GEVALLEN WOORDEN (3)

janet cardiff Opera_20050.jpg

 

Kwam ik thuis

 vond ik je briefjes,

draaide ik muziek:

een drenkeling was ik

in je zee van nagebleven kussen.

Romeo must die‘ of

Walking in L.A.

Missing Persons

 duizendvoudig in jou geconcentreerd.

 

Koperen patina nu je al zo lang

je moeders krijtstrepen als excuus gebruikt.

 

Soms,

als de nachten vrij van gewichtheffers

en schoolmeesters zijn,

hoor ik uit duizend monden

van het jeugdig fluitekruid

‘one of the boys’:

 

I saw a spider, I didn’t scream

Cause I can belch the alphabet.’

 

Nochtans zo ongeletterd was je niet.

 

luhring augustine Experiment_in_F_Minor_web1.jpg

 

 

 

 

GEVALLEN WOORDEN (2)

cardiff 0e08d6e3.jpg

 

Heb ik een vlucht spreeuwen gehuisvest in mijn zieke longen, vroeg de stervende.

een heilig boek uitgehoest,

over jouw lippen

het zout van krampachtige stilte gestrooid?

Je zweeg.

cardiff janet02.jpg

Ik herkende de plaatsen

waar gedroogde zielen jaren waren opgeprikt,

waar bidden vloeken is

en rechtvaardigen

je leven verletteren tot voorgeschreven karigheid.

40_part_motet0.jpg

Dacht je echt

jezelf te overschreeuwen

terwijl je wist

dat in de late stilte

wij al vergroeid waren

nog voor  bange ratten ons besnuffelden?

 

Je zweeg.

 

Thomas riep de jongens

die zijn ‘Spem in Alium’ zongen

en wij, levenloze kinderen

ons soortelijk gewicht in asters

op de vensterbanken zetten.

 

Er zijn zesduizend soorten zweefvliegjes,

wat denk je dan van ons te weten?

 

 

 

choir_darker_final0.jpg

(Werk van Janet Cardiff, Luhring Augustine gallery NY )

GEVALLEN WOORDEN

grosz12.jpg

Er vielen harde woorden

zoals woorden vallen

als glazen knikkers,

of diep gekoelde stukken ijs

in doodse goede vrijdag-stilte

in scherven

aan de voeten van dobbelende soldaten liggen.

 

En zie,

geen steekgrage brokken

 noch gladde projectielen

of verbogen vijlen

vond ik in gebroken woorden

maar

het schuim van zachte golfjes die

‘ s nachts ongezien over elkaar aan land rollen,

 lucht

door wuivende handen nagelaten

bij betraande achterblijvers,

geur

van gestreken hemden waarin jij woonde,

dat waren enkele

dingen

die van harde woorden

overbleven,

 

maar vooral het open raam

met een schijfje

sterrenhemel

in het doorzichtig glas

en daarin misschien jouw vleugelslag

 

ZANG dzMommyTrack.jpg

 

 

 

GEDIEPVRIESDE WOORDEN : DE JONGE JAREN VAN MAURICE

forster_aged_eleven.jpg

Hier is hij elf jaar. E.M. Forster. Schrijver die je waarschijnlijk beter langs de cinema dan via zijn boeken kent: Howards end (1910), A Passage to India (1924), A Room with a view (1908) en…Maurice (gepubliceerd in 1971, een jaar na zijn dood maar geschreven in 1913,1914, honderd jaar geleden dus. De opdracht:

‘begonnen in 1913 en voltooid in 1914

opgedragen aan een gelukkiger jaar.’

 

Het fotootje hierboven van de architecten-zoon, op de eerste dag van het jaar 1889 geboren, komt uit 1900. Anglo-Irish and Welsh middle class family. In feite zou hij Henry Morgan Forster moeten heten, maar bij zijn doopsel kreeg hij per ongeluk de naam Edward Morgan Forster mee.

Aan geld geen gebrek en zo werd hij een schrijver en vinden we het joch in het King’ s College, Cambridge tussen 1897 en 1901.  De rest lees je makkelijk in talrijke bronnen, enkele woorden weg van zijn naam op de zoekmachines van de computer.

‘Omdat hij van zijn leerlingen scheidde als zij veertien waren, vergat hij dat zij zich tot mannen hadden ontwikkeld.  Zij waren voor hem een klein, maar afgeronde mensensoort, als Nieuw-Guinese pygmeeën, ‘zijn jongens’.  En zij waren zelfs makkelijker te begrijpen dan zijn pygmeeën, omdat zij nooit trouwden en zelden stierven. Ongehuwd en sterfelijk trok de lange processie aan hem voorbij, in breedte somtijds wisselend van vijfentwintig tot veertig. ‘Het nut van boeken over opvoedkunde begrijp ik niet.  Jongens waren er al voordat de opvoedkunde werd uitgevonden.’  Ducie glimlachte dan, omdat hij een overtuigd aanhanger van de evolutieleer was.’ (p10)

Je krijg maar even een inkijk in de jonge jaren van de hoofdpersoon, Maurice Hall.  We weten wel dat hij denkt niet te zullen trouwen en dat zijn vrij bazige moeder (naar werkelijkheid in zijn eigen leven getekend) de tuinjongen George heeft afgedankt wegens te veel belangstelling van zoonlief voor de jongen en vice versa. De manier waarop ze hem verteld dat hij er niet meer is en tegelijkertijd zijn vragen ontwijkt is een prachtig voorbeeld van dialoogkunst. Daarna:

‘Toen Maurice tenslotte naar bed ging, deed hij dit met tegenzin.  Die kamer had hem altijd angst aangejaagd.  Hij had zich de hele avond zo volwassen gedragen, maar het oude gevoel bekroop hem weer zodra zijn moeder hem goedenacht had gekust.  Het probleem was de spiegel.  Hij vond het niet erg zijn gezicht er in te zien en het stoorde hem ook niet als de spiegel een schaduw op het plafond wierp, maar hij kon er niet teen als zijn schaduw op het plafond in het spiegelglas weerkaatste. Gewoonlijk stelde hij de kaars zo op dat deze combinatie werd vermeden, en waagde hij het daarna hem terug te zetten om vervolgens door angst bevangen te worden.  Hij wist niet wat het was, het deed hem aan niets afschuwelijks terugdenken.  Toch was hij bang.  Tenslotte doofde hij dan de kaars en schoot in zijn bed.  Algehele duisternis kon hij verdragen, maar deze kamer had bovendien het nadeel dat hij zich tegenover een straatlantaarn bevond.  Op goede nachten drong het licht niet op een onrustbarende wijze door de gordijnen, maar soms vielen er lichtvlekken in de vorm van schedels op het meubilair.  Zijn hart bonsde hevig, en hij lag verstijfd van angst in zijn bed alhoewel alle gezinsleden zich vlakbij hem bevonden.

Toen hij zijn ogen opende om te zien of de vlekken kleiner waren geworden, dacht hij aan Georges terug. Ergens in de onpeilbare diepten van zijn hart roerde zich iets.  ‘George, George,’ fluisterde hij.  Wie was George?  Niemand, gewoon een knecht.  Moeder, Ada en Kitty waren veel belangrijker.  Hij was echter te jong om zo te redeneren.  Hij wist zelfs niet dat, toen hij zich overgaf aan zijn verdriet, de spookbeelden hun greep op hem verloren en hij in slaap viel.’ (20-21)

Niet eens een opmerkelijke jongen, Maurice. In zijn middelbare school zou hij gewoon herinnerd worden als ‘Hall? Wacht eens, Hall, wie was dat? O ja, ik herinner mij hem; deed het niet gek.’

