DE GROOTNEVEN MICHAEL EN ELIAS

 

dyn004_original_321_492_jpeg_20344_29aa37401bc88732fcd8eb766f508bf1

De grootneven Friedmanns, Michael en Elias, waren in alle omstandigheden elkanders tegengestelde, al beweerde Isaak Friedmann, zelfs na het drinken van enkele glaasjes, dat zij beiden dezelfde vader hadden terwijl de moederlijke afkomst onomstotelijk buiten elke discussie stond gezien de deugd en de teruggetrokken levenswandel van Carolina Leewin (ondanks de naam).

Zoals Michael als kleine jongen hier tegen de muur is geplakt, blijkbaar bang om één stapje vooruit te zetten, zo was Elias, aan hieronder, mandoline losjes in de hand, een veroveraar die door alle muren heen zou lopen.

dyn004_original_364_565_jpeg_20344_62b29d9089281f420417394d357657b3

Wat fotograaf Oscar Svargs ook probeerde om de schuwe Michael tot enige ontspanning te bewegen, (hij moest zijn specialiteit ‘kinderportretten’ verdedigen!) het beeld werd tenslotte met een sierlijke auto aangevuld om enige mobiliteit te suggereren.

Aan de andere kant zijn we bij Elias aan de tweede vaas op het plantenverhoogje, nadat de eerste roemloos sneuvelde bij een zwaai met de mandoline en enkele seconden na deze foto hij zichzelf op het verhoogje wilde wurmen om daar dan luid ‘de avondklokken’ te vertolken, van eigen schunnige woorden voorzien.

Misschien juist door hun verschillend temperament konden beide broers het goed met elkaar vinden.
Wie een verkeerd woord of dreigende vinger naar Michael richtte, kon rekenen op een stevige repliek, al dan niet met handgemeen, van de vier jaar oudere Elias.

Denk echter niet dat Michael een slomerdje was, een kind waarvoor de wereld enkele maten te groot werd geschapen, zoals grootoom Georg dat zo mooi uitdrukte: leven in een te grote broek, daarmee kom je geen stap vooruit.

Michael was een observator.
Wat hij aan kracht en zwier mankeerde maakte hij ruimschoots goed door zijn observatie.
Als Elias te keer ging tegen zijn belagers dan zei hij zachtjes: je moet die grote stille op zijn neus slaan, Elias, dat is de plannenmaker.
En dan deed Elias dat, waarop de bende binnen enkele seconden afdroop.

dyn006_original_524_406_jpeg__98258053486a243960d3c756b30904be

Hier zijn we vele jaren verder.
Een bont gezelschap voor een vliegtuigje.
Je herkent de piloten aan hun stofbril en lederen kapjes.
De eerste van links is Michael, de stille, met zijn eeuwige vriend Markus, bijgenaamd ‘de ronde’.
Moet ik je laten raden wie Elias is?
Inderdaad.
De uitgedoste Romeinse soldaat, dat is Elias.
Uiterst links Wulf Schmul, de eigenaar van het vliegtuig.

Schmul had beide broers voor zijn luchtshow ingehuurd.
De stille en de ronde navigeerden, en Elias ging dan op de vleugels staan en probeerde de massa te vermaken met Romeinse acrobatieën, de mantel omhoog flapperend, de grote rode pofbroek (een deel van een Bourgondisch pagekostuum) ontlokte net zo veel gilletjes als zijn halsbrekende toeren.

Toen de Duitsers binnenvielen, konden ze Schmul overhalen om met vliegtuigje te ontsnappen voor het zou worden opgeëist.
De dikke was intussen met de Germannse rondbuikigen gaan verbroederen en had een postje op de Duitse ambassade gekregen waar hij met talent en verve ernstig spionagewerk verrichtte en de ontsnappers aan kaarten hielp.

Vooraan dus de stille Michaël, achteraan Schmul, en op de vleugel -nog steeds als Romein gekleed- Elias, stevig vastgemaakt voor de oversteek.
Enkele weken voor de Russen de Duitsers aflosten (ze noemden het ‘bevrijden’) vertrokken ze in de vroege morgenuren.

Sinds die dagen hadden we ook in Engeland familie wonen.


