HET LEVEN ALS SCHOUWSPEL

dyn002_original_512_357_jpeg_20344_e2cf2da43e4e9dca14c7c52701578f54

Taferelen die het interieur veranderen in een scenerie, een scène waarin de dramatis personae hun conflict uitvechten.

Het bovenste werk is ‘intérieur’ van Degas, hieronder ‘de verveling’ van Walter Richard Sickert.

dyn002_original_512_694_jpeg_20344_bf8937302887efbb969fa4b1eebc7aa4

Bij de Degas is er een drama gebeurd.
In feite heette het werk ‘Le viol’ maar werd later (bij een tentoonstelling in Philadelphia) kuis tot ‘het interieur’ herdoopt.

Het doek van Sickert toont duidelijk dat er niets gebeurde en verder ook niets zal gebeuren, de verveling.

Sommigen dachten in ‘Le viol’ een scene uit Zola’s roman ‘Thérèse Raquin’ te zien.
Maar de schilders uit de tweede helft van de 19de eeuw wilden zeker geen verhaal vertellen, die tijd was passé, vonden ze.
Het ging om het nieuwsgierig maken, om de atmosfeer die in Degas’ doek inderdaad belangrijker is dan elk mogelijk verhaal.

Kijk naar de duistere slaapkamer waarin de half ontklede vrouw een lichtvlek vormt.
Hij leunt tegen de deur, duidelijk ver weg van de geliefde.
Het is bijna een filmische scène, net zoals de verveling waarin de hoofdspelers elkaar letterlijk en figuurlijk de rug hebben toegekeerd en het glas zowel op de tafel als op de kast (de stolp) een duidelijke betekenis heeft mee gekregen.

De ruimte heeft een essentiële rol gekregen, ze versterkt de gevoelens van de hoofdrol-spelers.
Ze sluit ze op, ze markeert ze.
Ruimte en spelers zijn niet meer van elkaar los te maken.

dyn002_original_567_359_jpeg_20344_e06b2172141ad5e7f7bebd2f3b88251b

We naderen het einde van de eeuw, het fin de siècle vernauwt de blik en maakt hem los van het materiële.

Schilders als Spilliaert, Xavier Mellery, en Le Brun beginnen in België aan de mystificatie van de ruimte.

Mythes die de eeuwen met elkaar proberen te verzoenen, maar daar niet in lukken.

Het fin de siècle.

Tot de treinen in 1914 de jongens naar de fronten brengen bestaat er een gedroomde werkelijkheid, en wie droomt er beter dan de eenzame?

Ik zal je vertellen over de levensloop van Frank Wedekind, Pierre Loyuis en andere lieden die noch in de 19de en zeker niet in de 20ste eeuw een ankerplaats vonden.

Ik zal hun teksten verbinden met hedendaagse beelden en teksten.
Ik voorspel je dat de uitslagen van de Belgische verkiezingen een duidelijk licht op het het hedendaagse fin de siècle zullen werpen.

En of het nu om “de mensen’ gaat, of over ‘de verlaging van de belastingen’, ‘over het eigen volk’ of over ‘de groene energie’, het zouden duidelijke schuttingswoorden kunnen worden als we de klok weer eens 100 jaar verder draaien, verondersteld dat er dan nog klokken kunnen gedraaid of getoetst worden, uiteraard.

Maar het fin de siècle zal in elke verklaring zondagavond zijn kop opsteken, en de angsten al dan niet reëel zullen inderdaad voor zieltjeswinst zorgen.

Ik verlaat na mijn plicht het land en wil in de mooie stad Maastricht naar ‘stromingen’ luisteren, een mooi onderwerp voor latere brieven.


HET MORELE INTERIEUR

 

dyn004_original_550_445_jpeg_20344_f828b05d72bd933573a1b5b6882fb0f2

Anne Hardy, 2005-6 en Stanhope Forbes, 1889.

dyn004_original_512_388_jpeg_20344_83b15b9d4b0cf37732a6450df5f2505f

Het ligt voor de hand dat beide taferelen naar sfeer zouden kunnen samenvallen.
Het beeld van Hardy kan de morgen na de bruiloft zijn, de resten van het plezier, de overschot van het feest.

