BERICHT VAN EEN AANGEKONDIGDE KRONIEK

8500

`Lieve vriend,

Met dit vreemde maar mooie portret geschilderd door Cecilia Beaux wil ik je kroniek over de onzichtbaarheid aanvullen.

Nu trekt het weekend aan mijn kleren, de boeken wachten, de antieke voorwerpen in de winkel verwachten dat ik nog eens met hen spreek of in mijn handen hou.
Ze zijn daaraan zeer gevoelig, net zoals bloemen.

Het is een vergissing te denken dat zogenaamde levenloze voorwerpen geen herinneringen meedragen.

Als ze het huis verlaten nemen ze een miniem deeltje van mijn liefde en vriendschap mee.
Zo is het ook met tekeningen en schilderijen.

Ik bewaar ze in mijn hoofd, en voor ik ga slapen loop ik langs de gangen van mijn virtueel museum en blijf ik bij elk van hen even stilstaan.

In mijn verbeelding komen ze in hun puurste vorm te voorschijn.
Ik moet niet op hun tonaliteit of compositie letten, dat zijn dan woorden waar ze zelf om glimlachen, maar ze breken door de glazen wand waarachter ze tijdens de dag hun twee dimensionele gevangenschap moeten uitzweten.

Soms mag ik even bij hen staan, of de geuren van landschappen ruiken, of voel ik de zijden en fluwelen stof langs mijn lijf strelen.

Ze kunnen ook lastig zijn.
Dan maken ze zich onzichtbaar of herken ik hen niet meer omdat ze uit enkele lijnen en welvingen bestaan en ze zich achter deze uiterlijkheden hebben verborgen.

Er zijn echter ook momenten dat ze bij elkaar op bezoek komen.
Dan lopen de taferelen in elkaar en vormen zich nieuwe vaak hallucinante beelden waarvan de betekenis mij totaal ontgaat maar die me op een bijzondere manier inzicht geven in de achtergronden van dit rare bestaan.

Met de portretten kun je je lang onderhouden.
Zoals deze schets die ik je meestuur om mijn kroniek over Cecilia Beaux aan te kondigen.
Je kijkt elkaar aan en het is zoals in de liefde, je hebt geen woorden nodig.
Je kijkt zonder te moeten staren, maar met ootmoed.
Dat is een oud woord dat schilderijen heel mooi vinden.

De meeste kijkers zoeken alleen maar naar hun status, hun geldelijke waarde of hun bekendheid.
Maar dat zegt hen niets.
Zij kijken immers ook naar ons.
Zij proberen nu en dan contacten te leggen tussen onze vlugge en hun gestolde wereld.

Kijk geduldig naar dit porttret en je zult begrijpen wat ik bedoel.
Tot maandag dus.


IK BEN DE JONGEN DIE JOU NAKEEK TOEN, EEN GEDICHT.

22329108_fd711d0c23

In d-mineur

Ik ben de jongen die jou nakeek, toen.
De man die nog geen haartje wijzer is.
De demon van het zwarte notenbeeld.
De dromer zonder reden van bestaan.
De dreumes die z’n grote broertje zocht.
De duvel uit een doosje van fluweel.
De dief van je verleden en je lijf.
De dwaas die onbeschaamd heeft liefgehad.
De dervisj dansend buiten het gareel.
De drinker die een bende heeft gemaakt.
De dutter die de tijd voorbij liet gaan.
De djinn die nog een keer verschijnen wil.
De domoor die geen deficit aanvaardt.
De dichter die er niets meer aan kan doen.

Peter M. Heringa (1945 – 1987)
(Uit de reeks: Ron)

In zijn bundel ‘Kost en Inwoning’ (Bert Bakker, A’dam 2005) eert Gerrit Komrij deze onbekende dichter.

De vraag die we met hem stellen is: waarom is deze dichter onbekend, niet opgenomen in de grote canon?
Jacob Israël de Haan en J.A. dèr Mouw zijn van de allerbeste dichters, maar bekend?
Neen, dat zijn ze niet.
Ze behoren niet tot de canon.

