dyn002_original_408_544_jpeg_20344_adc773a607dd8902774f977086016cfb

Terug in het Oude Griekenland waar ons al dadelijk -althans volgens Foucault- een ‘blinde vlek’ wacht bij het bespreken van de knapenliefde.

Blinde vlekken hebben de eigenschap of in het verloop van de geschiedenis thuis te horen, of in het al dan niet vager gezichtsvermogen van de toekijkende, de historicus.

Gelukkig had ikzelf enkele dagen om de geciteerde teksten te raadplegen, zodat ik ze probeer te be- en tegenspreken vanuit de werkelijke en letterlijke ‘context’.

dyn002_original_480_326_jpeg_20344_f0d9e7a60e8777d81b6d04f7dddb3331

Het verhaal.
Het gaat over de rede ‘Tegen Timarchus’ van Aeschinus.
Daarin maakt de auteur gebruik van een wet die op zich heel interessant is omdat ze betrekking heeft op de burgerlijke en politieke afkeuring die het ‘slechte seksuele gedrag van de man’, beter gezegd ‘de prostitutie’ met zich mee kan brengen.

Wie van prositutie wordt verdacht of veroordeeld mag geen publieke ambten meer uitvoeren, zelfs kan hij zijn mening niet meer uitspreken bij de Raad of het volk, al was hij ‘de meest welbespraakte redenaar’.

Zoiets kun je inderdaad ‘openbaar eerverlies noemen’.

De manier echter waarop Aeschines zijn pleitrede houdt, door middel van de eigenlijk juridische discussie de goede naam van zijn tegenstander aan te tasten, laat -volgens Foucault- duidelijk zien dat er tussen bepaalde seksuele rollen van de knaap en bepaalde maatschappelijke en politieke rollen van de volwassenen een zowel ‘moreel’ als wettig onverenigbare relatie wordt vastgesteld.

Het gaat erom dat Timarchus slechte gedrag bevestigd wordt door roddels en getuigenissen die het hebben over het feit dat hij nogal wat partners heeft gehad -hij heeft zelfs met een man van slaven-afkomst geleefd-en ook als jongmens door nogal wat handen is gegaan.

dyn002_original_480_449_jpeg_20344_222d5882a7f74d1d5540fbc8d9ed4bcd

Het is dus onmogelijk te zeggen dat hij alleen maar door liaisons in zijn onderhoud voorzag (hetairekos) maar hij heeft zich geprostitueerd (peporneumenos) ‘want iemand die zich zonder onderscheid met iedereen en voor een beloning aan deze praktijken overlevert, moet zich voor deze misdaad verantwoorden, nietwaar?’

Foucault zegt dat deze beschuldiging ook inspeelt op ‘een moreel register’ want dat maakt het mogelijk het vergrijp vast te stellen maar ook de tegenstander algeheel en politiek in opspraak te brengen.

Aeschines speelt het heel slim want hij geeft openlijk toe dat hij de knapenliefde zelf ook heel graag deelt.
Maar hij beschrijft Timachus als een man die zich tijdens zijn jeugd zelf in een ondergeschikte en vernederende positie bracht en zich aan allen als lustobject toonde.
Hij wilde en zocht die rol, hij had er plezier en…profijt van.
Zo iemand zegt de aanklager kan nu niet zonder aanstoot te geven de rol spelen van iemand die in de polis superieur is aan anderen, hen vrienden geeft, bij hun beslissingen adviseert, hen leidt en vertegenwoordigt.

Het is voor de Atheners niet moeilijk te aanvaarden dat iemand die van knapen houdt hen kan regeren, of iemand die in zijn jeugd door een man is bemind die rol opneemt.
Maar – en die gedachte probeert Aeschines in de rede tegen Timachus aan te wakkeren- wij kunnen niet het gezag van een leider aanvaarden die zich vroeger met de rol van lustobject vereenzelvigde.

