de nieuwe wereld (304)

326_a2574ecf590361244dc37348fa61772a

Een metalen stoel tussen de buien door in het Luxembourg was mijn nederige zitplaats om je “La bulle de Tiepolo” te lezen en zelfs te herlezen, maar dat dan in de avonduren in de beslotenheid van de Place de Vosges.

Franse auteurs en ook al enkele Nederlandstalige openen vaak hun boek of hoofdstuk met een uitvoerig citaat van een kunstbroeder.
Philippe Delerm gebruikt Proust in zijn observaties in “Nouveaux Mélanges” en heeft het…over de schilder Chardin.

Si tout cela vous semble maintenant beau à voir, c’ est que Chardin l’ a trouvé beau a peindre.
Et il l’ a trouvé beau à peindre parce qu’il le trouvait beau à voir.
Le plaisir que vous donne sa peinture d’ une chambre, où l’on coud, d’une office, d’une cuisine, d’un buffet, c ‘est, saisi au passage, dégagé de l’instant, approfondi, éternisé, le plaisir que lui donnait la vue d’un buffet, d’une cuisine, d’une chambre, où l’on coud.
Ils sont si inséparables l’un de la’ autre, que, s’il n’ a pas pu s’ en tenir au premier et qu’il a voulu se donner et donner aux autres le second, vous ne pourrez pas vous en tenir au second et vous reviendrez forcément au premier.”

Ogenblik en eeuwigheid, niet als elkaars tegengestelde, maar naar elkaar verwijzend, wat je dus “eterniseert” vereeuwigt verwijst telkens weer naar dat ogenblik op zichzelf.

En daar valt het mooie werkje van Delerm samen met de sfeer van Prousts betrachting en van Tiepolo’s tekeningen en fresco’ s.
Misschien is er niet meer dan een ogenblik, een “pas perdue”, en het feit dat je die vastlegt met een medium doet niets af van het plezier van het ogenblik zelf.

Deze vrij simpele gedachte is niet zo eenvoudig.
Wij willen vast-houden, onze digitale apparaatjes en mobieltjes proberen beelden van een ogenblik vast te houden om ze in een verzameling van herinneringen te plaatsen, om niet te vergeten.
Maar door dat vasthouden, doden we ze.
We ontdoen ze van hun ogenblik-waarde, we stollen 1/60ste seconde van de voorbije tijd tot een nauwkeurig nooit gezien beeld want wij ervaren de tijd nu eenmaal niet in onderdelen van zestigste of honderdste van seconden.

De kunstenaar probeert door zijn standpunt, zijn gezichtspunt, zijn verhouding tot dat ogenblik ze ook te vereeuwigen, maar hij poogt het intense van dat ogenblik niet aan te tasten door een stollend beeld maar door een beeld waarin het bloed blijft stromen, elk moment dat een toeschouwer het bekijkt, leest of beluistert.
De mooie contradictie: de tijd stoppen om hem des te intenser voor de geest te kunnen roepen.

Dat Philippe Delerm door het fresco van “de nieuwe wereld” is aangesproken heeft zeker te maken met diezelfde ervaring.
Die nieuwe wereld komt in Domenico’ s leven ook niet uit de lucht vallen.
Na hun terugkeer uit Spanje begint hij in hun buitenhuis aan een serie fresco’s en één ervan draagt de datum 1771. Dat is de tijd waarin hij voor zijn laatste Spaanse opdracht, “de Passie van Christus” voor het klooster van San Felipe Neri in Madrid, wordt geëngageerd.
In mijn vorige brieven heb ik geopperd dat ze in Spanje zeker de jonge Goya hebben ontmoet en zijn schetsen over het dagelijkse leven staan mijlenver van de goden en heiligen die papa Tiepolo een leven lang in het plaasteren zwerk heeft gejaagd.
De taferelen op de fresco’s bieden ruimte aan saters en ander aards plezier. Dat had zijn pa hem wel eens voorgedaan in “de familie van saters” en in 1757 was een eerste volume gepubliceerd van “Antichita di Ercolano esposte”, een collectie van vondsten in Herculaneum.

Maar bij Domenico zijn de saters en hun verwanten bijna op mensen uit zijn dagelijkse omgeving gemodelleerd, de jongens die buitelingen maken, boeren op het feest van de druivenoogst, de dorpelingen in een plaatselijk café.
Je voelt de tweesprong: de mythologie van de barok en rococo zal ingewisseld worden voor het neoclassicisme, de schommel met harlekijnen die jij eergisteren doorstuurde vervangt de goden en engelen op de zolderingen.
Het landleven in Veneto wordt nog met mythologische figuren verbeeld, maar het is wel een herkenbaar landleven uit die tijd en niet een Arcadia waarin de dromen in utopische decors verloren lopen.

En dan springen we twintig jaar verder als hij in 1791 (het jaar van de val van Venetië trouwens!) verder werkt aan de fresco’s en in Valmarana het gasten verblijf decoreert met zijn wonderlijke wezens.
Die nieuwe wereld was trouwens een bekend verschijnsel, zij het dan niet bij onze goede schrijver Delerm.
Verschillende kunstenaars hebben haar afgebeeld: Gaetano Zompini, Stefano della Bella, Magnasco, Pietro Longhi en Pier Antonio Novelli, ze hebben de taferelen weergegeven van kinderen en jongeren bij de toverlantaarn waarin prentjes van vreemde gebieden en volkeren werden getoond, de nieuwe wereld dus.

Maar Domenico zet een massa met zijn rug naar ons, alle lagen van de samenleving vind je er terug. Ze staan aan te schuiven om ook plaatjes te kunnen kijken, deze voorloper van onze plaatjesbak, de treurbuis zoals Komrij zegt.
Slechts één jongen in het wit kijkt met zijn gezicht naar ons.
Achter hun ruggen kijken wij. Voor ons zijn het niet de plaatjes in de toverlantaarn, maar zijzelf die het onderwerp zijn geworden, de nieuwe wereld waarin gewone mensen aan bod zullen komen.

Dat intussen onze zin voor mythologie niet is afgenomen blijkt elke dag uit de krantenverhalen.
Bij ontstentenis van Bijbel en andere Heilige Schriften zullen diezelfde burgers die nu nog met hun rug naar ons staan opnieuw naar sensatie en amusement vragen.
Onze fresco’ s worden nu bewoond door soapfiguren en het leven zoals het is of zou moeten zijn, en schaamteloos en wreed vertellen de helden hun levens aan programma’ s en boekjes, kloppen elkaar op de schouder, en vergroten de leegte door hun voorgeprogrammeerde kijk op de wereld.
Denk niet dat ik enig heimwee heb naar Bijbelse tijden, integendeel, maar de afstand tussen de hemel en de aarde is me soms iets te banaal al probeert Delerm in zijn geschriften aan dit banale een kleur te geven die ons verzoent met het presque rien, zonder dat we wraak moeten nemen op wie dan ook, wraak omdat we maar zijn wie we zijn.
Met de rug naar de toeschouwer, glurend in de toverlantaarn naar de nieuwe wereld.

Zet nu Dvorak op.


De prent is een gravure van Zompini (1700-1778)