‘Heeft het te maken met het feit dat ze homoseksueel waren of Joods, of anderszins gevaarlijk?’ (Komrij)

Wij weten het niet.

dyn001_original_523_709_jpeg_20344_216f95bc2414105afc1663e5fdcc506d
Soms moet je antwoorden met een prent. (werk van Mosta Kunlundzic) Ik herinner mij een dergelijk werk in de Sint Pietersbasiliek.  Hij wist het ook niet dadelijk en de geschiedenis vergat het graag.  Maar het kan wel eens pijn doen, ja.

EEN TEKORT AAN DURF?

kulundzic6

Mijn beste Theodore,

Met stijgende verbazing las ik je artikelenreeks rondom de figuur van Walt Whitman, waarin jij de visie van de wijze Martha Nussbaum zo keurig redigeerde.

Verbazing?
En toch weer niet?
Ik zou het woord verbazing beter door ‘moedeloosheid’ vervangen, want al is er ’t een en ’t ander veranderd omtrent onze perceptie en rehabilitatie van de seksuele eigenschappen, toch bevinden we ons nu weer jaren in een soort niemandsland waarin de wetenschap angstig zwijgt, en de politiek des te luider en duidelijker de koers bepaalt, en dat zowel in de States als in het oude Europa.

Ik probeer een aantal artikels hierover samen te vatten en vraag je nog even tijd om beter gedocumenteerd voor de dag te komen, maar met wat ik nu al verzameld heb is het vooruitzicht op enig wetenschappelijk verantwoord inzicht erg droevig.

Ik kan begrijpen dat het werk van Nussbaum in haar land niet met vreugdegeklap is ontvangen, maar van zover er al geklap te horen zal zijn denk ik eerder dat we het slagen van de publieke zweep dan de opluchting in dit geklap kunnen herkennen.

Studies worden geboycot, afgewezen, of verdwijnen al te vlug in de prullenmand.
Het tekort aan durf is te begrijpen, wie er zich aan waagt kan zijn wetenschappelijke toekomst vergeten.

Mocht de heer Whitman kunnen terugkomen, dan zou de teleurstelling voor een tweede en zeer definitieve dood kunnen zorgen.

Dr. Van Ussel zaliger moest jaren geleden zijn proefschrift over de geschiedenis van de seksualiteit in Leiden gaan maken bij tekort aan durf van de vrije universiteit van Gent, en ik begin te vermoeden dat een project waarin we onderwerpen van Whitmans poëzie zouden onderzoeken (emotie, opwinding, het verwerven van een seksuele identiteit, minderheden, enz.) we opnieuw moeten uitwijken mocht er al geld zijn om dergelijke onderwerpen boven het niveau van een damesweekblad te verheffen, en dan bedoel ik niets kwaad met die weekbladen maar uit ik mijn twijfel over gewaagde en gedurfde uitroepen die als wetenschappelijk onderzoek moeten doorgaan.

Ik beloof je dus nijvere studie en een geschikte vorm om mijn bevindingen als een soort vragen op te werpen al lijken mijn pogingen nu reeds op het gevecht van de (heilige) Joris met de draak, gevecht dat de Frans Servische schilder Kosta Kulundzic (1972) hier verbeeldt.

Hij studeerde in Parijse La Seine school waar kunst en architectuur wordt onderwezen, koos er voor de schilderkunst en doceert ook nu in die mooie stad.

Ik hou erg veel van zijn werk omdat hij de oude religieuze mythes niet aleen door een hedendaags kleedje aanpast, maar ze bezielt, ze tot leven brengt hic et nunc, met een oosterse zin voor humor die hen niet belachelijk maakt maar ze juist aanvaardbaar voorstelt.

dyn007_original_507_709_jpeg_20344_d9ac34035c5375779f931480a58c63a5

Engelengeduld moet je van zijn engel Gabriël niet verwachten, maar ik heb hem in mijn werkkamer gehangen omdat hij zo menselijk en toch zo heilig is en hij een ware engel van deze tijd kan worden genoemd.