KLEINE TANTE MARIE-ANGèLE

 

dyn002_original_336_544_jpeg_20344_10d4238a97c40e8ab798fa6b145e85db

Kleine tante Marie-Angèle heb ik nooit gekend.
Ze is lang voor mijn geboorte gestorven.
TBC.

Op een van de weinige foto’s die ik van haar heb zie je haar op haar ziekbed. Op de achterkant van de foto lees ik in haar handschrift:

‘Gent 1914-1918. Gedatenis van mijn 3 1/2 jaar verblijf te Gend op mijn bed.
Marie-Angèle.’

Ik zocht haar foto in een van de schoendozen vaak op als ik zelf ziek was, of teneergeslagen.
Alleen dus.
In mijn gedachten was ze een beeldje geworden zoals het mooie marmeren beeldje van Colton, hieronder.

dyn010_original_307_538_jpeg_20344_8d3a87bb1317adec0346b908de097edb

Ze zat daar met haar eveneens vroeg gestorven broertje.
Ze keken naar ons daar beneden.
Vooral dat kleine broertje was erg nieuwsgierig.
Marie Angèle houdt hem moederlijk vast, wil niet dat hij uit de hemel zou vallen.

Dat bijna tienjarige meisje op haar bedje, mijn kleine tante.
Mijn moeder vertelde mij dat ze haar hele leven een ijzeren corset droeg.
Iets met de longen.

Voor ze een beeldje werd, lag ze met haar poppen in dat sanatoriumbed terwijl buiten de grote oorlog woedde.
Mijn grootvader kwam onder één van de Luikse forten terecht en lag ergens in Duitsland te herstellen terwijl de kleine tante in Gent op genezing hoopte.

Hun kleine oorlog.

Ze was een kleine heilige, zei mijn moeder.
Kleine heiligen doen het goed bij de mensen: heilig Hermanneke uit Wijnegem, Dominiek Savio, Maria Goretti, hoe ze ook geleden hadden of in bekoring waren gebracht, God had ze zo lief dat hij hen van de aarde plukte en ze voor altijd bij hem mochten zijn.

dyn007_original_581_350_jpeg__c3005e78cc6206108866f1d3f1d20700

Ik vond Marie Angèle er niet zo heilig uitzien.
Ik vond haar mooi.
Heel kwetsbaar.
Ik was iets jonger dan zij.
Ik wilde graag bij haar en haar poppen liggen.
In een groot bed.
Een bed dat midden op de velden stond,
of in een geheimzinnig bos.

Haar broertje lag tussen ons in.
En aan elke kant van ons een pop.

Wie de eerste ster zag, kreeg een kusje.
Natuurlijk zag Marie Angèle de eerste ster.
Venus.
De avondster.

We gaven haar een kusje.
Voorzichtig.
Dat ijzeren corset, weet je wel.

Mijn kleine tante sliep vlug.
Haar broertje met zijn hoofdje tegen haar schouder.

Elke pop van vroeger dagen heb ik lang Marie Angèle genoemd.


DE POPPENKOPPEN VAN GROOTOOM GEORG

dyn006_original_480_380_jpeg_20344_5f35c9c26750acf2e3bd1d080f5ff0b5

Deze foto, gemaakt door een onbekend familielid met veel fotografisch talent neemt je mee naar de poppenmakerij van oom Georg.
Ik kreeg de foto via familie van zijn zoon Stephan.
Je ziet hem op de achtergrond bezig.
Hij is daar nog een jongen, mijn oom Stephan.
Met zijn lange schort en zijn geconcentreerd bezigzijn, lijkt hij ouder dan zijn toenmalige twaalf, dertien jaar.

Op de voorgrond plaatst Georg poppen-ogen op de steeltjes van het evenwichtsmechanisme waarmee de pop kon slapen en wakker worden als je haar optilde.

Daarachter zijn oudste zoon Alex en grootooms broer Albert.

In Waltershausen werkte vrijwel iedereen in de poppenbranche.
Je had huisgezinnen, van kleuter tot opa, die niets anders dan armpjes maakten, anderen zorgden voor benen, pruiken, verschillende types body’s, kortom, er was geen huis waar niet voor de wel dertig poppenproducenten werd gewerkt.

