Greece-MacryCave

Toen ik gisteren, in de zachtheid van het mooiste oktoberlicht, over moraal en zelfpraktijk berichtte, viel het mij op dat Foucaults samenvatting telkens weer reminicenties opriep met mijn eigen jeugdjaren waarin de zelfpraktijk en de moraal nog een aardig woordje luidop meespraken in het ‘geestelijke’ onderricht dat wij als jonge latinisten kregen.

Woordjes als perseverare, volhouden dus, en i’in medio vir’, de deugd in ’t midden, aangevuld met tal van karakteronderrichtingen stelden ons de mens voor als een tamelijk onaf wezen dat zich in hoge mate kon ‘verheffen’ door karaktertraining en een ‘zuiver’ leven, iets wat voor opgroeiende pubers een tamelijk hoog doel was gezien ‘de roerselen van het vlees’.

De Griekse literatuur beperkte zich tot ‘uitgelezen’ fragmenten’ uit Illias en Odysseia, Oedipus Koning van Sofokles en…de Griekse vertaling van het evangelie van Lukas.

Het klonk allemaal heel mooi, die ethische en religieuze zelfpraktijken, en de modellen die ons werden aangeboden waren heiliger dan de toenmalige paus Johannes XXIII, maar de muur tussen zoveel ascese en het dagelijkse leven werd steeds hoger zodat menigeen op latere leeftijd kind en badwater doorspoelde.

Al waarde de heilige Geest met stevige vleugelslag in en rond het concilie, verhief kardinaal Suenens zijn moedige stem om de kudde naar meer menselijke weiden te leiden, de economische expansie van de jaren zestig liep deze pogingen tot vernieuwingen voorbij en de restauratie die erop volgde was niet van aard om een verbinding tussen natuur en bovennatuur duidelijk te maken.

Waarom uitgerekend nu terug naar de Grieken?
Zie je hoe de lucht zichtbaar wordt door het oog van de rotsen, of hoe de aarde en het uitspansel met elkaar verbonden zijn op een vanzelfsprekende wijze?

Is het dat heimwee, en…is dat niet een vals heimwee?
Vond ik eerder toevallig de mooie tekst van Kavavis ‘Begeerten’ uit 1904 of wees hij een onontkoombare werkelijkheid aan?

Als mooie lichamen van doden die niet oud geworden zijn
en onder tranen zijn geborgen in een prachtig graf,
met rozen bij het hoofd, jasmijnen aan de voeten –
zo schijnen de begeerten die, zonder vervuld te worden,
zijn voorbijgegaan, zonder dat een ervan
één nacht van genieten, of één stralende morgen kreeg.

Of verbindt deze stem nu net het Oude Griekenland met het hedendaagse Europa in volle financiële crisis?
Zal de restauratie ook de ideeënwereld treffen, terug naar ‘Ordnung muss sein”, en blijft de libertas (vrijheid) alleen een kindje in oliedollars gewikkeld? (om van het blauwe doekje tegen het bloeden maar te zwijgen)

Volgend jaar is Michel Foucault 25 jaar dood, en ik vraag me af of de schampere filosofen van dat kwartje honderd-jaar luid genoeg hebben gekwaakt om zijn innerlijke stem te smoren?

Je bent nu laag genoeg gegleden om het bootje op het water te zien.
Wij als nietige schipper, met onze januskop en assymetrische armen waardoor roeien een opgave wordt.

Zullen we toch maar aan land gaan bij de ‘Aphrodisia’ dat muzikale woord dat in tegenstelling tot ‘seksualiteit’ eerder op een streling wijst terwijl het hedendaagse begrip nogal prestatiegericht klinkt.

Ik denk dat de ‘aphrodisia’ inderdaad gedragingen en gewaarwordingen verbindt, een combinatie waarin de hedendaagse sterveling het moeilijk mee heeft, vooral met ‘de gewaarwording’, een activiteit die hij vlug verhult of aan anderen toeschrijft.

Laat ons met Foucault op zoek gaan naar de verbindingen die de christelijke moraal aan de oudheid heeft ontleend, en of er ook code-elementen bij zijn die mee zijn overgenomen.
Waren die Grieken zo liederijk (eerder rijk aan liederen) dat we in hun teksten alle ‘jongens’ door meisjes moesten vervangen om ze aanvaardbaar te maken, een truc die vaak werd toegepast om de jongensliefde te verbergen.

Of was de vorm waarin de liefde zich uitte (nu door “codes” bepaald) niet zo belangrijk, maar ging het om de kwaliteit?

Een lange tocht wacht ons nu we kunnen ontschepen.