Maar dat is een toevallig samenkomen, bijna te mooi om er besluiten omtrent het interieur uit te kunnen afleiden.
Het interieur is immers niet alleen een plaats, een materiële ruimte, het is ook, en ik gebruik de titel van het hoofdstuk uit Frances Borzello’ s werk: Interieurs, les peintres de l’ intimité: DE MORELE RUIMTE.

Het is immers belangrijk om te zien wie er in de ruimte aanwezig is, en wat de personages doen, hoe ze in feite door de schilder als getuige worden beoordeeld.
Het zal duidelijk zijn dat ik met personages niet alleen mensen maar ook de dingen in de ruimte aanduid.

Stanhope Forbes, met zijn toast op de bruid, schetst een bruiloft in een vissersdorp, te Newlyn in Cournailles.
In de traditie die hij trouw blijft is de ruimte van het interieur, een vrouwelijke ruimte, de plaats waar de vrouwen werken en leven terwijl de mannen op zee zijn.
De morele waarden van een dergelijke samenleving komen duidelijk uit het doek naar voren: respect voor de traditie, de aanwezigheid van groot en klein, de continuïteit van het levensritme.

dyn004_original_550_394_jpeg_20344_dc788844a82ab6f5d82b60861d3913ad

De ruimtes van fotografe Anne Hardy zijn net zoals een gewoon interieur ‘ingericht’.
Hun moraliteit echter huist niet in de functie van de ruimte, maar in de relatie die ze met de onderdelen opbouwt.
Ze is verzamelplaats, chaotisch weliswaar, maar de sporen die we aantreffen zijn van een andere morele orde: de vluchtigheid der dingen, de drang om te consumeren, de flarden van nooit gerealiseerde dromen, en ga zo maar door.

Je zou in Hardy’ s ruimten kunnen leven, maar ze dienen meer als memento mori zoals we gisteren citeerden.
Dat ‘memento mori’ is natuurlijk in elke afbeelding aanwezig omdat ze een condensatie is van het voorbije.
Op het moment dat we de foto’ s van de bruiloft bekijken, is de bruilloft zelf voorbij.
Het album is een memento.

dyn004_original_433_550_jpeg_20344_b2c41a709b1fbb69a178f69ddef2d32b

Je kunt je in zo’n memento ook uitspreken over de waardering voor de inhoud: en dan zijn we terug in de morele ruimte.
Ik bedoel niet dat je uitspraak iets moet zeggen over goed en kwaad, ze kan net zo goed hulpeloosheid uitdrukken, of verveling, of vluchtigheid zonder het daarom in de eng morele zin over positief of negatief te hebben.

Hoe meer we met de verbeelding van het interieur naar onze tijd opschuiven, hoe meer we zullen (willen, moeten) interpreteren.

Dat doen we ook met de doeken uit de 19de eeuw, maar bijna vanzelfsprekend, je komt al dadelijk het interieur binnen nadat je als kijker even in de deuropening hebt gestaan.

Je mag deelnemen aan het feest.
Er wordt een stoel voor je bijgeschoven en weldra ben je aan de praat met de aanwezigen.

Naarmate de tijd verschuift naar de openheid voor het individu, naar ruimtes die door één individu, de kunstenaar, zijn gecreëerd, moet je ook meer en meer je eigen vanzelfsprekende ruimtes verlaten.

Je staat nog altijd in de open deur, maar je herkent de ruimte niet dadelijk als een plaats uit het gemeenschappelijk geheugen.
Het is een binnenruimte van iemands creativiteit en in het beste geval word je langzaam toegelaten, voeg je je eigen herinneringen aan de onderdelen van of in de ruimte toe aan het beeld en wordt door de kijker de ruimte pas echt gemeenschappelijk.

Het is duidelijk dat de bruiloft niet dadelijk nood aan nog meer feestvierders heeft, de boot is vol.
Je kunt je eigen herinneringen aan dergelijke feesten toevoegen aan het schilderij, je kunt gevoelens van heimwee oproepen of misschien afschuw voor het familiale gedoe, maar het doek staat stevig op zichzelf.