‘Maurice vergat dat hij ooit geslachtloos was geweest, en pas op rijpere leeftijd drong het tot hem door hoe juist en duidelijk de gewaarwordingen uit zijn vroegste jeugd moesten zijn geweest.  Hij verwijderde zich nu ver van hen, omdat hij in het Dal van de Schaduw des Levens afdaalde.  Het ligt tussen de lage en hoge bergen in, en niemand kan voort zonder zijn nevels te hebben ingeademd.  Hij dwaalde er langer in rond dan de meeste jongens.

Als alles duister is en het besef ontbreekt, geeft een droom de beste uitleg. Maurice kreeg twee dromen op school; deze verklaren hem. (22-23)

In de eerste droom speelt George mee, naakt kwam hij over de velden naar hem toe gelopen.

‘Ik word gek als hij nu iets verkeerds doet, zei Maurice, en dit gebeurde precies op het moment dat zij elkaar raakten, en hij werd wakker door een wrede ontgoocheling.’

De tweede droom was kort maar des te heviger.

‘Hij zag vluchtig een gezicht en hoorde vaag een stem zeggen: “Dit is je vriend” en daarna was het over.  De droom had hem een overweldigende schoonheidservaring gegeven en de weg naar tederheid gewezen. Hij kon voor zo’n vriend zijn leven geven, hij zou willen dat zo’n vriend zijn leven voor hem gaf.’ (23)

Als ‘dromer’ begon hij van zichzelf te walgen toen zijn lichaam zich ontwikkelde.

‘Hij hunkerde naar vuilbekkerij, maar ving er weinig van op en droeg er nog minder toe bij, en zijn voornaamste oneerbare ervaringen deed hij in eenzaamheid op. Wat boeken betreft: de schoolbibliotheek was smetteloos, maar in de studeerkamer van zijn grootvader vond hij eens bij toeval een ongekuiste Martialis, waar hij zich met rode oren doorheen haastte.  Wat gedachten betreft:  hij bezat een vuile kleine verzameling.  Wat handelingen betreft: hij onthield zich ervan toen het nieuwe er af was, omdat hij ondervond dat zij hem meer vermoeidheid dan genoegen gaven.

Dit alles vond plaats in een soort droomtoestand zoals de begrijpende lezer zich zal realiseren. Maurice was in slaap gevallen in het Dal van de Schaduw, ver onder de toppen van beide bergruggen, en was zich hiervan niet bewust, netzomin als hij wist dat zijn schoolkameraden op dezelfde manier sliepen.’ 

De andere helft van zijn leven leek oneindig ver van onze onzedelijkheid verwijderd. Toen hij in de hogere klassen kwam, begon hij soms een jongen te aanbidden.  Als deze jongen, hetzij ouder of jonger aanwezig was, lachte hij luid, zei nonsens en kon niet werken.  Hij durfde niet aardig te zijn – dat deed men eenvoudig niet – en nog minder zijn bewondering in woorden uit te drukken En de aangebedene schudde hem steeds na korte tijd van zich af, zodat hem niets anders overbleef dan een slecht humeur.  Hij kreeg echter de gelegenheid revanche te nemen. Andere jongens keken hem soms naar de ogen, en als hij dit besefte, schudde hij hen van zich af.  In één geval was de verering wederzijds; beiden hunkerden zij naar iets onbestemds; het leidde echter tot hetzelfde resultaat.  Binnen enkele dagen hadden zij ruzie.  het enige wat de chaos opleverde, waren de twee sensaties van schoonheid en tederheid die hij voor het eerst in zijn droom had ervaren.  Ze groeiden ieder jaar, gedijend als planten die alleen uit bladeren bestaan en geen spoor van bloei vertonen.  Kort voor hij zijn schooltijd in Sunnington afsloot, hield de groei op.  Het gecompliceerde proces stopte plotseling, kwam tot stilstand, en de jonge man begon schuchter om zich heen te kijken. (25)

E. M. Forster, Maurice, vertaald door Theo Kars, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1977

 

burden douglas 1940.jpg

 

De foto van een onbekende jongen is van Burden Douglas, 1940, uit de collectie van het MOMA, NY

THE DEAD OF ADULTHOOD IN AMERICAN CULTURE

huckelberry.jpg

 

Gisteren, en dat nog wel op 9/11 verscheen in de New York Times een opmerkelijk artikel. Omdat er hier ten huize en in de nabije omtrek ook al eens werd gesuggereerd dat hedendaagse literatuur erg veel op ‘jeugdliteratuur van weleer’ lijkt, -we hadden het toen over The Cirkel van Eggers, ja zelfs over Het Puttertje van Donna Tartt en enkele boeken van Herman Koch (vooral Het Zomerhuis met zwembad)- waardoor de titel: ‘The dead of adulthood in American culture’ ons wel aansprak.

Ik heb het artikel ingekort, en wie het helemaal wil lezen kan makkelijk naar de NY Times van gisteren of zelfs rechtstreeks via de titel.

Vandaag waren er al zo’n 500 commentaren verschenen, en wellicht vinden we het over enkele dagen of weken wel eens terug in onze kranten.

Als signaleerder wil ik het mijn onbekende lezer(es) niet onthouden.

 

The Death of Adulthood in American Culture
A.O. Scott 11 sept 2014 NY times

 Who or what killed adulthood? Was the death slow or sudden? Natural or violent? The work of one culprit or many? Justifiable homicide or coldblooded murder?

We Americans have never been all that comfortable with patriarchy in the strict sense of the word. The men who established our political independence — guys who, for the most part, would be considered late adolescents by today’s standards (including Benjamin Franklin, in some ways the most boyish of the bunch) — did so partly in revolt against the authority of King George III, a corrupt, unreasonable and abusive father figure. It was not until more than a century later that those rebellious sons became paternal symbols in their own right. They weren’t widely referred to as Founding Fathers until Warren Harding, then a senator, used the phrase around the time of World War I.

From the start, American culture was notably resistant to the claims of parental authority and the imperatives of adulthood. Surveying the canon of American literature in his magisterial “Love and Death in the American Novel,” Leslie A. Fiedler suggested, more than half a century before Ruth Graham, that “the great works of American fiction are notoriously at home in the children’s section of the library.” Musing on the legacy of Rip Van Winkle and Huckleberry Finn, he broadened this observation into a sweeping (and still very much relevant) diagnosis of the national personality:

“The typical male protagonist of our fiction has been a man on the run, harried into the forest and out to sea, down the river or into combat — anywhere to avoid ‘civilization,’ which is to say the confrontation of a man and woman which leads to the fall to sex, marriage and responsibility. One of the factors that determine theme and form in our great books is this strategy of evasion, this retreat to nature and childhood which makes our literature (and life!) so charmingly and infuriatingly ‘boyish.’ ”

Fiedler saw American literature as sophomoric. He lamented the absence of books that tackled marriage and courtship — for him the great grown-up themes of the novel in its mature, canonical form. Instead, notwithstanding a few outliers like Henry James and Edith Wharton, we have a literature of boys’ adventures and female sentimentality. Or, to put it another way, all American fiction is young-adult fiction.

. As before, the rebellious animus of the disaffected man-child was directed not just against male authority but also against women. In Sandler’s early, funny movies, and in many others released under Apatow’s imprimatur, women are confined to narrowly archetypal roles. Nice mommies and patient wives are idealized; it’s a relief to get away from them and a comfort to know that they’ll take care of you when you return. Mean mommies and controlling wives are ridiculed and humiliated. Sexually assertive women are in need of being shamed and tamed. True contentment is only found with your friends, who are into porn and “Star Wars” and weed and video games and all the stuff that girls and parents just don’t understand.

star_wars-2--d689f92517648cc62ce56fc137295a61254be403-s40.jpg


The bro comedy has been, at its worst, a cesspool of nervous homophobia and lazy racial stereotyping. Its postures of revolt tend to exemplify the reactionary habit of pretending that those with the most social power are really beleaguered and oppressed. But their refusal of maturity also invites some critical reflection about just what adulthood is supposed to mean. In the old, classic comedies of the studio era — the screwbally roller coasters of marriage and remarriage, with their dizzying verbiage and sly innuendo — adulthood was a fact. It was inconvertible and burdensome but also full of opportunity. You could drink, smoke, flirt and spend money. The trick was to balance the fulfillment of your wants with the carrying out of your duties.

