VROEGE EMOTIES (2)

 

Bij de eerder geciteerde rudimentaire dankbaarheid omdat anderen hem helpen bij zijn pogingen om in leven te blijven, is er natuurlijk ook rudimentaire woede, omdat die anderen daarbij soms in gebreke blijven.

Spinoza benadrukt dat: iemand die afhankelijk is en zichzelf als zodanig beschouwt ervaart zowel liefde als woede jegens degenen van wie hij afhankelijk is..

Het kleine kind begrijpt echter nog niet dat liefde en woede op dezelfde bron gericht zijn.
Zijn onzekerheid over de grenzen tussen zichzelf en de ander kan het onduidelijk maken of de bron van frustratie binnen of buiten zichzelf ligt.

Hij krijgt een vage indruk dat er blijkbaar slechte en goede instanties zijn, die op een of andere manier een deel van zichzelf zijn, en richt dus verbijsterd zijn woede nu weer eens op dat deel van zichzelf en dan weer naar buiten, of hij slaagt er zelfs niet in om dat onderscheid te maken.

Het is geen aangeboren destructieve neiging maar een reactie op hoe je in het leven staat.
Wel brengt ‘zich ontwikkelen’ veel momenten van ongemak en frustratie met zich mee.

‘Een zekere frustratie van de wensen van het kind door het zelfstandig komen en gaan van de verzorger is zelfs noodzakelijk voor een goede ontwikkeling, want als het eenvoudig alles krijgt voordat het zich onbehaaglijk voelt, zal het kind zelf nooit iets aan de situatie proberen te veranderen.

Anderzijds begrijpt het kind uiteraard de diepere bedoeling niet.
Zijn houding is er een van kinderlijke almacht waarin de hele wereld om zijn wensen draait.
Elk tekortschieten van de verzorger om die wensen te vervullen heeft woede tot gevolg alsof het in een hem toebhoren recht tekortgedaan was (om dit wat voorbarig in complexe termen te formulen, voegt Nussbaum er dadelijk aan toe.)

bozebaby02

cassat

Je kunt het ook met Seneca zeggen: ‘in het Gouden Tijdperk is ‘misdaad ver weg’ en ontbreken alle gulzigheid en woede, omdat de buitenwereld dan elke wens van tevoren vervult. (alsof je eeuwig zou leven, bijvoorbeeld)

Woede houdt een nauw verband met de groeiende liefde van het kind.
Juist in het besef dat zowel de goede dingen als de afwezigheid daarvan een externe bron hebben garandeert de aanwezigheid van beide emoties. (hoewel het kind nog niet beseft dat het in beide gevallen dezelfde bron is, dat ze dezelfde als object hebben.)

Die woede leidt al vlug tot een crisis in het leven van een kind.
Maar het is duidelijk dat de aard van het vasthouden door de ouders mee beïnvloedt wat de situatie van het kind is als het zo’n crisis doormaakt.

Hier ontwijkt Martha Nussbaum de begrippen van Winnicott als ‘the good enough mother’ en spreekt ze van het ‘good enough holding’.
Deze ‘goed genoeg moeder’ is echter een basisbegrip in het werk van Winnicott.

In zijn ‘Primary Maternal Preocupation’ uit 1956 leidt hij een nieuwe visie in op het moederschap, ‘as a special phase in which a mother is able to identify closely and intuitively with her infant, in order she may supply first body-needs, later emotional needs, and allow the beginnings of integration and ego-development’.

We zullen een volgende keer een voorbeeld uit de praktijk bespreken waarin niet de good enough mother maar een super-mama voor de nodige schade zorgt.


VROEGE EMOTIES (1)

Er is nog geen duidelijk besef bij de baby van de grenzen tussen zichzelf en de ander.
Mysterieuze transformaties ervaart hij en die herleidt hij nog niet tot een zelfstandige oorsprong buiten zichzelf.

Sommige van die processen -dat komen en gaan- die voor zijn bestaan zo belangrijk zijn, heeft hij nog niet in zijn macht.
Nussbaum legt hier een begin van rudimentaire emoties.

‘Emoties zijn een erkenning van die belangrijkheid in combinatie met die machteloosheid. Dat betekent dat de emoties zich geleidelijk ontwikkelen naarmate het kind zich er sterker van bewust wordt hoe belangrijk die transformaties zijn voor zijn bestaan en dat ze kennelijk van buiten komen.’

Zodra het kind de transformatie tot een bepaalde instantie herleidt, die het tot op zekere hoogte van zichzelf kan onderscheiden, krijgen de emoties een object.

Tot de vroegste emoties kun je angst en bezorgdheid rekenen, als de transformatie die op zich laat wachten, vreugde als die plaatsvindt, en gaandeweg steeds meer hoop op het gelukzalige moment dat komt.

