2.4

De ‘nature morte’s’ uit mijn collectie brengen me vaker dan weleer naar jouw ‘Nature Morte’ want ‘Dingen en mensen alom’ zoals je prachtig vers begint, zou heden ten dage alvast op je thuisstad Sint Petersburg kunnen duiden waar nu volop de eerder toeristische witte nachten gevierd worden, een viering die tijdens jouw jeugd beperkt bleef tot enkele openlucht concerten klassieke muziek meen ik te weten.
De ‘dingen’ dat zijn de gebouwen, -of schrijf ik decors- de bruggen, de veel te grote pleinen, maar ook de details, als je tenminste een Winterpaleis vol mooie spullen bij ‘de dingen mag klasseren?

Dingen en mensen alom.
‘Iedere categorie etst het het getergde oog.
Liever verduistering.
Ik zit en kijk van mijn bank
naar een passerend gezin
op zijn weg door het park.
Ik hou het licht voor gezien.’

Het is inderdaad januari als je deze tekst oproept, midden in de zwarte nachten van je stad.  Het wordt geen dag meer.  Je houdt het licht voor gezien maar je raakt het donker zat, dus wil je spreken.

Klaar. Ik begin terstond.
Iedere start is raak.
Zwijgen met open mond?
Ik geef de voorkeur aan spraak.

Maar waarover moet je spreken?  Over de dag, de nacht, over niets, over dingen want mensen gaan allemaal dood. Ik voel met je mee als je voor die keuze staat:  dingen of mensen.

Ik geef om mensen geen zier.
Ik moet hun uiterlijk niet.
Ze hebben een soort van blik
vast aan het leven geniet
en op hun gezicht geprikt.
Er zit in hun blik iets bij
dat in de geest weerzin wekt.
Een uiting van vleierij.
Voor wie, dat is niet bekend.

Ja, als zelfs je voornaam zo’n vleierij naar de grote roerganger was, een tiran die onder luid gehuil en geween ten grave werd gedragen toen je dertien was, (1953) en wiens opvolgers jou het leven verder gingen vergallen met die soort blik vast aan het leven geniet en op hun gezicht geprikt. Ik begrijp heel goed dat je het meer voor ‘Dingen’ had.

Dingen zijn prettiger
Hun huis bevat kwaad noch goed.
Dat is er evenmin
Als je ze opendoet.
Binnen een voorwerp zit molm.
Stof.  Een houtkever.  Wand.
Een verschrompelde mot.
Ongerief voor de hand.
Stof. En het aangedraaide licht
Schijnt alleen op het stof.

3.2

Dat is één kant van je liefde voor ‘dingen’ .  Voor jou zijn ze niet dood, zijn ze niet onpersoonlijk, want je schreef aan je dochter : ‘Bedenk dat ik in de buurt zal zijn. Of beter, dat elk levenloos voorwerp je vader kan zijn, zeker als de voorwerpen groter zijn dan jou, of ouder.’

De dingen leveren meest
Zelfs met het stof geen strijd,
trekken geen wenkbrauw op.
Stof is het vlees van de tijd;
het vlees en tevens het bloed.

Met dat beeld kom je bij je eigen ‘bewegingsloosheid’ uit.  Je beklaagt je dat je bij klaarlichte dag in slaap valt. Alles aan jezelf ervaar je als koud, je hebt een marmeren huid, en de essenties daarvan onttrekken zich ‘aan de orde van taal’.

De dingen daarentegen bewegen niet, maar ze staan ook niet.  Ze zijn ruimte waarbuiten geen dingen bestaan.
Wat je er ook mee doet, al gooi je ze aan stukken, doorboor je ze, maak je er prut van

…Maar je hoort nooit
Dat een ding roept “Kut.”

Ben je nog in het park?  Zit je nog op dat bankje in die januarimaand? Je hebt het over een ‘boom’ met de wortels onder hem als een knoesterig monogram’.

Klei. Een stenenpatroon.
Wortels. Verwevenheid.
Het eigen gewicht van steen
maakt het voorwerp bevrijd
van het geldend bandensysteem.
Niet te bewegen.

De vertaler had het moeilijk met het omzetten van een tijd die een duur aanduidt, een duratief, een constructie wij in het Nederlands niet kennen, vandaar ‘maakt het voorwerp bevrijd’ wat toch ook een fraaie poging is om dat bevrijden in zijn ontologie, zijn ontstaan te bekijken.
Het wordt donker in je park.  Vallende schemering.

De bruine kleur van een ding.
Omtrekken uitgewist.
Vallende schemering.
Nature Morte. En verder niets.

Je moet geen Rus zijn om dan de dood aan te voelen, de dood met jouw ogenpaar, zeg je.

De moeder richt het woord tot Christus:
‘Je hangt aan het kruis.
Ben je mijn zoon of mijn God?
Hoe kom ik terug naar huis?
Hoe raak ik weer in mijn woon,
zonder dat ik besloot: Ben jij mijn God of mijn zoon?
Ben je levend of dood?’
Waarop hij antwoordend zei: ‘levend of dood, o vrouw,
er is geen onderscheid.  God of zoon- Ik ben van jou.

De essentiële vragen verzinken in het niets want ‘ik ben van jou’, en die verbinding maakt  namen en levend of dood overbodig.  Ik ben van jou.

Beste Iossif, met jou hou ik ook die verbinding over, een ‘verwevenheid’ die er altijd geweest is, die de essentie van de liefde durft benaderen.

5.2

Ik weet dat er op het kerkhof in San Michele (Venetië) altijd schrijfpapier, en potloden en pennen liggen naast de steentjes die van het bezoek moeten getuigen.  Maar als ik je teksten lees, en ze in je mytisch zangerig Russisch hoor voordragen, bezwerend, zonder de woorden pijn te doen, noch ze vergroten of weg te duwen, dan weet ik dat je nog volop schrijft. Ook nu is er een lezer(es) die voor de eerste keer je Nature Morte leest.  Nu de dagen hun uiterste rekbaarheid hebben gekregen, de merels nog enkele weken zingen, het licht geen blijf weet met de korte nachten, omgeef je ons met je woorden.
Brodsky, zou ik zeggen, mochten we elkaar tegenkomen, ‘…Elke klank is mijn keel gepasseerd behalve janken, want jouw ster zal de hemel nooit verlaten. 

Winter of Witte Nachten. Donker of Licht.  Ze straalt. Terwijl ik beneden rondloop en me afvraag hoe ik weer thuis kom. Witte nachten kunnen zo verdomd donker zijn! Dus begin ik jouw Nature Morte te zingen:

Dingen en mensen alom…