Maybe nobody grows up anymore, but everyone gets older. What happens to the boy rebels when the dream of perpetual childhood fades and the traditional prerogatives of manhood are unavailable? There are two options: They become irrelevant or they turn into Louis C. K. Every white American male under the age of 50 is some version of the character he plays on “Louie,” a show almost entirely devoted to the absurdity of being a pale, doughy heterosexual man with children in a post-patriarchal age. Or, if you prefer, a loser.

Similar conversations are taking place in the other arts: in literature, in stand-up comedy and even in film, which lags far behind the others in making room for the creativity of women. But television, the monument valley of the dying patriarchs, may be where the new cultural feminism is making its most decisive stand. There is now more and better television than there ever was before, so much so that “television,” with its connotations of living-room furniture and fixed viewing schedules, is hardly an adequate word for it anymore. When you look beyond the gloomy-man, angry-man, antihero dramas that too many critics reflexively identify as quality television — “House of Cards,” “Game of Thrones,” “True Detective,” “Boardwalk Empire,” “The Newsroom” — you find genre-twisting shows about women and girls in all kinds of places and circumstances, from Brooklyn to prison to the White House. The creative forces behind these programs are often women who have built up the muscle and the résumés to do what they want.

10house of cards.jpeg


And also to be as rebellious, as obnoxious and as childish. Why should boys be the only ones with the right to revolt? Not that the new girls are exactly Thelma and Louise. Just as the men passed through the stage of sincere rebellion to arrive at a stage of infantile refusal, so, too, have the women progressed by means of regression. After all, traditional adulthood was always the rawest deal for them.
`
Looking at those figures and their descendants in more recent times — and at the vulnerable patriarchs lumbering across the screens to die — we can see that to be an American adult has always been to be a symbolic figure in someone else’s coming-of-age story. And that’s no way to live. It is a kind of moral death in a culture that claims youthful self-invention as the greatest value. We can now avoid this fate. The elevation of every individual’s inarguable likes and dislikes over formal critical discourse, the unassailable ascendancy of the fan, has made children of us all. We have our favorite toys, books, movies, video games, songs, and we are as apt to turn to them for comfort as for challenge or enlightenment.

Y.A. fiction is the least of it. It is now possible to conceive of adulthood as the state of being forever young. Childhood, once a condition of limited autonomy and deferred pleasure (“wait until you’re older”), is now a zone of perpetual freedom and delight. Grown people feel no compulsion to put away childish things: We can live with our parents, go to summer camp, play dodge ball, collect dolls and action figures and watch cartoons to our hearts’ content. These symptoms of arrested development will also be signs that we are freer, more honest and happier than the uptight fools who let go of such pastimes.

I do feel the loss of something here, but bemoaning the general immaturity of contemporary culture would be as obtuse as declaring it the coolest thing ever. A crisis of authority is not for the faint of heart. It can be scary and weird and ambiguous. But it can be a lot of fun, too. The best and most authentic cultural products of our time manage to be all of those things. They imagine a world where no one is in charge and no one necessarily knows what’s going on, where identities are in perpetual flux. Mothers and fathers act like teenagers; little children are wise beyond their years. Girls light out for the territory and boys cloister themselves in secret gardens. We have more stories, pictures and arguments than we know what to do with, and each one of them presses on our attention with a claim of uniqueness, a demand to be recognized as special. The world is our playground, without a dad or a mom in sight.

I’m all for it. Now get off my lawn.

 

A.O. Scott is chief film critic for the Times, editor: Jake Silverstein

 

apink_secret_garden_062313-800x450.jpg

 

DEZELFDE ZEE (2) slot

miro39.jpg

Lazen we gisteren het portretje van Mirjam, de vrouw waar zoon Rico op zijn ‚vlucht’ in Bengalen bij terecht komt, vandaag: de eerste relatie van Nadia, overleden vrouw van Albert Danon, hoofdpersonage in dit mooie boek van Amos Oz.

Vlinders aan een schildpad

Ze was zestienenhalf en werd in een provinciestadje uitgehuwelijkt aan een welgesteld familielid.  Een weduwnaar
van dertig.  Het was gebruikelijk dat vrouwen met familieleden
trouwden.  Haar vader was goud- enz zilversmid.  Een van haar broers werd
naar Sofia gestuurd, om farmacie te studeren en met een diploma
thuis te komen.  Nadia zelf leerde van haar moeder koken en bakken,
borduurtradities, cakejes maken en kalligraferen.  De aanstaande
bruidegom, weduwnaar, stoffenhandelaar, kwam op sjabbat en
feestdagen bij haar op bezoek.  Als je hem vroeg, zong hij prachtig,
een rijke, galmende tenor.  Een beleefde, elegante, grote man, die
altijd wist wat je hoorde te zeggen en waarover je beter kon zwijgen.  Nadia trouwde hem niet van harte, want een goede vriendin had haar fluisterend onthuld hoe de liefde was,
dat je niet mocht opwekken voor je begeerde.

Maar haar ouders, gematigd, verstandig, brachten haar op andere gedachten:  het was immers ook voor haar eigen bestwil.  En ze stelden een datum vast, niet te dichtbij, ze vonden het beter haar voldoende tijd te gunnen
om langzaam te wennen aan de weduwnaar, die bij elk bezoek
een cadeautje voor haar meebracht.  Elke sjabbat
leerde ze meer te houden van de klank van zijn stem. Die aangenaam was.

Na de bruiloft ontpopte haar echtgenoot zich tot een attente man die
hield van vaste rituelen bij de kleine dingen. Avond aan avond kwam hij,
gewassen, geurig en blij, op de rand van het bed zitten.  Hij begon met aangename woorden van liefkozing, deed het
licht uit om haar niet in verlegenheid te brengen,
sloeg het laken terug, streelde voorzichtig, legde een hand op haar borst.  Zij lag altijd op haar rug
haar nachthemd omhoog, hij altijd boven op haar, en
aan de andere kant van de deur sloeg traag
een pendule met goudgraveringen.  Stotend.  Kreunend.
Desgewenst had ze elke nacht zo’n twintig
kalme stoten kunnen tellen, de laatste geaccentueerd door de tenornoot.
Dan rolde hij zich in zijn deken en sliep in.  In de dichte duisternis
lag ze nog minstens een uur hol en verbijsterd.  Soms bij zichzelf
met haar vinger.  Fluisterend vertelde ze het haar beste vriendin,
die altijd zei: Als je van elkaar houdt lijkt het anders maar
hoe leg je vlinders aan een schildpad uit?
Vaak werd ze om vijf uur wakker, trok een ochtendjas aan
en ging het dak op om de was binnen te halen. tegenover haar
waren lege daken, een bosrand, een verlaten vlakte. Daarna
stonden haar vader en haar man op en gingen samen weg
om te bidden.  Elke dag deed ze boodschappen, maakte schoon en bakte.
Op vrijdagavond kwamen er gasten, ze dronken, aten, knabbelden, kibbelden.
Lag ze na dit alles op haar rug in bed,
dan dacht ze soms aan een baby

De (mooie) vertaling is van Hilde Pach.
Het boek in 2000 eerst verschenen bij Meulenhoff en nu, de tweede druk,  bij de Bezige Bij, A’dam.
Oorspronkelijke uitgave: Oto hajam, uitgeverij Keter, Jerusalem 1999
En zoals gezegd nu al voor 4,99 euro als e-book te koop bij bv. bol.com.
ISBN 978 90 234 8861 3
NUR 302

Niet ver van de zee, in de Amiriemstraat
woont meneer Albert Danon, alleen. Hij houdt van olijven
en zoute kaas.  Een zachtaardig man, belastingsadviseur, onlangs,
op een ochtend, overleed zijn vrouw Nadia aan eileiderkanker.  Ze liet
jurken na, een make-uptafel, kleedjes, geborduurd met dunne zijde.                        