In de binnenruimtes van Hardy blijft de open ruimte letterlijk en figuurlijk nog leeg en vatbaar voor interpretaties en emoties.
Ook hier kun je associëren, maar je moet duidelijk naar meer onbewuste niveau’ s afdalen en het is best mogelijk dat je bij het beeld geen aanknopingspunten vindt.

Als ik de kamer met de schietschijven onder de bruiloft schuif (figuurlijk dus, naar inhoud) dan liggen associaties voor het rapen, maar ook zonder deze mix kan ik me voorstellen dat je in die enge ruimte vlug zelf het doelwit bent.

De morele ruimte is bij Hardy niet klaar als het klontje van de bruiloft.
En dat verontrust vele kijkers.
Ze willen best meegaan met abstracte voorstellingen, plezier scheppen in kleur- en vormcombinaties, maar dat dergelijke doeken of foto’ s ook een morele binnenruimte hebben die je voor een groot gedeelte zelf zult moeten vullen, maakt mensen bang.

De vraag naar ‘de bedoeling’ immers maakt het veelal onmogelijk om door te dringen in de virtuele ruimte van de afbeelding.
Ik kan een aantal factoren opsommen, maar tenslotte ben ik er alleen.
En alleen zijn is altijd een beetje eng.


INNERLIJKE LANDSCHAPPEN: ANNE HARDY

dyn010_original_550_440_jpeg_20344_9396ed3be4c2fdf900e25126523af612

Anne Hardy is in Londen geboren, 1970, ze leeft en werkt er, en werken is in dit geval het maken van erg specifieke foto’s die te maken hebben met door haar opgebouwde ruimtes, interieurs om in de lijn van ons verhaal te blijven.

We zijn dus terug in het interieur, en in het interieur van deze tijd, al zal dat vooral in de verbeelding van de artieste bestaan.

Volgend jaar stelt ze in New York tentoon, wat meteen wil zeggen dat haar foto’ s het mekka van de kunst hebben bereikt nadat ze in de Saatchi gallery in Londen waren te zien.

‘Sometimes we get fixed on particular images, configurations of things that transcend their physical presence. We internalise them, turn them into private metaphors, return to them in dreams, try to puzzle out the hermetic secrets they hold. Anne Hardy’s Interior Landscapes are vivid representations of our mental images of these places.’

Mentale beelden.
Innerlijke landschappen.

Ik denk niet dat we daarom op allerlei beelden gefixeerd moeten zijn om ze te internaliseren.
Vaak duiken beelden in dromen op die we blijkbaar niet eens goed hebben bekeken, of ze maken een sprong van de kindertijd naar onze levens nu zonder dat daartoe (schijnbaar) een aanleiding toe zou bestaan.

Die intuïtie, dat ‘achteloze’ is nog mooier dan welke fixatie ook.
Onze dromen hebben hun eigen wetten die wij duidelijk niet kunnen besturen.

En dan zijn we in de stuurcabine waaraan dit innerlijk interieur doet denken.
De onderdelen zijn ons bekend, maar hun doel, hun functionaliteit blijft open.
De ruimte is duidelijk gebruikt.
Er zijn onderdelen uitverdwenen.

Flessen mineraal water om te overleven?
Een bosje sleutels, maar voor welke deuren.
Drukknoppen, maar wat gebeurt er als je erop drukt?

dyn010_original_550_369_jpeg_20344_ed38ecfcdc6afd35fcf10102a8f555bb

Aansluitend bij die eerste foto, de stuurcabine zonder uitzicht.
Dode bladeren, gruis, schors belemmeren het uitzicht.

Verder zijn er talrijke wijzerplaten en enkele hendels.

Maar net zoals in de bovenste ruimte blijkt elke activiteit verleden tijd.
Alsof de cabines zoals oude faraograven zijn ontdekt en gefotografeerd.

‘Pictures of strange, claustrophobic, often slightly menacing interiors, her photographs seem to document private passions taken to extremes. In some pictures the natural world intrudes, or threatens to intrude, inside. Vines are nurtured by artificial light in a shallow hatch; the large windows of a control room are piled high with dead leaves. Some of the Interior Landscapes function as surreal mementos mori: bare and forlorn tree trunks bedecked with thick cobwebs; antlers casting spidery shadows against a grubby wall.’

