578_0f1db5bbf5835c5857524e2902ce9adb

De dode vlinder wordt met een speld door zijn lijf in een fraai uitstalkastje geprikt.
Nu hij is hij ten volle te determineren.

Mijn vreemde aanhef, vriend Theodore, is niet dadelijk een reactie op jouw brief over “de overbodigheid”, al zal na mijn schrijven blijken dat het nut van de soort of haar zogenaamde “hogere” rol toch nog ver te zoeken is.

Een vriend uit Lyon schreef me over een mooi portret dat hij in zijn Galerie te koop aanbiedt.
Het is “Portrait de Maurice Sand” door Thomas Couture.
Zowel bij de naam “Sand” als bij “Couture” zullen er allerlei bellen gaan rinkelen.

Ja, Maurice was de geliefde zoon van de beroemde George Sand, ze zei over hem in haar agenda: ” Mon fils est mon âme même.”

Moeder en zoon leefden in een hechte samenhorigheid, zeg maar afhankelijkheid, en het was Maurice die haar boeken zou illustreren en de marionetten ontwierp voor het poppentheater in hun chateau (lees: groot buitenhuis) te Nohant.
Op het portret staat hij als twaalfjarige, een vrij onbekend portret, zeker als je bedenkt dat het geschilderd is door de man die in 1847 Parijs verbaasde met zijn “Romains de la décadence”.
Dat was een soort cinemascope die honderd jaar later in de sandalenfilmen zou overgedaan worden.
Een doek met een zedenles: kijk waar decadentie toe leidt, de bekende truc van filmen en boekjes om hun smeuïge waar te verkopen aan de gulzige ogen van de rechtvaardigen onder ons.

Thomas Couture kreeg dan ook later de naam van “peintre pompier par excellence”.
Het doek is nog altijd te bewonderen in het musée d’ Orsay.

Maar dat hij nog iets anders kon dan zwelgen in historische taferelen wordt vaak (uit pure onwetendheid) verzwegen.
Eerst en vooral was hij een uitstekend leraar, (met leerlingen als Manet, Fantin-Latour, and Puvis de Chavannes) maar zeker ook een gevoelig portrettist zoals allerlei werken van zijn hand duidelijk maken.

Dat hij een hekel had aan het opkomende realisme mag blijken uit mijn prent die ik met mijn boodschap meestuur.
Het doek heet “de realist”, en het spreekt voor zichzelf.
Wie zo humoristisch (kijk naar het zitje ) uit de hoek kan komen, moet zeker een gevoelsmens zijn.

Maar eens pompier altijd pompier en vastgeprikt met dat speldje is hij de kunstgeschiedenis ingegaan.

Onze drang om te catalogiseren getuigt van angst en zelfoverschatting.
Niet voor niets begint de realist met een “varkenskop” na te tekenen, al is dat wellicht een belediging voor dit dier dat vaak van meer hersens getuigt dan de tweebenige heerser der aarde.