De enige zoon, Enrico David, is op reis, beklimt een rotswand in Tibet.

(gelieve zelf te vervolgen)

Bat-Yam.jpg

DEZELFDE ZEE

mangobloesem.JPG


Intussen in Bengalen, de vrouw Mirjam

In een goedkope kamer in een aftands hotel doet ze een raam open,
leunt naar buiten, zuigt haar longen vol
met een mengsel van geuren: mangobloesem,
riool, gerechten van armen, beschimmelde vruchten,koeienmest.

De nacht is lauw.  Mistflarden van de rivier.  De duisternis verzadigd van
een lichte rotting.  In de spleet tussen haar borsten
sprenkelt Mirjam vijf of zes druppels scherp
parfum.  Ze sluit het raam.  Eet vis.  Deze vork is niet al te schoon.

En toen jij van verre een vijgenboom zag, die bladeren had, ging hij
daarheen om te zien of hij er ook iets aan vinden zou.
En erbij gekomen,
vond hij er niets dan bladeren, want het was de tijd niet
voor vijgen.  Ze kijkt in de spiegel.  Ogenpotlood.  Poeder. Tissue.

Lippenstift.  Indien uw oog u tot zonde zou verleiden.  Indien het zout
zoutloos wordt.  Ze trekt een andere rok aan.  Haar klant zal te laat komen.
Zal betalen.  Zal zich uitkleden.  Zal in het Engels vragen om de
lepeltjeshouding, dat wil zeggen dat hij wil komen

vanaf haar rug, op haar zij.  Als een lepel in een lepel in een la.
In deze houding is Mirjam beschut opgerold, niet als een zwervende vrouw die gemeenschap heeft maar, zo lijkt het even,

alsof haar rug aan het kruis is bevestigd en alsof het kruis een is geworden met haar vlees.  En toen zei Jezus tot haar ga heen mijn dochter
de boze geest is uitgedreven.  Daarna gaat ze douchen.  Eet doornen,

en valt in slaap met een kale Italiaanse kunststof pop die van bed naar bed met haar mee zwerft.  Droomt van brood
gebakken in een hutje.  Taliti noemi.  Meisje sluimer.
Morgen Chandartal.

Hoofdstuk uit: ‚Dezelfde zee’, Amos Oz De Bezige Bij, 2014
Heb je een e-reader dan voor 4,99 euro te koop bij bv. bol.com, als paperback: 12,50 euro.

In Bat Jam, een badplaats bij Tel Aviv, woont de wat saaie belastingadviseur Albert Danon. Zijn vrouw Nadja is pas overleden aan kanker en hun enige zoon Rico is op reis in het Verre Oosten, op zoek naar zichzelf en naar zijn overleden moeder, door wie hij zich verlaten en verraden voelt. In korte hoofdstukken roept Oz een wereld op waarin levenden en doden, romanpersonages en bestaande mensen met elkaar optrekken, alsof ze allemaal `uit dezelfde bron komen en naar dezelfde zee stromen. In Dezelfde zee schrijft Amos Oz voor het eerst expliciet over de zelfmoord van zijn moeder. Het verhaal waarin de thema’ s liefde, dood en verlating een essentiële rol spelen, kan gezien worden als een metafoor voor zijn eigen leven. Dezelfde zee is helder en nuchter, maar tegelijkertijd subtiel en gevoelig, en van een poëtische schoonheid.

Aldus de uitgeverstekst.

Ik hou niet van boekbesprekingen, wel van signalementen.  Amos Oz is natuurlijk een uitverkoren ziel.  Ik heb hem op papier en via de voor het bed, bad en stad zalige e-reader.

Van Tim Adams uit The Guardian pik ik deze zin:


‚This book is written in lapidary stanzas, each layered with adamantine shards of imagery that suddenly catch the light. It is a love story of sorts, involving a father and son, entranced, in different ways, by the same two women, one living and one dead.’
Writing in verse returns the author, he suggests, to ‘the bad old days of his youth when he used to run away at night to be all alone in the reading-room of the kibbutz where he would cover page after page with jackals’ howls’.

Een jakhals met een eindeloos gevarieerd gehuil. Voor nog geen vijf euro te beluisteren nog voor de volgende nacht komt waarin slapeloos zijn op een wonderlijke manier wordt ingevuld.

DuncanGrant-Bathing.jpg

10 JAAR

miro15.jpg

Tien jaar geleden begon ik aan dit blog.
Eerder als een poging om beelden en teksten die ik graag verzamelde mee te delen dan wel om mijn eigen doen en laten, althans wat het dagelijkse gebeuren betreft, te vermelden.
Het is nog een atavistische familietrek, dit ‚meedelen’ dit overbrengen zonder te veel een leraar te moeten zijn, geen onderwijzer, eerder een wegwijzer, één van de vele wegwijzertjes, die je naar mooie letteren en boeiende beelden mochten leiden.
Ik lees net in ‚Het innerlijk blauw’ een keuze uit Gide’s dagboeken 1918-1939, dat zijn grootmoeder langs moeders kant het beste wat ze te vertellen had aan haar kinderen en kleinkinderen tot het einde van haar leven wilde bewaren.

‚Toen ze voelde dat het plechtige ogenblik naderde, verzamelde zij ze allemaal om zich heen, maar op dat moment raakte haar tong verlamd en kwam er in plaats van een klinkende toespraak alleen een langgerekte kreet uit haar mond.  Zo’n harde schreeuw, zei Albert toen hij met deze herinnering vertelde, dat hij tot achter in de tuin te horen was.’ (20 oktober 1927)

Lijkt deze gebeurtenis thuis te horen in een Italiaanse film, ik denk dat zowel muziek, de schone letteren als de beeldende kunsten en de boeiende wetenschappen (ik lees nu over wiskunde en kosmologie) allerlei toonaarden van deze kreet ten gehore brengen en wij deze meerstemmigheid uit het verleden als compositie, verhaal of beeld kunnen terughoren zoals we het verre licht van sterrenstelsels in de densiteit van miljarden jaren geleden zelfs nu nog kunnen waarnemen.
Omdat ik mezelf eerder thuis voel bij de ‚verlamde’ tong dan bij de gezellen die oratoria, zelfportretten in olie op linnen, en vuistdikke romans tot ver achter de tuinen hoor- en zichtbaar kunnen maken, wil ik mijn kreetje bij de ver- en bewondering klasseren aangevuld met enkele eigen liedjes voor het slapengaan.

Gebeurt het lullen over kunst beter bij enkele stevige pinten en borrels, toch heb ik beetje bij beetje ontdekt dat zij alles met de pogingen tot het bewegen van ‚verlamde tongen’ heeft te maken.
Mijn sympathie voor de duif is misschien bekend zeker als ze zich als symbool voor ‚de Geest’ voordoet, de kracht die bange mensen dank zij de door haar bezorgde vurige tongen naar buiten drijft en hen in alle talen verstaanbaar maakt.
Het mag duidelijk zijn dat inspiratie (in-spirare) de eerste noodzaak is naast het trans-spirare om met de ingeving aan het werk te gaan. Verlamde tong of niet, ze zal spreken met inbegrip van de inspanning die net zo noodzakelijk is om verstaanbaar (gehoord) te worden.