‘Memento’ s mori’, dat is een mooi beeld vind ik.
In de zeventiende eeuw zouden het doodshoofden geweest zijn, nu is de wereld leeg gelopen, de bewoners zijn weg, vertrokken of gestrand.

Toen ik haar foto’ s zag, moest ik aan kapitein Nemo denken.
Ze glimlachte met het beeld.
Waar is kapitein Nemo, vroeg ik haar.

Ik weet niet of hij het overleefd heeft.
Maar hij heeft geprobeerd te ontsnappen, dat wel.
Geen ark van Noah, maar een duikboot in de diepten van onze geest.

Zijn we ver weg van de interieurs van de 19de eeuw?
Ik denk het niet, maar dat vertel ik je morgen.


EEN MOERAS VAN VERWARRING

dyn003_original_405_548_jpeg_20344_cfbd783bbb51db61a033bb73adc31ced

Om de variatie aan stijlen en voorkeuren te illustreren deze twee afbeeldingen.
Het prachtige jongensportret is inderdaad een portret van een adelijk ventje maar het is intussen ver weg van de wapenrok dragende of in hermelijn gestoken kinderportretten waarin de nazaten de macht van de verwekker beklemtoonden.

Dit is een erg kwetsbaar portret.
Een jongen op de rand van het kind en de puber, heel vrouwelijk en toch met een zeker dedain in zijn houding, draait zijn hoofd naar de schilder.

dyn003_original_314_700_jpeg_20344_72925a63ae5556c377b73249f603516f

Bij de bewonderaars van Rafael wilde men terug naar de idealistische en symbolische verbeelding: de esthetische middeleeuwen vemengd met Grieken en laat 18de eeuwse romantici.

Maar ook zij vulden een leemte die een wereldmacht met haar strikte zin voor de werkelijkheid en niets dan de werkelijkheid ontbeerde: de droom, de vluchtheuvel waarin de zogenaamde decadentie zonder enige schroom het over lijven en liefde kon hebben.

Kunst is vaak een uitvlucht.
De esthetica diende dikwijls als schutkleur voor de drang naar mooie en liefst zo weinig mogelijk geklede mannen en vrouwen, of om de niet aanvaarde codes van het bourgeois bestaan te omzwachtelen met een parallelwereld waarin die mogelijkheden konden getoond worden.

Trek je die dromen verder uit, rek je ze tot aan de goddelijke verbeelding dan beland je inderdaad in een moeras van verwarring.

In 1902 schreef William James zijn The Varieties of Religious Experience en daarin citeer ik hem:

‘Door op mijn bescheiden manier trouw te blijven aan dit al te grote geloof, heb ik het gevoel dat ik gezonder van geest en oprechter blijf.’

Dat was klare taal.
Het grapje ging overigens dat William schreef als een romanschrijver terwijl zijn broer Henry als een typische (lees onbegrijpelijke) filosoof schreef.

dyn003_original_600_578_jpeg_20344_dc7779cfc20b51893bba034b9c8176f5

Het doet oneer aan de verfijnde stijl van Henry, maar het maakte duidelijk dat de menigte die Williams lezingen bijwoonde zijn taal en filosofie begreep en waardeerde.

Kwam de religie ter sprake dan werd hij een vermetele gokker, schrijft Peter Gay in het eerder geciteerde boek.
Zo hevelde hij het argument van Pascal over naar het tijdperk van de wetenschap.

Pascal immers beweerde dat een mens in het debat over het bestaan van God dit bestaan maar beter kan bevestigen, want als hij wel bestaat kan een mens nog hoop op verlossing koesteren, en als hij niet bestaat, is er niets verloren.

Niet voor niets heeft Pascal de rekenmachine uitgevonden!

In The Sentiment of Rationality zegt hij dat het geloof zijn eigen verificatie schept.
Geef mogelijkheden een kans, was zijn stelling.

Dergelijke stellingen dreven hem in de armen van de mystiek.
Vergeet echter niet dat hij in 1884 lid werd van de Society for Psychical Research, twee jaar eerder opgericht door de vermaarde filosoof en feminist Henry Sidgwick.

