Om te begrijpen hoe het gebruik van de aphrodisia in het denken over de knapenliefde wordt geproblematiseerd, moeten we ons een principe herinneren dat stellig niet eigen is aan de Griekse cultuur, maar dat heel belangrijk werd en in de morele beoordelingen een beslissende invloed heeft uitgeoefend.

Zo begint Foucault zijn hoofdstukje onder de wat vreemde naam ‘het lustobject’.

Het principe van de isomorfie tussen de seksuele en de maatschappelijke betrekking vormt daarvan de kern.
Houden we in onze gedachte dat in de seksuele betrekking, de polariteit tussen actieve en passieve partner, als hetzelfde model wordt gezien als de betrekking tussen meerdere en mindere, overheerser en overheerste, onderwerper en onderworpene.

De genotspraktijken worden in dezelfde grondbegrippen gedacht als het veld van de maatschappelijke wedijver en hiërarchie: overeenkomst in de structuur van wedkamp, in de tegenstellingen differentiaties, in de waarden die aan de respectieve rollen van de partners worden toegewezen.
En vandaaruit kunnen we begrijpen dat er in het seksuele gedrag een wezenlijke eerbare rol is die met het volste recht wordt gewaardeerd: de actieve, overheersende en penetrerende rol, die zo een overwicht uitoefent.

Dat heeft inderdaad verschillende gevolgen voor de status van degenen die de passieve partners in deze activiteit moeten zijn.
Er zijn natuurlijk de slaven , hun situatie maakt hen tot seksuele objecten waarover geen vragen hoeven te worden gesteld.
Zelfs zo dat men zich verbaasde dat dezelfde wet de verkrachting van slaven en kinderen verbiedt.

Aeschinus oppert daarover dat men door zelfs geweld tegen slaven te verbieden heeft willen aantonen hoe ernstig het was dit tegen kinderen van goede afkomst te richten.

De passiviteit van de vrouw brengt duidelijk een natuurlijke en maatschappelijke ondergeschiktheid tot uitdrukking, maar dit gedrag moet niet worden gelaakt omdat het juist met de wil van de natuur en de voorschriften van haar status in overeenstemming is.

Daarentegen kan alles wat bij een vrij man door zijn seksuele ondergschiktheid, ondergane heerschappij of aanvaarde onderworpenheid uitdrukt, alleen maar als schandelijk worden beschouwd: een schande die nog groter is als hij zich leent tot toegeeflijk lustobject van de ander.

De positie van de knaap -van de knaap van vrije afkomst- is hierin dus zeer moeilijk.
Natuurlijk heeft hij nog zijn ondergeschikte positie, maar toch komt die niet met die van een slaaf noch met die van een vrouw overeen.

dyn003_original_307_429_jpeg_20344_d9ab677bb0d95b0f2042cf3ffe85886a

In de Politica schrijft Aristoteles daarover.
Als hij de voor het gezin specifieke gezagsverhoudingen en bestuursvormen behandelt, omschrijft Aristoteles de positie van de slaaf, de vrouw en het (mannelijke) kind met betrekking tot het gezinshoofd.

Slaven besturen is niet hetzelfde als vrije wezens besturen, zegt Aristoteles: een vrouw besturen is een ‘politieke’ macht uitoefenen waarin de betrekkingen duurzaam ongelijk zijn.
Daarentegen kan het besturen van kinderen ‘koninklijk’ worden genoemd omdat dit besturen ‘op genegenheid en leeftijdsoverwicht’ stoelt.

dyn003_original_364_543_jpeg_20344_e447487f2e12ab0bdabb268ff6a6c9a1

De slaaf mist immers het beraadslagende vermogen, bij de vrouw is dit stellig aanwezig, maar bij haar oefent het geen beslissingsfunctie uit.
Bij de knaap heeft het gebrek enkel op de mate van ontwikkeling betrekking, die nog niet haar voltooing heeft bereikt.

En is de morele opvoeding van de vrouwen belangrijk omdat ze de helft van de vrije bevolking vormen, dan is de opvoeding van de mannelijke kinderen nog belangrijker, ze heeft immers betrekking op de toekomstige burgers die aan het bestuur van de polis zullen deelnemen.

Dus ook hier zien we de specifieke positie van de knaap benadrukt worden, gezien zijn toekomstige status.
En tot op zekere hoogte geldt dat ook in het spel van de seksuele betrekkingen.
Onder de verschillende ‘rechtmatige objecten’ neemt de knaap een bijzondere plaats in.
Hij vormt bepaald geen verboden object.
In Athene beschermen bepaalde wetten de vrije kinderen (tegen de volwassenen die tenminste enige tijd niet het recht hebben de scholen te betreden, tegen de slaven die zich aan de dood blootstellen als ze hen zouden bederven en tegen hun vader of voogd die gestraft wordt als hij hen prostitueert.
Maar niets verhindert of verbiedt dat een adolescent voor ieders ogen de seksuele partner van een man is.

Maar er is een blinde vlek, schrijft Foucault, een hindernis.
Daarover een volgende keer