cinema paradiso (270)

827_8015d0d4b85e77bf3c7ed70bf73efc33

We werden met zijn allen de kleine dorpscinema in gedreven.
Waarom de uiterst katholieke onderwijsinstelling ons aan Hollywood prijsgaf, laat zich raden.
“De tien geboden”.
Dit kon niet anders dan een stichtelijke film zijn, geen seksscènes van betekenis en de laag uitgesneden kledij van de Egyptische adellijke meiden werd ruimschoots door de bebaarde en behaarde Heston goed gemaakt.

Wel kwam er een mevrouw van de cinemazaal om het half uur met een vreselijke deodorant langs om de prepuber “uitlatingen” enigszins te maskeren.
Net als de snijbrander toeslaat en Jaweh’s wil in rotsen brandt, klonk het psst-psst en verspreidde zich een wazige toiletgeur die tot lang na de vernietiging van het gouden kalf bleef hangen.

In deze oksellauwte bereikten ze het Beloofde Land en moest Heston op de rots zijn laatste uren afwachten.
Hij had aan god getwijfeld, dus buitenblijven was de boodschap, ook al had hij meer dan zijn best gedaan om veertig jaar lang dat zootje van de afgoden weg te houden en van manna en goede raad te voorzien, het mocht niet baten, hij kwam er niet in.
Ik zat klaar om ahoe te roepen, maar de psst-psst van de spuitbus deodorant was mij voor.

Natuurlijk hadden we onder elkaar de film lang bediscussieerd, vooral de visuele stunts erin probeerden we te ontmaskeren nog voor we ze te zien kregen, we waren tenslotte 13-14 jaar.
De doortocht door de rode zee liet dan ook alle jongenshoofden schuin links en schuin rechts gaan, zodat we de stroken apart gemonteerde zee duidelijk konden onderscheiden.

Maar Yul Brynner bleef in mijn hart als farao, later als tsaar in Anastasia en als onvergetelijke Chris in the Magnificent Seven, om van Taras Bulba nog te zwijgen.
Hij had niets te maskeren, geen snor, baard, zijn kaal imposant hoofd met de prachtige brandende ogen bleven mij bij.
En toen hij het ontzielde lichaam van zijn eerst geborene in de armen van het reusachtige horusbeeld legde, ging er een rilling door mijn ziel die tot op de dag van vandaag is blijven narimpelen.

Ik heb in 1985, het jaar van Brynners dood, vergeefs gewacht op de heruitzending van het betreffende fragment maar moest het met een jolig stuk van “the King and I” doen.
Nu tegen luttele euro’s of dollars de DVD beschikbaar is, aarzel ik.
Natuurlijk zullen we de trucs van 1956 doorzien en erom glimlachen, natuurlijk denken we nu dat acteren een soort gemummel moet zijn dat borg staat voor natuurlijkheid, de halve wereld mummelt, of erger nog, zwijgt.

De beelden in mijn hoofd zijn boven de cinematrucs uitgestegen. Daar is en blijft hij de farao, de machtige.
Al was hij “de slechte”, hij kon op mijn sympathie rekenen en de bestraffing van zijn onverzettelijkheid bleef zo buiten proportie dat hij voor een eerste geloofscrisis zorgde.
De God die het op al die zonen had gemunt tot op de koppelriemen van de Duitse soortgenoten toe, duldde geen tegenspraak.

En wie de naam liefde in de mond neemt zal op veel tegenspraak moeten rekenen.
Zijn Zoon kon ervan meespreken.