Zij ontmaskerden dansende tafels en andere wonderlijke taferelen en onderwierpen allerlei contacten met de ‘andere’ wereld aan een kritisch onderzoek.

Maar noch Sidgwick, noch James vervielen in een wetenschappelijk rationalisme, deels omdat die wereld hen bleef intrigeren, deels omdat ze zich door wetenschappers in de steek voelden gelaten.

“…we zijn niet bereid om even gedwee te buigen voor de loutere vooroordelen van mannen van de wetenschap.” was hun stellingname.

Die pretentie siert tot op de dag van vandaag diezelfde wetenschap die net als bepaalde lieden van het vrije woord een eigen religie van vooroordelen hebben geschapen.

Je had spiritisten die lid werden van het genootschap maar die al vlug botsten met hun ruimdenkerder collegae.
10Sidgwick en gezellen deden voortreffelijk speurwerk en onderwierpen ongeloofwaardige gebeurtenissen aan kritische proeven terwijl de christelijke leden er zeker van waren dat hun onderzoekingen zouden bevestigen wat ze reeds geloofden. (Peter Gray)

Tussen al die spanningen ontmaskerden ze echter allerlei mediums en publiceerden ze een vernietigend rapport over madame Blavatsky.

Toch was de Society eerder een symptoon van een cultuur die op godsdienstig gebied onherstelbaar verscheurd was, dan een belofte van bruikbare kennis, zegt Gray.

De academici en andere geleerden die het genootschap leidden waren niet representatief voor het merendeel van de burgers uit de middenklasse.

En degenen die in een traditionele God bleven geloven en zij aan de andere kant die de secularisatie omarmden konden al dit tumult met enige afstandelijkheid bekijken.

Het middengebied echter was een moeras van verwarring.

Spiritisten kwamen uit alle richtingen: uit het katholicisme, het calvenisme, het lutheranisme, uit het ortodoxe jodendom, het atheïsme en het deïsme.

In 1906, zes jaar na de dood van Sidgwick zei John Maynard Keynes:

‘Alles wat hij ooit gedaan heeft, is zich afvragen of het christendom op waarheid berustte, bewijzen dat niet zo was en hopen dat het wel zo zou zijn.”

Er was dan nog de tegenstelling tussen het geloof van de boeren- en buitenklasse in tegenstelling met het groeiende ongeloof van de emanciperende arbeidersklasse, zodat je in deze melange niet dadelijk van één of een gemeenschappelijk religieus Victoriaans beeld kunt spreken.

Maar er werden duidelijk allelei wegen bewandeld of aangelegd, en die wezen naar een drang om de mens en het hogere op een of andere manier met elkaar te verzoenen.

Over de Victoriaanse angsten hebben we het nog niet gehad, maar als ik denk aan de honderdjarige oorlog tegen de ‘onanie’ dan wordt het duidelijk dat in het fin du siecle toen er allerlei angsten heersten die zich in ons fin de siecle ook nog hebben voorgedaan of zich volop manifesteren.

Toen was er een eerste wereldoorlog die volgens velen ‘zuiverend’ zou werken, en hopen we nu maar dat die waanbeelden niet opnieuw dit fin de siecle laten uitdoven in een mondiaal conflict.

Je kunt de toen heersende religieuze tegenstellingen, of zeg ik beter ‘ideologische confrontaties’ makkelijk vergelijken met wat zich nu afspeelt tussen de politieke machten die religie als wapen gebruiken, iets wat niet dadelijk met vooruitgang heeft te maken.


VAN MODEL NAAR DE ERVARING

dyn002_original_428_462_jpeg_20344_27d112813dabdd06f891c6d033c6f791

De behoefte om te geloven.
Zo noemt Peter Gay in zijn boek ‘De eeuw van Schnitzler’ de voornaamste Victoriaanse kentrek.

