder geworden, van die moeder die van ouds zijn vriendin was en die hem wel noodzakelijk en verwant was?

tegenoverkruis

fluitspelerOf laat hem in vuur en vlam geraken voor een bevallige jongeman, een pasgemaakte verovering, totaal overbodig en totaal vreemd, wat zal er dan geworden van zijn oude vader?

En om de onthouding van een man aan te tonen werd er omgekeerd op gewezen dat hij in staat was zowel van knapen als van vrouwen af te zien.

Biseksualiteit van de Grieken? vraagt Foucault zich af.

‘Als daarmee gezegd wil zijn dat een Griek gelijktijdig of beurtelings een knaap of een meisje kon beminnen, dat een gehuwd man zijn ‘paidika’ kon hebben en dat het gangbaar was dat men na gewoonlijk ‘jongensachtige’ jeugdvoorkeuren eerder een neiging voor vrouwen toonde, kunnen we heel goed zeggen dat ze ‘biseksueel’ waren.’

Maar als we dan letten op de wijze waarop ze over die dubbele praktijk nadachten, dan moeten we opmerken dat ze daarin niet twee soorten ‘begeerte’ herkenden, verschillende of concurrerende ‘driften’ die het hart van de man of zijn begeerte delen.

In feite kun je pas van ‘biseksualiteit’ spreken als we aan de vrije keuze denken die ze tussen beide seksen maakten, maar deze mogelijkheid had voor hen geen betrekking op een tweeledige, ambivalente en ‘biseksuele’ structuur van de begeerte.

Uitsluitend en alleen de door de natuur in het hart van de man genestelde begeerte naar hen die ‘mooi’ zijn, wat hun geslacht ook is, veroorzaakte dat iemand een man of een vrouw kon begeren.

In Pausanias rede vinden we inderdaad een theorie van de twee liefdes.
Een ervan, Urania, de hemelse, was uitsluitend voor knapen bestemd. (Plato, Symposium).
Maar er wordt geen onderscheid gemaakt tussen een heteroseksuele en een homoseksuele liefde, Pausanias trekt de scheidslijn tussen de ‘minne’ van het triviale deel van de mensheid -die zowel vrouwen als knapen tot object heeft- en enkele betrekking heeft op de daad zelf (to diaprattesthai) en lukraak plaatsvindt – en de oudere, meer verhevene en verstandige liefd die wordt opgevat voor wat van nature krachtiger is en meer verheven.
En, voegt Foucault er aan toe, hier kan het zonneklaar alleen om het mannelijke geslacht gaan.

Volgende week neem ik je mee naar het feest door Callias gegeven ter ere van de mooie Autolycos.