In de oude opvattingen is Gabriël de meest vrouwelijke engel, maar hier is hij tot en met een macho, de stierenhoorntjes die hij met zijn vingers maakt vervangen zijn kroontje, hij is bereid ver te gaan, de helleman schrik aan te jagen maar hij weet dat hij tegelijkertijd zal moeten rekening houden met de menselijke soort en haar eigenaardigheden, en daarom heeft hij izich n de mate van het mogelijke aan de aardbewoners aangepast.

Hij is de Gabriël uit mijn kinderjaren.
Mijn persoonlijke lijfwacht die mij tegen de gevaren van de duisternis beschermde, zeker als ik gekraak op de trap hoorde en de grote vreselijke trappenkraker (een monster dat alleen uit voeren bestond) mij probeerde te overvallen.

En mooi is ook zijn Jezus en Magdalena.

dyn007_original_730_709_jpeg_20344_563a015df08758bc5df3f7b07a969ca8

Een Jezus en een Magdalena die erg geloofwaardig overkomen.
Hij, mens en zoon van God, en zij mens en liefdevol voor die zoon met zo’n schizofrene identiteit.

Mosta was de kleinzoon van een orthodox priester en je moet in de streken hebben rondgezworven om het zeer aardse mysticisme te proeven.
De deur van de kerk is er laag zodat je je hoofd moet buigen om er binnen te komen, terwijl je in onze kerken moet opstijgen tot in de hoge gewelven om een glimp van de Verlosser waar te nemen.

En God zelf?
Ook hij kreeg zijn portret dat ik je niet wil onthouden.

dyn007_original_708_709_jpeg_20344_f79c7b4661d97cd69444f480585b83e1

Hij heeft veel meegemaakt, en hij is tot en met liefde van de allermenselijkste en toch hoogste soort.
Hij is aards en hoort toch nog thuis in de kosmos.
Hij is de ontvanger van onze noden en de geduldige schenker.

Hij is in alle betekenissen goddelijk.

Mag de nacht en de dag daarna dat voor jou ook zijn.

Je ex psychiater G. Dumortier


ROUW OM DE ZON (SLOT)

slapende eros

Ik ben opzettelijk met de slapende eros begonnen, want hoe groot de betekenis voor Whitman is van deze kracht, toch zal Eros meer slapen dan je lief is, en ook wakker is hij niet altijd het probleemloze jongetje.

Er is natuurlijk het mededogen waarin je en je angst voor je eigen zachtheid en afhankelijkheid leert overwinnen en de onpartijdige liefde leert plaatsen.

‘Woede over de omstandigheden waarin mensen leven- en over de mensen die deze omstandigheden symboliseren- wordt vervangen door woede over onrechtvaardigheid en maatschappelijke hiërarchie.’

Er wordt een aannemelijk beeld geschetst van de democratische wederkeringheid (mededogen), terwijl elk afzonderlijk individu toch met vreugde wordt omhelsd.

Maar zoals ik al zei, ook in deze kosmos is eros vaak slapend aangetroffen.
Whitmans poëzie is erg wisselvallig en varieert van uitzonderlijk tot genant.
De dichter loopt zichzelf, in zijn alomtegenwoordigheid, wel eens in de weg, struikelt over zijn eigen goede bedoelingen en wekt daardoor de indruk een nogal zelfgenoegzame egoïst te zijn.
Ook hij verschuilt zichzelf wel eens achter bravoure.
Je kunt daarbij de alledaagsheid niet zo maar afwijzen, ook al zeg je dat je de alledaagsheid liefhebt.

‘De nadruk op de mystieke erotische ervaring van samensmelten en eenheid vormt een groot deel van dit probleem, want lichamen versmelten nu eenmaal niet.
Meestal zitten er ellebogen en knieën in de weg en soms zelfs de geslachtsorganen die Whitman zo belangrijk vindt.’

En een criticus, Lawrence, schrijft dat zelfs op zijn hoogtepunt een man nooit meer dan zichzelf is. Hij heeft nog steeds een neus die hij moet snuiten.