Een ander aspect is dat kunst aan onze zijde staat bij bij de breuklijnen die onze korte levens isoleren van wat wij het verleden noemen, een kracht die zich elk ogenblik aan ons voltrekt en ons voor de spiegel vooral ’s morgens duidelijk wordt. Zij maakt ons duidelijk dat het voorbije bij ons blijft horen net zoals het toe-komende. Verbinding. Geneesmiddel ook tegen zeeziekte wanneer het zwalpen op het vlot ons de hoop op de kust ontneemt al zal de tocht belangrijker zijn dan het aanmeren.

Lipking_Plein_Air_16x20-large.jpg


Terwijl het Paas-oratorium hier draait, lees ik Eichendorff: ‚Je hoeft maar het toverwoord te zeggen en de wereld begint te zingen.’
Een verdachte bezigheid, dit ‚toveren’, en het woord ketterij zal niet lang uitblijven want het ‚scheppen’ is toch een goddelijke bezigheid, nietwaar?
Giordano Bruno wordt verbrand omdat hij de scheppende kracht van de mens, de natura naturans al te zeer geprezen had. Savonarola laat aan het einde van de vijftiende eeuw in de strijd tegen het adeltrotse en kunstminnende geslacht van de Medici in Florence schilderijen van Botticelli verbranden.  Artistieke creativiteit brandmerkt hij als teugelloos en zondig.
(Rüdiger Safranski, Het Kwaad, 185)

Dat uit het niets’ scheppen heeft niet alleen van buitenaf een zondig reukje, maar ook in zichzelf een merkwaardige negativiteit. ‚Creatio ex nihilo’, uit het niets dus geeft elke scheppingsdaad de ervaring van het niets en het nietige. Wie bij het witte vel papier heeft gezeten, kent dit gegeven. Ook Cees Nootenboom in zijn ‚Een lied van schijn en wezen’ waarin de lezer getuige wordt van de geleidelijke vorming van een vertelde wereld en kan mee maken hoe die geboorte van de vertelling voortdurend gevaar loopt vanwege het niets.

‚In de moderne tijd, sinds de politiek in nog sterkere mate ons ‚lot’ is geworden, zijn pogingen de kunst om te smeden tot een politiek instrument niet uitgebleven.  Ook zonder ideologische bevoogding dient het maatschappelijk nut als maatstaf voor de kunst en wordt ze op haar verantwoordelijkheid gewezen.  Kunstenaars hebben ofwel aan die eis maatschappelijk nuttig te zijn toegegeven, of ze hebben hem afgewezen, maar in elk geval konden ze er niet onverschillig voor blijven.’ (ibidem p.192)

Ja, de vraag of kunst geen elitaire luxe is kan je je stellen.  Graag de jonge Hofmannsthal die daarover schreef:

Maar velen moeten onderin sterven,
waar de zware riemen der schepen schampen,
anderen wonen bovenin bij het stuur,
en kennen de vogelvlucht en het Rijk der sterren.

Laten we hier, zoals het hoort, de deuren open staan en de tocht der vele mogelijkheden het huis verfrissen en de bemoeiallen buiten waaien. Ik neem het op voor het vrij ‚nutteloze’, dat wat er op het onverwachte toe doet, dat inderdaad enige inspanning vraagt of veelvoudige beschouwing mogelijk maakt. Nogmaals Hofmannsthal:


Veel lotgevallen ontstaan naast de mijne
het bestaan haspelt ze allen door elkaar,
en mijn deel is meer dan dit leven
slanke vlam of smalle lier.


De heer Tolstoi hing zijn lier vlak voor zijn dood aan de wilgen en ging zich maatschappelijk nuttig maken maar ik denk dat de zanger moet zingen, de schilder schetsen en kleuren al zal het onderwerp van het gezang en het penseel er zeker toe kunnen doen in zoverre zij de plooi van de maker meekrijgen, en zelfs al zal de lamme tong alleen nog kunnen schreeuwen, ook deze rauwe klank kan de enige verklanking zijn van het onmogelijke.

Bashkirtseff_Printemps_Spring_or_April-large.jpg


Natuurlijk draag ik de diepe angstsporen voor het monomane denken dat zich blijkbaar goed voelt in de lik op stuk tijden, de no nonsens ethiek en de kille bouwwerken waarin elke decoratie een zonde blijkt te zijn. De functionaliteit van de school voor het bedrijfsleven is nog zo’n uitwas van de creatiefloze ondernemer die denkt met goed getrainden zijn tekort aan innovatie en durf te kunnen maskeren. Schola is vrije tijd: of bevrijde tijd waarin je nieuwsgierig wordt gemaakt.
Zaten we hier thuis in de psychische rats met onszelf, kind of kleinkind, dan klonk er maar één kreet:  ga naar de bibliotheek, zoek een aantal boeken over je miserie en lees.  Met andere woorden:  verlaat je eigen beperking, laat de geest weer gaan waar hij wil en als de lamme tong je dwarszit, dan molenwiek je met je armen en benen, of je schrijft in het zand, of je zegt met Nabokov:

‚Een werk van fictie bestaat voor mij eigenlijk alleen voor zover het me, dat wil ik onverbloemd zeggen, esthetisch een heerlijk gevoel verschaft, dus de gewaarwording op de een of andere manier, ergens met andere zijns-toestanden verbonden te zijn.’

Die andere-zijns-toestanden hebben te maken met de ontsnapping aan je dagelijkse zelf door de beperkingen eerst en vooral op te heffen via de wegen die anderen al voor jou hebben bewandeld en tenslotte zelf aan het werk te gaan, nederig maar moedig om de lamme tong aan het werk te zetten en een eigen geluid(je) weer te geven en het toe te voegen aan de grote levensstroom waarin we ons kunnen baden, laven of laten vervoeren (in alle betekenissen van het woord) en waarin een veelvoud aan stemmen ons verbindt met degenen die waren en zullen zijn. De ware muziek der sferen, met dank aan Pythagoras en Max Wildiers.

 

met museum 1922.jpg

 

NAAR DE VUURTOREN (4)

Mann_Harrington_A_Family_Portrait_of_Four_Children_1915_Oil_on_Canvas-large.jpg

 

O, maar ze wilde helemaal niet dat James een dag ouder werd en Cam ook niet.  Die twee zou ze graag altijd houden zoals ze waren, ondeugende duvels, schattige engelen; monsters. Niets kon het verlies vergoeden.  Toen ze nu net James voorlas “en er waren massa’s soldaten met trommels en trompetten” en zijn ogen donker werden, dacht ze, waarom moeten ze groter worden en dat alles verliezen?  Hij was de begaafdste, de gevoeligste van haar kinderen.  Maar allemaal, dacht ze, waren ze veelbelovend.  Prue, een volmaakte engel voor de anderen en de laatste tijd, vooral ’s avonds, adembenemend mooi.  Andrew – zelfs haar man gaf toe dat hij buitengewoon knap was in wiskunde.  Nancy en Roger, die waren allebei nog wildebrassen en renden de hele dag buiten rond.  Wat Rose betreft, haar mond was te groot, maar ze had gouden handen.  Als ze charades deden, maakte Rose de kostuums; ze maakte alles; het liefst schikte ze de tafelversieringen, bloemen, van alles. Ze vond het niet prettig dat Jasper op vogels schoot; maar dat was maar een fase, ze maakten allemaal fasen door.  Waarom, vroeg ze terwijl ze haar kin op James’ hoofd drukte, moeten ze zo snel groot worden? Waarom moeten ze naar school? Ze zou altijd een baby willen hebben.  Ze was het gelukkigst met een baby in haar  armen. Dan mochten de mensen zeggen dat ze tiranniek, dominerend en bazig was, als ze daar zin in hadden; dan kon het haar niet schelen. En terwijl ze zijn haar met haar lippen aanraakte dacht ze, hij zal nooit meer zo gelukkig zijn.  Maar ze remde die gedachten af, want ze herinnerde zich hoe verontwaardigd haar man was als ze zulke dingen zei.  Toch was het waar.  Ze waren nu gelukkiger dan ze later ooit zouden worden. Een theeserviesje van tien penny’s maakte Cam dagenlang gelukkig.  Zodra ze wakker werden, hoorde ze hen boven haar hoofd stommelen en juichen.  Ze kwamen rumoerig door de gang gerend.  Dan vloog de deur open en daar kwamen ze binnen, fris als rozen, met wijdopen ogen, klaarwakker, alsof deze binnenkomst in de eetkamer voor het ontbijt, wat ze iedere dag van hun leven deden, een ware gebeurtenis voor ze was. En zo ging het de hele dag met alles en nog wat door, totdat ze naar boven ging om hen goedenacht te wensen en ze hen onder hun tulen gordijnen in hun bedje vond als vogels tussen de kersen en frambozen en ze nog verhalen lagen te verzinnen over een of andere onbenulligheid – iets wat ze hadden gehoord, iets wat ze in de tuin hadden gevonden.  Ze hadden allemaal een verzameling… En dan ging ze naar beneden en zei tegen haar man, waarom moeten ze groot worden en dat alles verliezen?  Ze zullen nooit meer zo gelukkig zijn als nu.  En hij werd boos.

