913_8cdc9d6636f7f08b39059b7439773677

Fier als pauwen waren ze, de Engelse lieden van de National Gallery.
En dat omdat ze hun eerste werk van de grote Franse landschapschilder Paul Huet hadden binnengehaald (= uit schenking verkregen, vroeger bedacht men de goden en hun bedienaren, nu de nieuwe priesters van de schone kunsten.)

Hadden ze reden om fier te zijn?
En of!
Paul Huet was bewonderaar en vriend van Constable en Richard Parkes Bonington, en de heer Delacroix gebruikte hem om de boompartijen op zijn beroemd portret van Baron Schwiter neer te poten.
Baron Schwiter zei mijn oma, war doch überhaupt keine Name für eine “Baron”.
Maar zijn landschap en bomen kreeg hij. Naar men zegt met de medewerking van Paul Huet.(1804-1869)

Bomen in het St. Cloud Park.
Of dat nu per sé in olieverf moesten doen, en wat daar dan de betekenis van zou zijn voor de kunst met grote en kleine “k”?

De fotografie stak zijn zilveren kopke op, en dat was Paul Huet ook wel opgevallen.
Aan een vriend schilder schrijft hij daarover:

“Je suis tout étourdi de la découverte de Daguerre, que doit–on donc en dire à Paris, la grand’ville! Le progrès. l’émanicipation, etc., etc., avez–vous vu cette merveille? à vrai dire, je suis un peu prévenu malgré mon étonnement et mon admiration. S’il faut en croire les feuilletons (la gazette), les pauvres artistes n’ont plus qu’à se brûler la cervelle. Contre mon habitude, il est vrai que je dois commencer à m’encrasser, je ne vois point les choses si en noir, j’espère que cela nous délivrera des faiseurs de ponts neufs et des fabricants de portraits du Palais–Royal; la question reste mieux tranchée et sans savoir jusqu’à quel point cela peut personnellement m’atteindre, je suis sans inquiétude pour l’art lui–même.”

Duidelijker kon het niet.
Gedaan met de Pont Neufs en de Palais Royals, daar waren de postkaarten een betere oplossing voor dan de veel te grote doeken met uiterst realistisch gekonterfeite nationale gebouwen.
Olie en verven konden inderdaad zonder schroom aan betere dingen worden besteed.
Maar we zijn in de tijd van Lamartine, en dat is ook Charles Baudelaire niet ontgaan die ondanks zijn giftige pen Paul Huet bijzonder goed portretteert:

“Permettez-moi, mon cher, de revenir encore à ma manie, je veux dire aux regrets que j’éprouve de voir la part de l’imagination dans le paysage de plus en plus réduite. Çà et là, de loin en loin, apparaît la trace d’une protestation, un talent libre et grand qui n’est plus dans le goût du siècle. M. Paul Huet, par exemple, un vieux de la vieille, celui-là ! (je puis appliquer aux débris d’une grandeur militante comme le Romantisme, déjà si lointaine, cette expression familière et grandiose) ; M. Paul Huet reste fidèle aux goûts de sa jeunesse. Les huit peintures, maritimes ou rustiques, qui doivent servir à la décoration d’un salon, sont de véritables poèmes pleins de légèreté, de richesse et de fraîcheur. Il me paraît superflu de détailler les talents d’un artiste aussi élevé et qui a autant produit ; mais ce qui me paraît en lui de plus louable et de plus remarquable, c’est que pendant que le goût de la minutie va gagnant tous les esprits de proche en proche, lui, constant dans son caractère et sa méthode, il donne à toutes ses compositions un caractère amoureusement poétique.”

En zelfs de meest gevreesde kunstcriticus van zijn tijd, Gustave Planche, de terechtsteller van de “grote” kunst uit die romantische dagen, erkent in het werk van Huet de ware schoonheid.
In een Engelse studie van Marijke Jonker over deze criticus zegt ze:

Planche admired Huet’s interpretation of his landscape sketches, from which he had removed every ugly, banal, or disturbing detail, yielding a harmonious system of perspective lines to draw the eye to a point of interest and beauty. Huet confronted those who saw his work with an effet voulu.
Planche felt that true artists should sketch after nature and that in the composition of their paintings they should rearrange and beautify their sketches to reveal le vrai behind everyday reality.
He believed that great landscapists of the past—Poussin and Lorrain, for example—had worked in this way, and because Huet applied their method with brilliance, he himself should be counted among the great.

Rest ons de schuilplaats onder de bomen van Saint Cloud, een bosrijke streek nabij Parijs waar de jonge student aan de kunstacademie vaak kwam tekenen en schilderen.
De fierheid van de heren van de National Gallery is dan ook terecht.
De persoonlijke camera van Huet staaft zijn uitspraak dat hij niet ongerust is over de toekomst van de kunst.

Kijk maar naar de avond hierboven.
Zo wordt het niet meer donker in deze tijd van de grote “verlichting”.

Nu de geesten nog ontsteken en ook mijn ongerustheid zou dan een stuk kleiner zijn.