Georg was specialist poppenhoofden voor J.D. Kestner Spielwarenfabrik, en voor Adolf Wislizenus Puppen- Spielwarenfabrik, al naar gelang het seizoen en de aan gang zijnde ruzies omtrent de povere prijs voor het geleverde werk.

dyn002_original_307_409_jpeg_20344_6d76308100b6ff00d7de7afa897c97df

Albert neuriede terwijl hij werkte, Georg vloekte en Stephan en Alex zwegen meestal.
Als Georg overwerkte en hij alleen in het atelier met de poppenkoppen bezig was, voerde hij wel eens gesprekken met de wezens van celluloid of porselein.

Dat zij naar sjieke huizen gingen, ze zouden hun ogen uit hun kop kijken -hij liet de ogen op stelltjes het donkere atelier in ‘ogenschouw’ nemen.
Ja, hier was het niet zo sjiek. Neen.
‘Vier Augen sehen mehr als zwei!’
En terwijl hij op de bak met ogen wees:
‘Wer einkauft hat hundert Augen nötig, wer verkauft, nur eins!’
Uitspraak die gevolgd werd door de nodige verwensingen aan het adres van de Kestners en de Wislizenussen.

Stephan droomde.
Hij had bij J.D. Kestner horen vertellen over de beroemde Armand Marseille.
Was met zijn familie ook uit Sint Petersburg naar Duitsland gekomen en had in het nabije Koppeldorf met zijn biscuit-poppen fortuin gemaakt.
En zeggen dat ze daar duizend koppen per dag maken.

‘Heute Kaufmann, morgen Bettelmann,’ zei Alex terwijl hij aan Maria dacht.
Stephan bleef dromen.
Ook toen grootoom Albert problemen kreeg, -hij zag ogen tot in zijn dromen- bleef Stephan dromen.

dyn009_original_307_459_jpeg__ec5a832aca0db32847f6dcd571bd3dda

‘Waarom hebben jullie poppenogen?’ zei Albert op een morgen. ‘Jullie willen mij bang maken.’
‘Poppenogen?’
‘Ik dacht dat nummer zes de grootsten waren, ging Albert verder, maar jullie hebben twaalf of veertien in jullie oogkassen zitten.’

dyn001_original_437_237_jpeg__cd930da3bc2b30c09d35c6168243e9de

Ze dachten eerst dat hij een grapje maakte, maar hij bleef hen verschrikt aankijken.
‘Twaalf of veertien, zeg ik.’

Ze susten hem, namen hem mee naar zijn slaapkamertje.
Het zou wel overgaan.
Maar het ging niet over.
De ogen bevolkten de gordijnen, verschenen op de muren, en als er iemand binnenkwam draaide hij zich weg om de reuzen-ogen nummer veertien niet te moeten zien.

Iedereen werkte harder.
De dokter zei dat het de ouderdom was.

Stephan knutselde ’s nachts twee reusachtige ogen op stelen ineen.
Niemand begreep waarom.
De volgende dag knoopte hij een sjaal over zijn eigen ogen, en ging met de geknutselde ogen achter zijn rug bij Albert binnen.

dyn009_original_364_243_jpeg__52cc67bd2f74967a250ad7644d0c8913

‘Niet bang zijn, oom. Ik ben het, Stephan.’
‘Te grote ogen, nummer veertien,’ hoorde hij Albert mummelen, gezicht tegen de muur.
‘Kijk maar, ik heb een blinddoek voor mijn ogen.’
Het duurde even, maar toen draaide Albert zijn gezicht.
‘En mijn nummer veertien zal ik hier kapot trappen!’
Nog voor de verschrikte Albert zich weer kon omdraaien trapte hij de grote geknutselde ogen in duizend stukjes.
Toen zette hij zich op Alberts bed, blinddoek nog steeds over zijn jongensogen.
‘Maak hem maar los, ik heb mijn vroegere ogen terug ingedaan,’ zei de jongen.
Met bevende handen maakte Albert de blinddoek los.
‘Zie je wel.’
Hij knikte.
‘Je mooie ogen zijn terug,’ zei hij.
Hij bleef Stephans hand vasthouden tot hij sliep.

De mooie ogen van mijn oom Stephan, met hun genezende kracht.
Of ze ook de Russische winternacht genazen in 1942, weet ik niet.
Hij lag daar op zijn rug in de sneeuw.
Met die mooie ogen ver open.


NA DE POSTSTAKING

telegrambestellers

Lieve vriendin,

Nu de postbestellers weer het werk hebben opgenomen
is de winkel met in- en uitgaande pakjes gevuld.