Harvey_Harold_Cornish_Children_1920_Oil_on_Canvas-large.jpg

NAAR DE VUURTOREN (3)

TO THE LIGHTHOUSE.jpg

 

Ze sloeg het blad om. Er waren nog maar een paar regels, zodat ze het verhaal kon uitlezen ook al was het al over bedtijd. Het werd laat. Dat zag ze aan het licht in de tuin; het verbleken van de bloemen en een grijze tint in de bladeren spanden samen om bij haar een gevoel van ongerustheid te wekken.  Eerst kon ze niet bedenken waarom.
Toen herinnerde ze zich: Paul en Minta en Andrew waren nog niet thuis.  Ze riep weer het beeld op van het groepje dat op het terras voor de buitendeur naar de lucht had staan kijken.

Je herkent het: de kleuren verbleken, het donker vergrijst de tuin. De grote kinderen zijn nog niet thuis.  Ze waren naar zee, krabben vangen en zo. Langs hoge smalle rotspaadjes lopen en een van hen zou uitglijden.  Hij zou te pletter vallen.
Maar ze laat niets merken aan de kleinste jongen voor wie ze een bed-verhaaltje voorleest.
En ze sprak de laatste woorden uit alsof ze die zelf had bedacht.

‚En nu is het uit,’ zei ze en ze zag in zijn ogen de belangstelling voor het verhaal wegebben; er kwam iets anders voor in de plaats, iets vreemds, bleeks, als de weerschijn van licht dat hem opeens een starende verwonderde uitdrukking gaf.  Ze draaide zich om en keek over de baai en ja hoor, daar was het licht van de vuurtoren dat regelmatig signalen over de golven uitzond, eerst twee korte flitsen en dan één die langer duurde.  Het licht was aangestoken.  Dadelijk zou hij haar vragen: ‚Gaan we naar de vuurtoren?’ En zij zou moeten zeggen: ‚Nee, morgen niet; vader vindt het niet goed.’  Gelukkig kwam Mildred binnen om hem te halen en de bedrijvigheid leidde hem af.  Maar toen Mildred hem de kamer uitdroeg, bleef hij achterom kijken en ze wist zeker dat hij dacht, we gaan morgen niet naar de vuurtoren; dat zal hij zijn hele leven onthouden.

Vaak gaat de auteur de woorden voorbij. Ze laat niets blijken van haar eigen ongerustheid, ze merkt ook de stilte op van het kind en vult zijn gedachten in. Ze weet dat er ervaringen zijn die zich op jonge leeftijd in onze geest prenten en ze extrapoleert ze zoals ze zelf herinneringen heeft aan haar kleine kindertijd die haar ook levenslang zijn bijgebleven.
Ze ruimt op. Zijn uitgeknipte plaatjes. Kinderen vergeten nooit iets.

Het was een opluchting dat ze naar bed gingen want dan hoefde ze met niemand rekening  te houden.  Nu kon ze zichzelf zijn, alleen. En er was één ding waar ze nu vaak behoefte aan had: denken; of eigenlijk niet eens denken.  Zwijgen, alleen zijn.

Nu de drukte wegviel, het gedoe (uitbundig,oogverblindend en luidruchtig) was er die wigvormige kern van duisternis, iets wat voor de anderen onzichtbaar was.
Het gebied van innerlijke ervaringen leek nu grenzeloos en ze weet dat ook de andere bewoners van het huis van mening zijn dat onze verschijningsvormen, de dingen waaraan men ons herkent, gewoonweg kinderlijk zijn.

Daaronder is alles donker, rekbaar, peilloos diep; maar nu en dan komen we aan de oppervlakte en dat is waaraan men ons kent. Haar horizon scheen haar eindeloos toe. Daar waren alle plaatsen die ze nooit had gezien; de vlakten van India; ze voelde hoe ze het zware leren gordijn van een kerk in Rome opzij duwde.  Die donkere kern kon overal komen, want niemand zag haar.  Ze konden haar niet tegenhouden, dacht ze triomfantelijk.

Je ontdoen van je persoonlijkheid zodat alle ergernis haast en drukte van je afvalt.  Zie je haar zitten breien terwijl het licht van de vuurtoren zich in hetzelfde ritme blijft herhalen?
Ze kon zich op zo’n momenten aan één ding hechten.  Haar lichtstraal bijvoorbeeld. En het zinnetje dat in haar hoofd zat, herhaalde ze: kinderen vergeten niets, kinderen vergeten niets.  Het zal ophouden, het zal ophouden.  Het zal komen, het zal komen

en waaraan ze dan plotseling toevoegde: We zijn in Gods hand.
Maar meteen daarop kon ze het van zichzelf niet uitstaan dat ze dat had gezegd.  Wie had dat gezegd?  Zij niet, ze was verleid tot het zeggen van iets dat ze niet meende.
Ze keek op van haar breiwerk en ving de derde lichtstraal op en het was net of haar ogen de blik van haar eigen ogen ontmoetten en haar hoofd en haar hart doorzochten, zoals zij ze alleen kon doorzoeken, en die leugen, iedere leugen uitwisten. Ze prees zichzelf door het licht te prijzen, zonder ijdelheid, want ze was streng, ze was bezig met zelf-onderzoek, ze was net zo mooi als het licht.

Hoe je je tot onbezielde dingen kunt aangetrokken voelen: bomen, water, bloemen. Het gevoel dat ze een expressie van jezelf werden

jezelf kennen, in zekere zin jezelf waren.  Je voelde daardoor een irrationele tederheid (ze keek naar het langdurige licht) als voor jezelf.  Een nevel steeg op en ze keek en keek met haar pennen in rust; de nevel kronkelde omhoog uit het diepste van haar gemoed, steeg op uit het meer van haar ziel, een bruid op weg naar haar geliefde.

Herken je die stilte?

vanessa-bell-virginia-woolf-in-a-deckchair-1912-1349361049_b.png

NAAR DE VUURTOREN (2)

tissot en plein soleil.jpg


Ik kan je geen structuren aangeven, of beter, al zou ik het kunnen, ik wil het niet. Literaire teksten kunnen best gepland zijn, maar de ogenblikken waar de tekst het zelf overneemt, de planning ontwijkt, zijn eigen weg gaat mag dan ten zeerste door taalonderzoekers gewantrouwd worden, maar vaak begint daar het literaire gehalte te tellen, het vrijkomen van ideeën en emoties, opgewekt door al dan niet toevallige impulsen, tevoorschijn gekropen uit de donkere lagen van ons gemoed of blijkbaar zonder causaliteit de weg banend naar wat op het eerste gezicht een ontsporing maar later de essentie blijkt te zijn.