In het notenapparaat wijst ze op Wittegenstein (1967):
‘Je kunt een kind observeren en wachten totdat het op een dag blijk geeft van hoop en dan zou je kunnen zeggen:”Vandaag hoopte hij voor het eerst.”
Maar dat klinkt toch heel raar! {…} …en waarom klinkt dat raar? {…} Nu, het dagelijks leven wordt stukje bij beetje zodanig dat er plaats is voor hoop.’ (p469)

maddy

Ik wil even in de marge noteren dat ‘angst’ en ‘bezorgdheid’ net zoals ‘liefde’ hier in hun rudimentaire vormen worden ervaren.
In die rudimentaire vorm van liefde en dankbaarheid het besef dat anderen het kind helpen bij zijn pogingen om in leven te blijven (wat Spinoza’ s definitie van liefde is).

Tegelijkertijd begint het kind ook een zekere verwondering en verukking te ervaren over aspecten van de buitenwereld die geen verband houden met zijn eigen toestand.
Tot die aspecten behoren personen en delen van personen jegens wie verwondering en dankbaarheid sterk onderling verweven kunnen zijn.

Zo zijn gedachten over objecten en over zichzelf nauwelijks omlijnd.
Voor zover de emotie een object heeft, is dat misschien een stukje buitenwereld of, iets later, een deel of aspect van de verzorger, maar nog niet de verzorger als persoon.

Ik denk persoonlijk dat dergelijke ervaringen ook nog bij ons als volwassenen nawerken.
We verbinden bijna automatisch bepaalde eigenschappen aan de voor ons bekende personen, we beperken hen bijna onbewust tot de eigenschappen die bij ons sympathie of afkeer opwekken zonder te beseffen dat zij daarnaast ook nog een werkelijke ‘persoon’ zijn.

De vraag wat het verband is tussen deze emoties en de driften van het kind wijst ons naar de zoektocht naar de ‘nieuwe wereld’, nieuws daarover dat vooral uit zijn eigen eetlust voortkomt.

(is dit het succes van de talloze kookprogramma’s op de mondiale televisie?)

‘Veel nijpende zorgen draaien rond het krijgen van eten en aanvankelijk kan het die zorgen en zijn honger moeilijk van elkaar onderscheiden.
Het is een algemeen gevoel van onbehagen dat genot nastreeft in de epicuristische betekenis , als een afwezigheid van onbehagen en pijn.’

Aan de andere kant verschilt de behoefte aan veiligheid (en warmte) en vasthouden van de behoefte aan bevrediging van driften.
Hoe meer een kind zich bewust wordt van de bronnen van geborgenheid in zijn wereld des te groter dit verschil zal worden.
Net zo min is het streven naar kennis te herleiden tot een bevrediging van driften.

En door dit streven ervaart het kind emoties zoals verwondering, die niet egoïstisch zijn en zelf tot op zekere hoogte niet-eudaimonistisch (een begrip dat Nussbaum vaak hanteert en waarmee de emoties naar het welbevinden van de persoon omcirkeld kunnen worden, eu-daimon, de goede geest).
Dat beïnvloedt ook de structuur van de andere emoties.

‘Hierdoor hebben objectrelaties vanaf het begin een niet-instrumenteel en zelfs niet-eudaimonistisch aspect, zodat het kind zijn eigen emoties als object voor zijn nieuwsgierigheid kan zien.’


STRANDEN VAN LICHT

jochiesaanderivier

In het derde aspect dat volgens Lucretius het kind ervaart introduceert hij de prachtige zinsnede ‘op de stranden van licht’.
In luminis oras

Deze term geeft aan dat de wereld waarin het kind aankomt stralend en prachtig is en zijn aandacht opeist als een zelfstandig object van belangstelling en plezier.

(verderop heeft Lucretius het in de context van een beschrijving van onze angst voor de dood over de pijn waarmee mensen ‘het zoete licht van het leven’ verlaten, dulcia lumina vitae)

Volgens Nussbaum (en mezelf) krijgen die pracht en belangwekkendheid van de wereld te weinig nadruk bij psychoanalytici die nog strictere epicurieërs zijn dan Lucretius zelf in hun weergave van de fundamentele neigingen van het kleine kind als iets wat louter gericht is op het kwijtraken van pijn en ongemak.

dyn002_original_393_477_jpeg__3e1bc82b7ff9fdd96cfdd5ac72956201

Aristoteles had echter gelijk: de belangstelling om dingen te leren is vanaf het begin van hun leven een eigenschap van mensen.
Stern benadrukt op basis van experimenten de intense belangstelling van het kleine kind voor cognitieve prikkels en zijn verrassend goed ontwikkeld vemogen om onderscheid te maken.

Jonge kinderen zoeken de intensiteit van het licht op en richten hun aandacht op de helderste, meest intense prikkels die nog geen pijn doen.
Deze neiging is buitengewoon waardevol om het kind te helpen de wereld te leren kennen.

dyn002_original_466_344_jpeg__728a1829333b196427808df2786e7d10

Ook Winnicott vestigt de aandacht op de creatieve impulsen van het kind, het plezier waarmee het aan activiteiten begint die beroep doen op zijn verbeeldingskracht.