Blijkbaar was dit een exclusieve rol die de vrouw moest spelen, denk ik dan.
Want vervrouwelijkte lustobjecten waren meer dan eens het object van spot en satire in de blijspelen, denken we maar aan Aristophanes die niet verlegen zat om ze allerlei fraaie namen te geven.
Ik citeer even uit het rijk gedocumenteerde werk van Félix Buffière, La pédérastie dans la Grèce Antique, editons Les Belles Lettres, Paris 1980:

‘Ce sont les katapygônes, ceux qui se laissent enfoncer l’ épée “entre les fesses”; ce sont les kinoumenoi, ceux qui se font besogner et “secouer”; ce sont les euryproktoi, ou “derrièrres élargis”

De auteur merkt op dat ‘vertalers’ het moeilijk hadden met deze uitdrukkingen, ik laat het dus aan hen over ze te vernederlandsen.

dyn002_original_393_701_jpeg_20344_14808d8180124cdf4c270426f285af1a

Foucault brengt deze gevoelens over op de verschillende seksuele rollen die in het Oude Griekenland gangbaar waren.
Had de man zijn pleziertjes, de knaap kon maar een korte tijd ‘lustobject’ zijn.

‘Maar als de knaap vanwege zijn eigen bekoring heel goed een prooi voor mannen kan zijn, die ze najagen zonder dat dit aanstoot of problemen geeft, moet hij niet vergeten dat er een dag komt dat hij man moet zijn, macht uitoefenen en verantwoordelijke posities bekleden, en uiteraard niet langer lustobject kan zijn: in hoeverre kan hij een lustobject zijn geweest?’

Foucault wil dit de ‘antinomie van de knaap’ noemen, het patroon waarin de jongeman enerzijds als lustobject wordt erkend, maar anderzijds is het onaanvaardbaar voor de knaap zich in deze relatie, die steeds als een overheersingsvorm wordt gedacht, als object te erkennen; wil hij een man worden dan mag hij zich niet met deze rol vereenzelvigen.

 

Het is niet uitzonderlijk de bewering aan te treffen, schrijft Foucault, dat de relatie tussen twee mannen, of meer in het algemeen tussen twee individuen van hetzelfde geslacht ‘para phusin’ buiten-natuurlijk wordt genoemd, omdat ze één van de twee partners zou vervrouwelijken.

dyn002_original_451_338_jpeg_20344_8dab92265f6bb50f516d962eae412581

Enkele kanttekeningen dus daaromtrent.
Dat vervrouwelijken sloot aan bij de minieme rol die vrouwen in het staatsapparaat speelden, namelijk geen.
We zouden dus teksten moeten opzoeken waarin de mening over de erotische liefde voor vrouwen wordt duidelijk gemaakt, maar die zijn zeer uitzonderlijk.
De onderwaardering voor de ‘invertis’ zoals Buffière ze noemt, de spot, het laken van hun verfijnd uiterlijk, het sluit aan bij het misprijzen voor de vrouw in het algemeen, een mening die men zeldzaam verdedigd ziet tenzij in de belachelijke stelling dat de Grieken een zekere ‘angst’ voor vrouwen zouden hebben, vandaar hun belangstelling voor de mooie jongens.

De jongensliefde die langs Ioniërs en Doriërs met hun cultuur het groot Griekse archipel binnenkwam was een cultureel aanvaarde erfenis zoals de onbelangrijke politeke rol van de vrouw.
Je vindt dergelijke afkeer nog terug als jongens wordt verweten dat ze net een meisje zijn bij het tonen van emoties of het kiezen van kledij.
Dat zit diep in de mannenaard blijkbaar.

Daar kon je dus ook (politieke) tegenstanders mee te lijf gaan zoals Aeschines in zijn rede tegen Timarchus doet.
Stel iemand voor als verwijfd, als hoer (als mannen boos worden ligt die term ook al vlug in mond!) als kindervriendje, en vul zelf maar aan.
Daar waar je jezelf in herkent, val je vaak de anderen mee aan natuurlijk.

Morgen meer.