DP800457.jpg

Dit is één van de tekeningen die in mijn vroege kinderjaren de nodige indruk op me maakte. Het was niet deze oorspronkelijke tekening van de befaamde Luikenaar-Hollander Gérard de Lairesse (1641-1711) een man waarover je een feuilleton zou kunnen maken (in de kelder van het Amsterdamse raadhuis opgesloten omdat hij Frans praatte!) maar de copiïst had vast deze tekening gezien want de opstelling van de apostelen en Maria bleek dezelfde te zijn, en vooral: de vurige tongen boven hun hoofden herinner ik mij tot op de dag van vandaag als een vroege uitgave van een starwars-film die wel meer dan dit vurige met de bijbel gemeen heeft.

In mijn ‘gewijde geschiedenis’ werd de schrik van de apostelen sterk in de verf gezet.  Hoe zou je zelf zijn?  Je laat je netten en bijbehorende familie in de steek om een wondere man te volgen.  Die wordt triomfantelijk ingehaald om enkele dagen later als een slaaf op het kruis te sterven.  Na drie dagen is zijn graf leeg.  Hij verschijnt aan hen, laat de ongelovige Thomas zelf de letterlijke vinger op de wonde leggen, spreekt hen bemoedigend toe en vaart dan ten hemel. (iets wat ik altijd met een luchtschip, een eigen uitgave van de zeppelin zag gebeuren)  Hij beloofde hen niet in de steek te laten en zou zijn Geest sturen om hen bij te staan.
Nu zitten ze samen.  De omgeving is hen niet zo goed gezind.  Het succesverhaal blijkt uitverteld.

Ze hebben ramen en deuren afgesloten werd mij als kind verteld.  Ik kon me de situatie heel goed voorstellen.  Vooral hun vragen.  Ik zat er ook mee.  Vader, zoon en geest, de drie-eenheid die toch maar één god voorstelde. 
In de hedendaagse vertaling (2004) begint het verhaal op deze manier:

‘Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.’

Dat heeft Lairesse heel goed aangevoeld in zijn mooie tekening, al zijn er toch nog een aantal aanwezigen zonder ‘vuurtong’ te zien.  De figuur van Maria lag niet zo goed in het protestantse land waar hij werkte, en waarschijnlijk was er ook nog personeel of goede vrienden aanwezig, of bleek het gewoon een compositorische kwestie zijn:  te veel van die vlammen maakte de gebeurtenis niet zo overzichtelijk.

Ik had al weinig op met ‘hevige windstoten’ die meestal ‘verschijningen’ vooraf gingen zoals ik in de filmen over Lourdes en Fatima had gezien, en nu kreeg ik ook nog de associatie met ‘vurige tongen’ in mijn kinderlijke fantasie geprent. Maar ik vond het tegelijkertijd heel fideel van de man die ten hemel was gevaren dat hij hen niet vergeten was.  De sceptici daarbuiten zouden nog al eens staan te kijken als de verlichte geesten zouden buitenkomen. Daarbij kwam het feit dat de invloed van die tong ook sloeg op het ‘in tongen spreken’, dat ze zonder moeite verstaanbaar waren voor een boel vreemdelingen.

‘In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken. Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Lybië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’

Dat talenwonder overtrof de vuurtongen.  Zelf was ik als kind gek op vreemde talen. Ik leerde Esperanto -althans enkele zinnetjes- uit een oud boekje waarmee mijn moeder in de jaren dertig het geloof in een eenheidstaal probeerde uit te dragen.  Ik maakte zelf talen die ik één dag later niet meer begreep. Ik luisterde graag naar de buitenlandse radiozenders en probeerde allerlei woorden en begrippen naar het Nederlands te vertalen. Wat zou ik het heerlijk hebben gevonden met een vurige tong boven mijn krullenkop door de halve wereld begrepen te worden terwijl ik op het platte dak voor mijn kinderkamer de toegestroomde menigte mocht toespreken.

De laatste zinnen van het verhaal waren heel ontnuchterend.

‘Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’

Zat, zegden wij.  ‘Hij is zat.’ Mijn grootvader Gust die onder een van de Luikse forten had gelegen kende dat woord tot in de praktijk. Ik heb hem meermaals zien thuiskomen ‘in tongen sprekend’ en ik heb telkens naar de vurige tong boven zijn kale schedel gezocht, want je weet maar nooit.
Maar die vurige tong was er in augustus 1914 al geweest en had zijn mooie jongemannen-lichaam levenslang geschonden.

De volgende dag als hij weer nuchter was kreeg ik meestal een lat ‘martougin-chocolade’.  Dat was een prachtig geschenk want chocolade was nog een zeldzaam iets. 
‘Heb ik gisteren iets verkeerd gezegd, manneke?’ vroeg hij dan.
Ik schudde mijn hoofd en rook aan de blauwe wikkel.
‘Ik denk dat je ‘t over de oorlog had, vava.’
‘Echt waar?’
Ik knikte.  Ik wilde zeggen dat hij gerust in tongen mocht spreken want ik begreep helemaal wat hij bedoelde.  Ik, de kleine Jood uit een ver land (Pamfylië vond ik heel mooi klinken) die zich in zo’n Kempens stadje had gevestigd en christelijk werd opgevoed. (een omgekeerde proseliet!)

Nu, als oude ongelovige, begrijp ik de schoonheid van de verhalen, heb ik heimwee naar de riten en  telkens terugkerende vieringen, een heimwee dat ik deel met Alain De Boton.  Hij beschrijft het in zijn nieuwste boek ‘Religie voor a
theïsten’.
(net verschenen bij uitgeverij Atlas)

De schrik slaat me om het hart als ik de hardheid van politieke standpunten hoor, de prekerige stukjes van hoofdredacteurs, het tekort aan mededogen ervaar, allen in dienst van het Beest, de meute. Maar dat is een ander verhaal.

Ik kan me die angsten dus ook heel goed voorstellen.  Laat het huis maar even schokken van die wervelwinden die onze boosheid en hardheid wegblazen om plaats te maken voor de mooiste vurige tongen die het ons mogelijk maken elkaar te beluisteren en te aanvaarden zonder al te veel vooroordelen.

Ik zal weldra over jou vertellen, vava. In dat  jaar 2014 waarin we 100 jaar verwijderd zijn van jouw vurige tong.  Laat mij dan maar op mijn plat schrijversdak klimmen en spreken.  ‘t Heeft lang geduurd, maar de Geest kent heel veel geduld.  Hij heeft immers met mensen te doen.