De enen moeten buiten,
de anderen bekeken, gefotografeerd
en weldra zichtbaar gemaakt
voor de wereld.

Het verhaal van grootoom Georg en de poppenmakerij
probeer ik je morgen te vertellen.

Het kleine popje was erg in haar nopjes met je lovende woorden.
We hebben gisteren haar dierenziekenhuis aangevuld.

En haar baby borns
zaten met zijn allen in de zetel
toen ik vandaag de dag begon
en zij alweer naar school was.

Voor later, weet je wel.
Grootoom Georg zou zich hoofdschuddend
over de poppenkoppen hebben gebogen.

Vroeger,
dat was zijn woord.
Vroeger.


GULLIVER IN ‘DE WERELD’: HET PERSPECTIEF

 

dyn001_original_466_340_jpeg_20344_7d58792e87121b62dbbc36fe0c410037

Tussen deze twee werken van Evans (zie eergisteren) steek ik voorzichtig mijn hoofd buiten.
Tussen ‘de wereld’ en ‘Gulliver’.

Die ‘voorzichtigheid’ leren we onszelf aan.
Wie vele malen een bloempot met inhoud op zijn hoofd krijgt eens hij het heeft buitengestoken, kent die reflex.

dyn001_original_379_261_jpeg_20344_da7e99945a12d4bf7c811163c20ec313

Een van de oplossingen is dan op de hoogste verdieping gaan wonen.
Bij gebrek aan lift, kost je dat nogal wat inspanning als je je in ‘de wereld’ gaat begeven, of van ‘de wereld’ terugkomt, tenzij je het idee creëert dat je ‘Gulliver’ bent en door die blikverschuivng (je woont nu eenmaal hoog) er zekerder van wordt dat de anderen lilliputters zijn.

In perspectief gezet brengt zoiets aardige beelden op: bijvoorbeeld een lege wereld omdat alle lilliputters de hoogste verdiepingen hebben bezet en wij bij het buitenkijken dezelfde hoofden als het onze zien.
Op dezelfde hoogte.
Met dezelfde pleinvrees.

dyn008_original_451_301_jpeg__f1b116469c01503e935da6ba918d6098

De ontdekking van ‘het perspectief’ bracht de nodige diepte aan in het beeld.
Ook in het wereldbeeld.

Belangrijker dan de ontdekking dat de wereld rond is (je komt altijd weer bij diezelfde vervelende ‘jezelf’ uit) ontdek je -met schade en schande- dat de gelaagdheid der dingen en wezens het versimpelde levensbeeld dat ons wordt aangepraat, vernietigt of minstens voor de nodige vraagtekens en twijfels zet.

dyn009_original_364_310_jpeg__fc4bfc85bf1ea47391671257d7e138e0

Ook de reddingsplannen blijken niet te werken.
Escape wil zeggen: ontken jezelf.
Jij bent het niet geweest.
Het waren de anderen.
Het was de tijd waarin je leefde.
De opvoeding die je (niet) kreeg.

Redding beduidt dan:
Je als ‘slachtoffer’ voordoen, het makkelijke kruipkruid van zelfmedelijden woekert zo hevig dat het elke rede en gelaagdheid versmacht.
‘Wacharme en was ik uutgekropen’ om slak en Gezelle te citeren.

Het is een perspectief dat mij elke morgen overvalt:
De camera op grondhoogte.
Ik de lilliputter moet mezelf overtuigen dat de groeipijnen niet aan mij besteed zijn.
De overmoed echter van de late avonden (en laat de drank dan rijkelijk gevloeid hebben) lanceerde de camera naar het hoogste vogelperspectief zodat de wormen aan onze voeten smeken om vertrapt te worden terwijl Icarus achter de nevelen van cafépraat verdwijnt.

Dan toch maar weer eens de hoofdpijn verdragen.
Van de bloempot op mijn kop.

Het kan ons troosten als je denkt dat die bloempot misschien wel als decoratie of uit vriendschap was bedoeld.


DE SCHILDER-SCHRIJVER EN DE KINDERKAMER

Ze was een meisje van elf toen.
Ze woonde naast de rijschool.
Ze herinnert zich het huis van nazi sergeant Felix Landau.
Ze moest er soms babysitten.
De kinderen waren twee en vier jaar.
Het jaar 1941.