Als voorbeeld van die behoefte haalt hij de filosoof WILLIAM JAMES aan (broer van de auteur Henry James), de meest gelezen en gerespecteerde Amerikaanse filosoof en psycholoog uit het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw.

dyn002_original_300_300_jpeg_20344_2e2ad8212c0f90f191532a13a71fc4f5

We kennen hem nog onder de naam van ‘het pragmatisme’ en daarvan vond ik een mooie verklaring in een Engelse cultuurkrant:

Pragmatism is nothing more or less than a method for testing ideas by challenging them to make a difference in our experience of the world. Any concerted intellectual project–be it philosophy or law, architecture or criticism–should not bypass what James called “the rich thicket of reality” by incanting magic “solving names”; he cited “God,” “Matter,” “Reason,” “the Absolute,” and “Energy,” but we might recognize “authorship,” “sign,” “transgression,” “space,” and “the virtual” as well. To James, ideas, however lofty, prove themselves to be true only when they are carried all the way back down to Earth, examined in the clear light of human doubt, and are shown to perform.’

Samengevat, dat rich thicket of reality paste hij dan ook zonder enig compromis toe in zijn eigen leven.

‘Hij was de meest persoonlijke en autobiografische van alle denkers, die zijn filosofie openstelde voor zijn diepste persoonlijke drijfveren – veel openlijker dan onder zijn collega’ s gebruikelijk was.’

Peter Gray De eeuw van Schnitzler, pagina 240

Dat lijkt nu eenvoudig, maar on-Engels was het tot en met.
Engelsen hielden (of houden) van duidelijke modellen: het is wit of zwart, maar alle tinten van grijs zijn ons te moeilijk.

In de schilderkunst zagen we hoe schilders die rollen of symbolen doorbraken toen ze op zoek gingen naar de essentie, naar de synthese die uiteraard bestaat uit variaties en nuances.

dyn002_original_600_457_jpeg_20344_e7503518c673309dfb586b7a42b955a2

De schilder en zijn model van William Orpen was dan ook een shockerend werk, want het naakt zat daar bijna keuvelend in de zetel en was inderdaad een vrouw zonder kleren terwijl het meestal als symbool voor vaderland en hogere ideeën gold (gelden wel, maar natuurlijk was dat ook een dekmanteltje voor de gewone mannelijke nieuwsgierigheid, al is het woord ‘dekmantel’ hier bijzonder grappig als we het over het ‘naakt’ hebben!)

Ik zeg het een beetje simpel want we moeten niet denken dat je die twee klassen, de conserevatieven en de modernisten had waarvan de enen het moeilijk hadden om naar de twintigste eeuw over te stappen en de anderen niet snel genoeg in de twintigste konden zijn .

Dat is een simplistisch denken.
Er waren mensen die gek waren van de landschapsschilders van Barbizon maar geen goed woord voor andere impressionisten over hadden, wegens te slordig of te achteloos.
Anderen bewonderden Van Gogh maar gaven af op doeken van Kandinsky zoals Schnitzler zich door Schönberg voelde opgelicht wat muziek betrof.

De variëteit aan smaken valt op, want die was eindeloos groot, en…zo hoort het ook!

Peter Gay vat dat mooi samen:
‘Kortom, de grenzen tussen de honkvaste bourgeois en de vermetele ontdekkingsreizigers waren vaag.’ (p294)

En vanuit dat standpunt betekende William James (het wemelt van de Williams!) erg veel door de werkelijkheid zoals je die ervaarde als uitgangspunt te nemen voor onderzoek.

Hedendaagse markettinglieden zouden het moeilijk hebben met die Victorianen!

En wat dan als het over ‘God’ ging? Het model bij uitstek, de uiteindelijke projectie?
Terug naar de eerste zin: de behoefte om te geloven.

Dat is weer een ander verhaal.


VAN HET INTERIEUR NAAR HET BLOEDIGE EXTERIEUR

 

dyn008_original_403_500_jpeg_20344_780fb6abf6c951cd5e18e6c8d4a13053

Vergeef me dat ik de Franse kunstenaars nog even tot volgende week uitstel, want levensverhalen laten zich niet altijd rangschikken in afleveringen, tenslotte is het leven geen feuilleton al heeft het daar veel van weg en zijn gemeenplaatsen nooit ver weg.