Dat ontbreken van humor in zijn poëzie is een duidelijk symptoon voor het euvel de alledaagsheid niet in rekening te brengen bij al die grote ideeën over de rehabilitatie van de liefde, en naar wij allen uit ervaring weten, is er met onszelf en artis amoris wel wat af te lachen. (gelukkig maar)

dyn001_original_450_337_jpeg_20344_d389a14ed9b0682ffb56e626bd8362d2

En net zoals op het bijgaande prentje old people en musicians samenvallen, bekijkt Whitman de dood als een iets te gemakkelijk te ontkennen idee.
Hij noemt zich ‘doodloos’, ‘weet dat hij niet zal verdwijnen als een tiralntijntje van een kind dat ’s avonds met houtskool wordt getekend?’

Hij beroept zich ietsje te veel op de indiaanse ideeën over het één zijn, en door aan te geven dat de dood niet werkelijk een verlies is of niet echt dood ondermijnt hij juist de houding jegens erotiek en verlies die de poëzie in haar beste momenten propageert.

Die verwarring vind je niet in al zijn werk.
In prachtige woorden schrijft hij over de eindigheid in ‘When lilacs last in the dooryard bloom’, een treurdicht bij de dood van Lincoln.

De hele natie is doortrokken van de dood, schrijft Nussbaum.
En als de dichter zich afvraagt hoe hij de wanden van Lincolns grafkelder moet versieren, dan kan dat alleen met portretten van het land dat ze beiden liefhebben, portretten die hij in zijn dichterlijke taal schildert:

Ziet! Lichaam en ziel- dit land,
Mijn eigen Manhattan met torenspitsen en het fonkelende, snelle getij, en de schepen,
Het afwisselende, ruime land, het Zuiden en het Noorden inhet licht, Ohio’s kust en de schitterende Missouri.
En steeds de uitgestrekte prairies bedekt met gras en graan.

En we kunnen best eindigen met nog eens Whitmans eigen woorden:

Ieder die een ander vernedert, vernedert mij,
En alles wat gedaan of gezegd wordt komt uiteindelijk weer bij mij terug
Ik geef het wachtwoord uit vroeger tijden, ik geef het teken van democratie.
Bij God! Ik zal niets accepteren waarvan niet allen op dezelfde voorwaarden hun deel kunnen hebben.

Voor het grootse Idee, het idee van volmaakte en vrije individuen.
Daarvoor loopt de bard vooruit, als leider van leiders,
Zijn houding vrolijkt slaven op en is voor vreemde despoten een gruwel.

Zonder uitroeiing is Vrijheid, zonder achteruitgang Gelijkheid,
Ze leven in gevoelens van mannen en vrouwen.

Het zou de twintigste eeuw zijn die zowel de gruwel van de despoten buiten ons voelbaar maakte als het kleine despootje in ons.
Maak hem dus zachtjes wakker, die kleine liefdesgod, en kussen wij elkaar voor de aarde ons kust met haar zanderige natte lippen die naar nog en nog en nog smaken.


DE DOOD LIEFKOZEN (3)

93057796_07ee796ec5

Achtentwintig jonge mannen baden aan de kust,
Achtentwintig jonge mannen allemaal zo aardig;
Achtentwintig jaren vrouwelijk leven en allemaal zo eenzaam.

Zij bezit het mooie huis waar de oever stijgt,
Zij verbergt zich knap en rijk gekleed achter de luiken van het raam.
Welke jonge man vindt zij de leukste?
Ha, de eenvoudigste vindt zij de mooiste.

Waar gaat u heen, vrouwe? want ik zie u,
U spettert daar in het water, al zit u stokstijf in uw kamer.
Dansend en lachend kwam de negenentwintigste bader langs het strand,
De rest zag haar niet, maar zij zag hen en had hen lief.

De baarden van de jonge mannen glinsterden vochtig, het water liep uit hun lange haar,
Kleine stroompjes gleden overal over hun lichaam.

Een ongeziene hand gleed ook over hun lichaam,
En streek bevend omlaag langs hun slapen en ribben.