Landau wandelde altijd rond met een zweepje in de ene hand en een pistool in de andere.
Ik speelde met de kinderen in de tuin.
Daarna bracht ik ze naar de kinderkamer.
Daar zag ik de wandschilderingen die hij had gemaakt.

Hij, Bruno Schultz, wel eens de Poolse Kafka genaamd wegens zijn afkeer van burocratie en gezag.
Hier zit hij in 1934 met een poging tot glimlach op de trappen.
We zijn in Oost Gallicië, het stadje Drohobych.
Dat was toen Pools, nu in Oekraïne gelegen.

In 1941 bezetten de nazi’ s de stad, dreven 900 joden samen en schoten ze neer.
De anderen kregen dwangarbeid opgelegd vooraleer ze vermoord werden.
Schultz, een ziekelijk en getalenteerd man werd door gestapo sergeant Felix Landau voor de executies terzijde gezet.
Hij kreeg de opdracht de rijschool te decoreren.
En de kinderkamer in het huis van de sergeant.

De wandschilderingen werden in 2001 ontdekt door een documentaire filmmaker.
Ze hangen nu voor lange tijd in het Yad Vashem Holocaust museum in Jerusalem.
‘Wall Painting Under Coercion’

Ik denk aan de oude Romeinse fresco’s als ik ze bekijk.
Beneden hoor je de kleine kinderen in de tuin.

Schrijvers als Cynthia Ozick, Philip Roth en David Grossman hebben hem als personage in hun werk gebruikt.

dyn005_original_600_457_jpeg__c9fc1d7257778ef6a006e0b45ae3b714

Hier heeft hij zichzelf geschilderd.
Als menner.
Als je weet dat Joden geen voertuig mochten besturen of mennen, begrijp je zijn zelfportret.

Een ultiem verzet.
Maar ook Sneeuwwitje, Assepoester, de zeven dwergen, Hansje en Grietje hebben gezichten van bestaande mensen.
Hijzelf, zijn vader en andere mensen uit het Joodse stadje Drohobych.

Ook de heks is hijzelf, misschien een allusie op de heksenjacht in 1941?

dyn002_original_307_378_jpeg__f3ffa464b796e3dfe0e62bc3685e8de0

Voor meer dan een jaar kon Landau hem behoeden door hem onderhoudswerk te geven.
Schultz had al een reputatie als verhalenschrijver en kon zelfs aan valse Arische papieren geraken, klaar om te ontsnappen.

In november 1942 kwam er een andere gestapo sergeant, Karl Günther, boos bij Landau binnengevallen.
Landau zou zijn Joodse tandarts hebben omgebracht.
Hij schoot Bruno Schultz als wraak door het hoofd.
‘Jij hebt mijn Jood gedood, wel ik nu de jouwe

dyn009_original_600_267_jpeg__60e0d78cfd95ae6ae89dbbd35e06c977

Bruno Schultz was net 50 en vrijgezel.
En al had hij maar een handvol werk gepubliceerd toch werd hij in de Poolse literatuur een briljant auteur genoemd.
Niemand minder dan Isaac Singer zei: Wat hij in zijn kort leven schreef was voldoende om hem als een van de meest markante ooit levende auteurs te beschouwen.

“My colored pencils rushed in inspiration across columns of illegible text in masterly squiggles, in breakneck zigzags that knotted themselves suddenly into anagrams of vision, into enigmas of bright revelation, and then dissolved into empty, shiny flashes of lightning, following imaginary tracks.”

Om een voorbeeld van zijn prachtige zinnen te citeren zoals de NY Times deze uit het Pools vertaalde.

In een van zijn verhalen heet het hoofdpersonage ‘Bruno’.
Hij ontsnapt uit een ghetto en springt in een rivier waar hij een school zalmen zal gezelschap houden.

Tegen de stroom op zwemmen dus.


ET IN ARCADIA EGO

eenzaam

Beste Vriendin,

Vaak zoek ik naar een begeleidend kunstenaar om niet in het illustratieve te vervallen wanneer ik een kleine periode van ervaringen wil beschrijven.
Het zou net zo goed muziek kunnen zijn, maar sinds enige tijd heerst er een zekere doofheid voor dit medium in mijn innerlijk oor en hou ik het bij tekeningen en schilderijen, het beeldende dus.