Ik beweeg me graag tussen beklemmingen.
Al is ‘graag’ hier meer een eufemisme waarin de noodgedwongen verdrukte na een tijdje zijn lot op zijn schouders tilt en de last best lachwekkend durft te vinden bij gebrek aan alternatief uiteraard.

dyn008_original_450_544_jpeg_20344_2c109abc8aeab1c5dbefe97b493d6b7e

Hier zijn het twee werken van William Orpen.
Helemaal boven één van zijn talrijke geïllustreerde brieven, en ik vond net dit vel zo boeiend omdat hij hier zichzelf heeft afgebeeld met de oudere Amerikaanse schilder Sargent waarover we vorige jaren uitvoerig schreven.

Ze kenden elkaar goed, hebben in hun werk veel tinten en thema’ s gemeenschappelijk, maar Sargent weigerde Orpen als zijn opvoger te zien.

Daaronder het mooie zelfportret waarin hij zijn eigen einde bijna voorspelt.
Drank is inderdaad overvloedig aanwezig, en het is diezelfde drank die hem in latere jaren fataal zou worden.

Een mens is vaak geklemd tussen zijn zelfbeelden.
Het feit dat je niet ‘erkend’ wordt, dat de jaren zijn verdampt zonder dat je verwachtingen zijn ingevuld, en de vluchtmogelijkheden, de doodlopende straatjes die jij alleen niet als ‘dood’ ervaart, maar als een soort transformatie van het aardse stratenplan naar hemelse geneugten, de roes.

dyn008_original_512_423_jpeg_20344_faa09de5f5e7959704a57dd43912eda6

De rolluiken worden neergelaten.
Jouw leven is jouw leven niet meer, of net wel, en nog alleen ‘jouw’ leven, dat kan ook.

Oorlogskunstenaar ben je dan in het Westvlaamse Zonnebeke( 1918) of kijk je naar het Talbothuis in Ieper( Rothenstein)

dyn008_original_505_338_jpeg_20344_301b5d62ca4589ab2f0abe2e3523ac23

Orpen schrijft er later een boek over.
Summertime aan de Somme. Een fragment.

‘Never shall I forget my first sight of the Somme in summer-time. I hadleft it mud, nothing but water, shell-holes and mud–the most gloomy,dreary abomination of desolation the mind could imagine; and now, inthe summer of 1917, no words could express the beauty of it. Thedreary, dismal mud was baked white and pure–dazzling white. Whitedaisies, red poppies and a blue flower, great masses of them,stretched for miles and miles. The sky a pure dark blue, and the wholeair, up to a height of about forty feet, thick with white butterflies:your clothes were covered with butterflies. It was like an enchantedland; but in the place of fairies there were thousands of little whitecrosses, marked “Unknown British Soldier,” for the most part. (Later,all these bodies were taken up and nearly all were identified andre-buried in Army cemeteries.)

dyn008_original_307_499_jpeg_20344_e0e18e95b778e299f1af0f4a9f83a069

An onlooker in France 1917

Het beeld hierboven is van Augustus John, de man die poseerde voor ‘het poppenhuis’.
Hij heeft het begrepen.
Eén van de soldaten is bijna nog een kind.
Unknow to God.

dyn008_original_515_417_jpeg_20344_ca9a273afde61dca9cfa4d1941c48c62

De witte kruisjes verbergen jongenslevens, en zoals Schindlers list eindigt met de optocht van ‘de overlevenden’ denk ik altijd aan de ‘afwezigen’ als ik door de streek reis.

‘Jullie hadden onze grootvaders en vaders kunnen zijn,’ las ik in een boekje op een kerkhof waar naast opmerkingen als ‘mooi kerkhof’, ‘goed verzorgd’ deze zin duidelijk maakte dat de dood van al die jongens miljoenen anderen van het leven beroofde , de niet-levenden.

En ergens daar dichtbij liep er al een gefrustreerde man rond, ook een schilder, en die zag Duitsland ten onder gaan en zou dat later met nog eens zoveel doden betaald zetten.

Van het interieur naar de bloedige velden.
Kapot geschoten interieurs, of interieurs waar een plaats voor altijd leeg bleef.
Altijd iemands kind.