De jonge mannen drijven op hun rug, hun witte buiken bollen naar de zon, en ze vragen niet wie zich aan hen vastklampt,
Ze weten niet wie er hijgt en zich hangend en krommend buigt,
Zij bedenken niet wie zij met opspattend vocht doordrenken.

dyn001_original_333_500_jpeg_20344_a01d8d89b6727b7dd37678e29b887e04

Dit is het volgende deel van het gedicht dat hij bijna religieus geïnspireerd ‘een parabel’ noemt.
De zgn. parabel schildert het vrouwelijk seksueel verlangen en van de manier waarop vrouwen door moraal en gewoonten van volledige seksuele bevrediging en publieke erkenning als seksueel wezen worden uitgesloten, zegt Nussbaum erg treffend.

Maar er is nog een derde partij die uitgesloten wordt.
Hij verwijst ook naar de verleidelijkheid van het mannelijk lichaam, de uitsluiting van homoseksuelen dus.

Hun verlangen naar het mannelijke lichaam moet nog meer verborgen blijven dan de vrouwelijke begeerte.
De blik van de vrouw -ik gebruik Nussbaums woorden- is evenals de blik van de verbeeldingskracht van de dichter in het eerdere gedeelte teder erotisch en haar liefkozing laat de lichamen in hun naakte kwetsbaarheid zien, hun zachte buik naar de zon gekeerd.

Ik stap even naar het mooie boek van Ykio Mishima ‘Bekentenissen van een gemaskerde’.
Daaruit dat fragment dat aansluit bij deze tekst:

Jakoemoe lag op het gras met zijn gespierde blanke armen onder zijn hoofd, en liet de wind over zijn gebruinde borst spelen, terwijl hij zo nu en dan op zijn lippen beet, alsof dat een spelletje was voor zijn mooie blanke tanden.
De zonnebaders begonnen zich langzaam te verzamelen in een schaduw van een grote beuk bij de vijver, en ik slaagde erin in zijn nabijheid te komen. Met gretige ogen mat ik zijn slanke lichaam en zag hoe de ademhaling zijn buik op en neer liet gaan.
Ik herinnerde mij een regel van Walt Whitman:

‘De jongens drijven op hun ruggen- hun witte buiken bollen in de zon’

(vertaald door jef last!)

dyn001_original_500_498_jpeg_20344_0becb1dc2a4e09cc64b9a9c4682cc8c9

En waarom moet de blik van de vrouw verborgen worden?
In het Zuiden van Amerika kon je nog overtredingen met je blik begaan.
Een zwarte moest zijn ogen neerslaan als hij een blanke vrouw passeerde, en er waren al zwarten veroordeeld voor ‘vermetel kijken’.

In de bijbel was naar vrouwen kijken met wellust een zonde.
Zwarte mannen waren een teken, een symbool voor ongeremde erotiek want zij kwamen uit het barbaarse Afrika.
Ze moesten zich voor hun lichaam schamen in plaats van er trots op te zijn.
De zwarte man wordt deels gehaat, deels gevreesd omdat hij wordt gezien als een beeld van seksueel verlangen en van diepte en kracht van de seksualiteit.

En dat gold ook voor de vrouw: zij moesten niet met begeerte kijken, hun chtonische seksualiteit zou de mannelijk beheersing bezoedelen.
We hebben daarover uitvoerig geschreven toen we Paglia onder de loep namen, en Nussbaums visie sluit zich daar bij aan.

En dan heb je de blik van de homoseksueel.
Die blik van begeerte was de voornaamste reden waarom homo’s uit het Amerikaanse leger waren uitgesloten.
De erotische blik sluit uit.

Whitman echter stelt dat de bereidheid om met begeerte worden gezien tevens een bereidheid inhoudt om je eigen sterfelijkheid en tijdgebondenheid te accepteren, om deel te zijn van de zelfvernieuwende en doorgaande stromen van de natuur.

‘Het komt doordat we in onze sterfelijkheid worden geraakt dat seks zo krachtig is en een bron van grote schoonheid.’

dyn001_original_375_500_jpeg_20344_7b649fbb4d83ea3d2f6d95ebbbbc518b

Deze rehabilitatie van seks betekent niet dat hij de vrije liefde of de promiscuiteit voorstaat.
Zowel in zijn prozawerk als in zijn poëzie is Whitman een strenge moralist.
Hij veroordeelt vercommercialisering van seks en pornografie omdat het mensen tot object maakt.
Maar dit zijn geen bijverschijnselen van de erotische begeerte maar wel bij verschijnselen van de puriteinse afwijzing van de begeerte, net zoals de Amerikaanse afschuw van de waarlijk erotische blik.