Lily Briscoe ging door met het opbergen van haar penselen, waarbij ze haar ogen opsloeg en neersloeg.  Wanneer ze haar ogen opsloeg, zag ze hem -Mr. Ramsay- naar hen toe komen, zwaaiend, onverschillig, onopmerkzaam en afwezig.  Een beetje een hypocriet? herhaalde ze.  O nee, de oprechtste, de eerlijkste (daar was hij), de beste van alle mannen.  Maar wanneer ze haar ogen neersloeg, dacht ze, hij denkt alleen maar aan zichzelf, hij is tiranniek, hij is onrechtvaardig; en ze hield haar ogen neergeslagen, opzettelijk, want alleen zo kon ze haar evenwicht bewaren als ze bij de Ramsays verbleef.  Zodra je opkeek en hen zag, stortte haar ‚verliefdheid’ zoals ze het noemde zich over hen uit.  Ze werden een deel van dat maar indringende en opwindende universum dat de wereld voor verliefde ogen is. De hemel was onverbrekelijk met hen verbonden, de vogels zongen door hun toedoen.  En ze had nog een opwindender gevoel: als ze keek naar Mr. Ramsay die naar hen toe kwam en weer wegging, naar Mrs. Ramsay die met James voor het raam zat, naar het bewegen van de wolken en het buigen van de bomen, had ze het gevoel dat het leven, dat bestond uit een opeenvolging van losse incidentjes die je een voor een beleefde, zich samenbalde tot één geheel, je als een golf optilde en je met onstuimige vaart op het strand wierp.

Wat mij zo aantrekt in teksten en beelden is de poging om ‚het evenwicht te bewaren’ en hoe wij daarin sierlijk of potsierlijk mislukken net door de intentie het evenwicht te willen bewaren, uit schrik ons over te geven aan wat ons werkelijk bezielt of uit goed bedoelde voorzorg ons niet te verliezen in dat indringende en opwindende universum dat de wereld voor verliefde ogen is,  waaruit we inderdaad creativiteit en levenswil puren en tegelijkertijd ons verwonden en met geschaafde knieën uit het diepe dal kruipen dat als hemel was aangekondigd.
Als Lily deze emoties bij een ander persoon waarneemt (Mr. Bankes die naar Mrs. Ramsay kijkt) denkt ze:

Het was liefde, dacht ze, terwijl ze net deed alsof ze haar doek verzette, gedistilleerde en gefiltreerde liefde; liefde die nooit een poging waagde om op het geliefde voorwerp beslag te leggen maar die, net als de liefde die wiskundigen hun symbolen of dichters hun bewoordingen toedragen, bedoeld was om over de wereld uitgedragen te worden en de mensheid te verrijken. Zo was het inderdaad.  De wereld had er zeker deelgenoot van gemaakt moeten worden als Mr. Bankes had kunnen zeggen waarom die vrouw hem zo beviel; waarom de aanschouwing van haar, zoals ze een sprookje aan haar zoon zat voor te lezen, op hem precies diezelfde uitwerking had als de oplossing van een wetenschappelijk probleem, zodat hij erover bleef mijmeren en het gevoel had dat de barbaarsheid was getemd, de heerschappij van de chaos was bedwongen; het gevoel dat hij ook had wanneer hij iets onomstotelijke had bewezen omtrent de stofwisseling van planten.
Een dergelijke vervoering want hoe zou je het anders kunnen noemen? – maakte dat Lily Briscoe volkomen was vergeten wat ze wilde zeggen.

Er zijn dus niet alleen de verliefde gevoelens van Lily, maar ze herkent ze in de benadering van Mr. Bankes waardoor ze vergeet wat ze wilde zeggen, het verbleekte bij deze ‚vervoering’, dit zwijgend staren, waarvoor ze innig dankbaar was; want niets troostte haar zo, verminderde zo de verbijstering van het leven en hief op wonderbaarlijke wijze de lasten ervan op als dit verheven vermogen, deze hemelse gave. En net zomin als je erover zou denken de bundel zonlicht te doorbreken die vlak over de vloer ligt, zou het in je opkomen deze verheven stemming te verstoren zolang ze duurde.

Het merkwaardige is dat ze terwijl wel kon huilen omdat haar schilderij zo slecht was, onbeschrijfelijk slecht.
Vanuit die droevige vaststelling bouwt ze een observatie uit het verleden op: hoe Mr. Bankes als geen ander een scherm van beschutting leek uit te spreiden en waarom zijzelf zo anders was en als slot van haar bedenkingen uitkomt bij de vaststelling dat zij haar vader had, haar huishouden, zelfs haar schilderen al leek dat erg weinig (zo maagdelijk) tegenover al dat andere.
Deze beschouwingen van je eigen innerlijk, de projecties van wat anderen zouden voelen en denken, de observaties van de ruimtes waarin zich de herinneringen afspeelden, ze vormen een gelaagde eenheid die telkens weer wanneer je denkt dat er een soort evenwicht is bereikt, het als een golf op de kust uit elkaar spat in ontelbare kleine druppeltjes, zoals dat in ons eigen leven ook gebeurt, of kan gebeuren.

De blik van Lily’s ogen was op dezelfde hoogte als die van Mr. Bankes rechtstreeks gevestigd op Mrs. Ramsey die daarginds zat te lezen met James aan haar knie. Maar terwijl zij nog keek, had Mr. Bankes er ineens genoeg van.  Hij zette zijn bril op.  Hij deed een stap achteruit.  Hij hief zijn hand op.  Hij kneep zijn heldere blauwe ogen halfdicht en toen Lily, zich wakker schuddend, zag wat hij van zins was, kromp ze ineen als een hond die een hand ziet geheven om hem te slaan.  Ze had het liefst het schilderij van de ezel gerukt, maar ze zei tegen zichzelf: Je moet. Ze zette zich schrap om de vreselijke beproeving te doorstaan dat iemand naar haar schilderij keek.  Je moet, zei ze, je moet. En als het gezien moest worden, was Mr. Bankes minder erg dan een ander. Maar dat vreemde ogen het bezinksel  van haar drieëndertig jaren zouden zien, de neerslag van iedere dag die ze geleefd had, vermengd met iets dat zo geheim was dat ze er in de loop van al die jaren nooit had over gesproken of er iets van had laten zien, was een marteling.  Tegelijkertijd was het geweldig spannend.

In de hedendaagse monomane wereld waarin de eenduidigheid weer meester is geworden als schijnbaar middel tegen angst en onveiligheid weet je dat alleen dergelijke teksten een einde aan de barbarij kunnen maken, of het althans zouden kunnen als zij via lezers in ons gezamenlijk gedachtengoed konden doordringen.

 

lilacs in a window mary cassat.jpg

NAAR DE VUURTOREN

WINSLOW HOMER.jpg

Wat betekent dit nu, wat kan de betekenis van dit alles zijn? vroeg Lily Briscoe zich af en omdat ze alleen was gelaten wist ze niet of ze naar de keuken moest gaan om nog een kopje koffie te halen of hier moest wachten. Wat betekent het? – dat was een stopwoord dat ze ergens in een boek had opgepikt en dat aan haar gedachten enige speling liet; want ze kon die eerste ochtend bij de Ramsays haar gevoelens niet definiëren, ze kon slechts één uitdrukking steeds weer herhalen om de leegte in haar hoofd te verhullen, net zo lang tot die nevels opgetrokken zouden zijn.  Want wat voelde ze eigenlijk, nu ze na al die jaren weer terug was en Mrs. Ramsey dood was?  Niets, niets-niets, dat ze ook maar enigszins onder woorden kon brengen.