Het werk van de Engelsman Simon Evans (1972-) die in Berlijn woont en werkt leek me vandaag uitstekend geschikt om de voorbije dagen te begeleiden.

Voor mensen met depressieve neigingen zijn de Ardennen in deze tijd van het jaar niet aan te raden.
Staat hier te lande de natuur al zo’n 30-50 dagen achter in vergelijking met vorig jaar, dan doen ze daar in de Ardennen nog graag een dertigtal dagen bij, te zien aan de resterende kerstversieringen die boven de donkere dorpen zijn achtergelaten, bungelend aan één draad zodat je elk ogenblik door een vallende ster kunt geraakt worden.

Neem daarbij een huis waar een ijverige Waalse ambachtsman de hele inboedel van een door het water geschonden beneden-kamer boven in de living heeft neergeploft terwijl het buiten motregent en de mist niet voor 2010 zal optrekken, en je hebt een perfect beeld van onze aankomst in dat illustere gebied

Maar je kent de geliefde.
Hoe ze eerst met haar kennersblik het slagveld overschouwt en dan met een begrijpende hoofdknik aan het werk slaat zodat na een uurtje de uitdragerij in een bewoonbaar pand is omgetoverd, inclusief lichtpuntjes en knusse hoeken.

dyn003_original_321_480_jpeg__d2209402c5f55ec986c8b1f8ca63365d

Het kleinkind is van dezelfde soort maar in de omgekeerde richting.
Haar bijna negenjarig hoofdje vol initiatieven kan van een opgeruimde bovenverdieping in enkele uren een ware uitdragerij maken.
Terwijl dus de eetplaats bewoonbaar werd ontstond op de halve bovenverdieping Alice in wonderland, een rijk waarin poppen en knutselmaterialen, knuffels en spellen de ruimte vulden.

dyn003_original_350_467_jpeg__de7be9060f2fe5b38613a65eac042360

Dat werd de volgende dag aangevuld met een dierenziekenhuis en aanverwante auto (met lof voor Playmobil) en een schrift waarin gedichten zouden komen want schriften hebben (buiten de school) een bijna magische aantrekking, een magie waartegen ik mezelf ook nog steeds moet verweren.
Diezelfde avond echter kregen we een eerste voorlezing uit eigen werk.
Ik heb haar schrift hier voor mij liggen terwijl de schrijfster deze morgen zuchtend naar school is getrokken.

ik vraag veel met mijn verjaardagen
maar toen ik 100 werd
hat ik 5000 dingen
maar toen ik 1000 werd
hat ik 50000 dingen
maar als ik ontelbaar werd
dan kreeg ik niets omdat ik ales hat

elk jaar kreeg ik normaal iets
maar ik gaf ales weg
ik hat aleen nog herinneringen.

Ik heb de oorspronkelijke spelling bewaard want die hoort bij haar wereldbeeld.
Het oranje schrift is intussen aardig gevuld geraakt.

dyn003_original_480_345_jpeg__3b12f4e1cf4f1e1dd763edb2edfd4d28

De laatste avond vond ze in huis een drietal lieve-heer-beestjes.
Die werden in een potje gezet met doorprikt papiertje afgedekt om ze ’s morgens, als het enigzins opgewarmd was, in de vrije natuur los te laten want binnen wachtte de beestjes een zekere hongerdood.

dyn003_original_480_338_jpeg__ef40229907df1ac98bc4d351f99d6275

Na het ontbijt stapte ze naar buiten en voor ze de diertjes de vrijheid gaf, las ze eerst uit haar schrift nog een afscheidsgedicht voor:

ik ga juli een voor een misen
roodstipje en zwart stipje
en tensloten ardka
samen hebben jullie
een klup opgestart
deen akrobate toere
de ene een googelaar
en de andere die eet maar

hier is het het beeter voor juli
vaarwel

Daarna werden ze vrij gelaten terwijl wij achter het keukenraam verbaasd en ten zeerste ontroerd toekeken.
De zon verscheen.
Tijd dus om terug te keren.

Naar de wereld.

En in haar schrift lees ik nog haar commentaar op mij toen ik haar tijdens de terugreis niet dadelijk begreep.
‘Opi je bent blind aan je oren’.

Inderdaad.