En waar blijft dan de dichter?
In zijn antwoorden op de vragen van het kind schilderde Whitman de dichter af als iemand wiens verbeelding niet terugschrikt voor het liefkozen van de werkelijkheid.
Met inbegrip de realiteit van dood en verval.

In het vervolg schildert hij de dichter af als iemand die zich schuilhoudt, en wiens fantasieën in de coulissen verborgen moeten blijven.
De beste manier om tegenwicht te bieden aan de macht en de diepte van seks is haar tot een oppervlakkig, commercieels en onpoëtisch iets van te maken.
Ook zo met de blik van de vrouw: je doet alsof ze louter een ding is dat gekocht en verkocht kan worden, net zoals de zwarte slaaf.

De dichter is echter iemand die hier door kijkt en die je dus moet vrezen.
Dat is precies de reden waarom de dichter zo noodzakelijk is in de democratische gemeenschappen.

‘Hij oordeelt niet zoals een rechter oordeelt, maar zoals de zon op een hulpeloos ding valt.
Hij ziet elk hoekje, ieder scheurtje ervan, dus ziet hij ook de hulpeloosheid ervan scherp, maar verlicht door liefde.

En dan moeten we nog iets over het mededogen vertellen, dat reddende woord in barre tijden.


DE DOOD LIEFKOZEN (2)

dyn001_original_500_332_jpeg_20344_09e7b9475642754b00217babffd58159

Een grashalm is inderdaad niet alleen een grashalm.
‘Pas met een onbekrompen inzet van onze verbeeldingskracht bevolken we de wereld om ons heen met leven en zien we meer dan onze rechtstreekse waarnemingen, pas dan veronderstellen we de aanwezigheid van leven en groei in het gras, van gedachten, gevoelens en waardigheid in onze medeburgers.’

Om dit te kunnen denken, om in ieder van ons een innerlijke wereld te leren zien, en diepte te verkennen, heb je de dichterlijke verbeeldingskracht nodig en tot die verbeeldingskracht, suggereert Whitman, behoort ook een vorm van erotisch aanraken.

Whitmans publiek was ernstig verdeeld over de verdienstelijkheid van zijn meer erotische gedichten.
Over één ding ding was men het roerend eens: als Whitman het werkelijk over seksuele hartstocht zou hebben, waren zijn gedichten schunnig.
Zijn verdedigers ontkenden dus de erotische inhoud en betekenis.

‘Ik trek geen vergif uit deze halmen,’ schreef Fanny Fern, die Whitmans gedichten vergeleek met de populaire romans waarin ‘de adder van de sensualiteit opgerold ligt tussen de retorische bloemen’.

dyn001_original_355_500_jpeg_20344_a272da90c85bafb24d0a823d0096cf58

Het minste wat je kunt zeggen is dat vrouwenhaat, agressieve schaamte over het bestaan van de begeerte en mensenhaat aan elkaar gekoppeld waren in dat Amerika van toen.

‘Kennelijk is alles in orde zolang seks louter wordt gezien als de mechanische beweging van een aantal schone lichaamsdelen.
De begeerte is wat bedreigend maakt, de begeerte is het aspect dat met walging voor verval gemengd is.
(…) Wellust en puritanisme bestaan naast elkaar en…voeden elkaar.

dyn001_original_500_375_jpeg_20344_90f9148a644f738cea678486445257d8

Whitman maakt in de tekst over het gras deze erotiek even expliciet als hij in zijn fantasie teder het lichaam liefkoost van soldaten die in de oorlog gestorven zijn, de verloren kinderen.

Hij gaat nog een stapje verder in het mysterie van onze sterfelijkheid zelf, het ‘prachtige, ongeknipte haar van graven’.