Ik herken deze situatie.  Er zijn jaren voorbij gegaan.  Tien jaar in dit verhaal ‘To the Lighthouse’  (Naar de vuurtoren) van Virginia Woolf, geschreven in 1927 en vertaald in 1980 door Jo Fiedeldij Dop, uitgegeven door Trouw bibliotheek juni 2006 en door mij achteloos meegenomen op een tweedehands boekenbeurs.

Lily Briscoe is een jonge single schilderes die met de familie Ramsay bevriend is als ze op het eiland Skye hun vakanties doorbrengen.
Nu de familie na tien jaar afwezigheid terug is, probeert ze aansluiting te vinden bij het vroeger doen en laten van de familie.

Toen ze vorige avond laat arriveerde, was alles geheimzinnig en donker.  Nu was ze wakker, op haar oude plaatsje aan de ontbijttafel, maar alleen.  Het was bovendien erg vroeg, nog geen acht uur.  Dat kwam door die expeditie -Mr.Ramsay, Cam en James gingen naar de vuurtoren. Ze hadden al lang weg moeten zijn, het getij waarnemen of zoiets.  En Cam was niet klaar en James was niet klaar en Nancy had vergeten de boterhammen te bestellen en Mr. Ramsey was driftig geworden en had de deur achter zich dichtgeslagen.

Die belofte om naar de vuurtoren te varen opent het boek, tien jaar terug:

‘Ja, natuurlijk, als het morgen mooi weer is,’ zei Mrs. Ramsey. ‘Maar dan moet je wel voor dag en dauw opstaan,’ voegde ze eraan toe.

De aangesprokene, zoon James Ramsey is dan zes jaar en…

‘Omdat James Ramsey zelfs al op zesjarige leeftijd tot die grote groep van mensen behoorde die hun gevoelens niet uit elkaar kunnen houden maar die nu eenmaal hun toekomstverwachtingen, met alle vreugde en verdriet hun schaduw laten werpen op wat er op dat moment gebeurt en omdat voor zulke mensen zelfs in hun prille jeugd iedere omwenteling in hun gewaarwordingen de macht heeft elk moment in zijn somberheid of stralend licht te kristalliseren en vast te leggen – daarom was voor hem het plaatje van een koelkast dat hij zat uit te knippen uit de geïllustreerde catalogus van de Army and Navy Stores een bron van intens geluksgevoel toen zijn moeder dat zei.’

De grote groep die hun gevoelens niet uit elkaar kan houden. Je zou een waardering verwachten voor de dagelijkse dingen: de kruiwagen, de grasmachine, het geritsel van populieren, het verbleken van bladeren voordat het gaat regenen, het krassen van kraaien, het kloppen van bezems, het ruisen van japonnen…

Ze zijn al duidelijk in zijn geest geprent al kijkt hij streng, zelfs zo onverbiddelijk dat zijn moeder hem als rechter ziet zitten in rood en hermelijn aan het hoofd van een netelige en gewichtige onderneming in een of andere regeringscrisis.
Maar er is ook de vader die voor het raam van de zitkamer stil bleef staan, ‘morgen is het geen mooi weer.’

Het is een man die er alleen al door er te zijn hevige emoties bij zijn kinderen oproept waarbij het woord ‘bijl’, ‘een pook of welk wapen dan ook’ niets aan de verbeelding overlaten.
Mager als een lat, scherp als een mes, en in die hoedanigheid en uiterlijke verschijning sarcastisch staan te glimlachen omdat hij het leuk vond zijn zoon een illusie te ontnemen en zijn vrouw in de maling te nemen die (naar de mening van James) in ieder opzicht duizendmaal beter was dan hij, maar ook omdat hij in stilte prat ging op de juistheid van zijn oordeel.

Ik geef je graag zijn verdere karakterbeschrijving te lezen die hierop volgt en waarin het feit dat wat uit zijn lendenen was voortgesproten van kindsbeen af moesten beseffen dat het leven moeilijk is; dat feiten niet met zich laten spotten en dat de overtocht naar het legendarische land waar onze vurigste verwachtingen worden gedoofd, waar onze zwakke scheepjes in duisternis vergaan (hier strekte Ramsey altijd zijn rug en tuurde hij met zijn kleine blauwe ogen naar de horizon), een tocht die bovenal moed, oprechtheid en uithoudingsvermogen vereiste.

En Mrs. Ramsey?
‘Maar het kan morgen best mooi weer zijn – ik geloof het vast,’

En terwijl breit ze hartstochtelijk aan de roodbruine kousen voor het vuurtoren-wachters kind dat tuberculose heeft waarbij een beschrijving hoort van het eenzame bestaan op een rots.
Ze is dan vijftig, haar haren al grijs, de wangen ingevallen, maar biedt ‘een geduchte aanblik’. Ze zou nooit moeilijkheden uit de weg gaan en al wilde haar dochters waarschijnlijk een heel ander leven dan het hare, een wilder leven -waarop een prachtige beschrijving van het Engelse publieke leven waarover ook zijzelf haar vragen en twijfels heeft- echter met het nodige respect voor haar wonderlijke strengheid, en haar buitengewone hoffelijkheid,  -als van een koningin die de smerige voet van een bedelaar uit de modder tilt en wast- waarna Charles Tansley wordt voorgesteld.

En nu zijn er tien jaar voorbij, nu eindelijk de tocht naar de vuurtoren kan plaatsvinden: Mrs Ramsey is dood, haar zoon Andrew kwam in de Grote Oorlog om, de kleine en de grote wereld zijn danig onomkeerbaar veranderd.
Dochter Cam zit in het bootje:

‘Ze voelen daar totaal niets, dacht Cam terwijl ze naar de kust keek, die rijzend en dalend, steeds onbereikbaarder en vrediger werd.  Haar hand trok een spoor in de zee en ondertussen maakte ze in gedachten patronen van de groene draaikolken en strepen en dwaalde ze, verdoofd en omsluierd, in haar verbeelding in die onderwereld van water waar de parels in trossen aan witte takken hingen, waar in het groene licht je hele gedachtenleven veranderde en je lichaam halfdoorschijnend glansde in de omhulling van een groene mantel.’

Met deze enkele lijnen hoop ik je nieuwsgierig gemaakt te hebben naar dit wonderlijke boek waarvoor je hoe dan ook een zekere levenservaring nodig hebt.
Lees je in besprekingen of berichten over ‘het kunstmatige’ of over het ontoegankelijke dat dit verhaal zou kenmerken, weet dan dat je deze mensen levenslang moet mijden. Niet omdat ze beter of slechter zouden zijn, maar je zult hoe dan ook vaststellen dat hun levensbeeld pijnlijk ver van het jouwe is verwijderd of dat ze nog door een tekort aan jaren en ervaring van jouw innerlijkheid zijn gescheiden.
Anderen die te juichend of zuchtend hun lof prijsgeven mag je met dezelfde afstandelijkheid links of beter nog rechts laten liggen, beste vriend.
Schrijf enkele zinnen geduldig over, met de computer, of beter nog met een vulpen. Herlees ze een tiental keer en herbegin het boek telkens als het grote zwijgen komt opzetten.

‘De zee was nu belangrijker dan de kust. Overal om hen heen waren golven, ze deinden op en neer; van één golf rolde een stuk hout omlaag, op een andere dobberde een meeuw.  Ongeveer hier, dacht ze terwijl ze met haar vingers in het water roerde, was een schip gezonken en ze mompelde dromerig, half in slaap: ‘We zijn vergaan, ieder in eenzaamheid’.

 

sailor suit boy.jpg