‘In de koppeling van erotiek en mysterie ziet hij een fundamenteel bestanddeel van democratisch burgerschap, want niet alleen in vorm en samenstelling van ons lichaam staan we als gelijke tegenover elkaar en in waardigheid van onze daden als levenden, maar ook in onze duisternis, in bleke roodheid van onze mond, in het feit dat we in de aarde begraven zullen worden en voedsel zullen zijn voor het gras dat na ons komt.’

We verkeren op dit moment opnieuw in dat gebied van schaamte om de begeerte, en we drukken dat uit in allerlei gevaren die ons en onze kinderen (zouden) bedreigen.

Op het moment dat je je medemensen of als boosdoeners of als zuivere onschuldige geesten begint te bekijken, vervalt die zoveel gezochte herkenning van elkaars diepte.

Zelfontkenning heet dat dan, wat we bij onszelf waarnemen laat ons schrikken, en die schrik projecteren we bijna onmiddellijk op de zondenbok, en vult u zelf maar in wie, in zijn verscheidenheid aan rollen, die rol telkens weer vervult als de hysterie toeslaat.

Volgende keer, weer een stapje verder.


DE DOOD LIEFKOZEN (1)

dyn002_original_500_375_jpeg_20344_905184c6d6735d0b3da565784c16b431

Een kind vroeg Wat is het gras en bracht het me handenvol.
Hoe kon ik het kind antwoorden? Ik weet zomin als hij wat het is.

Misschien is het de banier die mijn plaats aangeeft, geweven uit hoopvol groene stof.

Of misschien de zakdoek van de Heer,
Een geurige, doelbewust gevallen gift die herinneringen wekt,
Met in een van de hoeken de naam van de eigenaar, zodat we die kunnen zien en vragen Van wie?
Of misschien is het gras zelf een kind, een door vegetatie voortgebrachte baby.

Of misschien is het een enkelvormige Hiëroglief,
En betekent het: Gelijk ontspruitend in brede banen en smalle banen.
Groeit tussen zwarte mensen en tussen blanken,
Kanuck, Tuckahoe, Congreslid, bedelaar, ik geef ze hetzelfde, ik ontvang ze hetzelfde.

En nu lijkt het me het prachtige, ongeknipte haar van graven.
Teder zal ik je gebruiken, krullend gras.
Misschien groei je wel op uit de borst van jonge mannen.
Misschien had ik wel van hen gehouden, als ik hen had gekend.
Misschien kom je uit oude mensen, of uit nakomelingen die binnenkort uit de schoot van hun moeder gehaald worden.
En hier ben jij die schoot van die moeders.
`Dit gras is te donker om uit het witte hoofd van oude moeders te komen,
Donkerder dan de kleurloze baarden van oude mannen,
Donker om uit de bleekrode koepels van monden te komen.

O! Ik zie immers zo veel sprekende tongen,
En ik zie dat ze niet voor niets uit de koepels van monden komen.

(fragment uit Song of Myself, Walt Whitman)

dyn002_original_322_375_jpeg_20344_6ccf6bb86cb62fb3334cb3f6a9fbd692

Ik geef je voor de volgende dagen gewoon de lectuur van dit fragment mee want er rijzen een aantal essentiële vragen:

-Wat heeft deze rehabilitatie van het lichaam te maken met de erotische liefde en begeerte?

-En ja, wat doen we met die begeerte, want onschuldig vrijen in het paradijs waarin alles nog zuiver en heilig was, noemen ze ‘utopie’.

-En waarom zouden de diepste spirituele ervaringen erotisch zijn?

-Wat heeft die begeerte maken met democratie en met gelijkheid van mannen, vrouwen en rassen?

Het is nog een lang verhaal.
En het begint met de manier waarop Leaves of Grass ontvangen werd.

Intussen kan de tekst op ons inbranden.
Wat is het gras, een essentiële vraag, of niet soms?


Leaves of Grass, Grasbladen verscheen in een tweetalige uitgave in het Engels-Nederlands waarin 22 Nederlandstalige dichters elk één gedicht uit de bundel trachten te hertalen.
Het is een uitgave van Querido, Amsterdam 2005


De vertalingen die ik gebruik komen uit Martha Nussbaums’ boek, Oplevingen van het Denken, Ambo 2006, A’dam, en dat is vertaald door Patty Adelaar