Ik keer even terug naar het ‘vasthouden’ in dit verband.
De biologe Sarah Hrdy zegt daarover:
‘Mensenbaby’s hebben een vrijwel niet te stillen behoefte om vastgehouden te worden en zich te koesteren in het gevoel dat van ze wordt gehouden.’

Het vasthouden maakt het kind bereidwillig om in de wereld te leven.
Het zorgt voor de overtuiging dat ondanks alle gevaren de wereld voldoende welwillend is om zijn eigen actieve inspanningen te steunen.

dyn008_original_495_425_jpeg__ea897e1a6da8e95e78ef092e7cb485e4

Ook benadrukt Nussbaum het standpunt dat niet één enkele persoon die zorg aan de baby moet geven, rol die de moeder zou moeten vervullen.
Winnicott benadrukt dat ‘moeder’ wel een soortnaam kan zijn, waar ook vaders onder vallen als ze de moederrol spelen.
Uit experimenten blijkt dat kleine kinderen een specifieke verzorger vrijwel onmiddellijk herkennen.
Al wanneer hij drie dagen oud is kan een baby de geur van de melk van zijn eigen moeder onderscheiden van de geur van de melk van een andere moeder.

Over het algemeen is het vermogen om een specifieke verzorger te herkennen en daarmee een sterke exclusieve band te ontwikkelen een verrassend vroeg optredend universeel kenmerk in het leven van primaten.

Stern noemt de relatie tussen kind en verzorger(s) een ‘dans’.
Het evenwicht tussen onverschilligheid en opdringerigheid, aandacht en ruimte geven, moet precies goed zijn, anders is het gevolg een onvermogen om te vertrouwen.

Besluiten we dit hoofdstuk met de bedenking dat er een oorspronkelijke behoefte is om cognitief beslissingen te nemen en een oorspronkelijke vreugde om de wereld te leren kennen als we willen verklaren waarom kinderen hun eigen weg zoeken in zo’n onzekere wereld.
Stel dat de enige positieve waarde een instrumentele waarde zou zijn gericht op het opheffen van een negatieve toestand, dan zou het immers gaan zoals Epicurus zegt: zodra pijn en ongemak ongedaan gemaakt zijn ‘heeft het dier geen enkele behoefte meer om ergens aan te beginnen’.

Dieren echter stellen hun eigen doelen.
Vooral bij menselijke dieren is het opvallend hoe onafhankelijk de nieuwsgierigheid, cognitieve belangstelling en verwondering van het zuivere zelfbehoud en hoe onontbeerlijk dat is om initiatief en creativiteit te kunnen verklaren.

We zullen volgende week de bedding die we hebben gelegd gebruiken om te varen op de stroom van de vroege emoties.


TUSSEN ALMACHT EN HULPELOOSHEID

 

dyn001_original_408_543_jpeg_20344_47b064d2938c6ce01ab1e95c9760d7bb

In de mythes is het verhaal van ‘Het Gouden Tijdperk’ zou je een poging kunnen zien om de wereld van het kleine kind te herscheppen, meent Nussbaum.
Een tijdperk waarin de mensen helemaal niets hoefden te doen, niet te werken, niet te handelen en nergens naartoe te gaan, want de aarde zelf zorgt ervoor dat het voedsel precies op zijn plaats komt waar ze zich bevinden.

Rivieren van melk en honing ontspringen uit de grond en in het milde klimaat is geen behoefte aan beschutting.
De mensen uit dit tijdperk, merkt Hesiodus op, missen elke behoedzame rationaliteit-vermoedelijk omdat ze geen behoefte hebben aan denken.
Ze leven in een toestand van gelukzalige heelheid.

dyn001_original_437_328_jpeg_20344_f6202f8c9c5229fa50ffcb52d28780cc

Stoïcijnen die dit verhaal vertellen voegen eraan toe dat ‘misdaad’ in tijdperk ver weg is, er is geen agressie, want alles is volledig.

Wat deze mythe in wezen beschrijft, is de almacht van het kleine kind, zijn gevoel dat de hele wereld om zijn behoeften draait en er volledig op gericht is om aan al die behoeften te voldoen.

Natuurlijk is de wereld van het kleine kind van meet af anders dan de wereld van het gouden tijdperk.
Freud meent (het is het begincitaat van Nussbaums’ boek) dat voor het kind de rudimentaire ervaringen voor zijn geboorte misschien een echt gouden tijdperk zijn.
Het is veilig met de bron van voedsel en geborgenheid verbonden en verkeert inderdaad in een toestand van gelukzalige heelheid.
En gaat Freud verder, de geboorte verstoort dat allemaal en brengt het kind in een wereld van objecten, waar het voor zijn overleving van afhankelijk is.

dyn007_original_437_566_jpeg__e7d7ffc043c048b26e267ddb16dda3bb

Laat deze wereld op die van het Gouden Tijdperk lijken, er zijn ook perioden waarin de wereld een hongerig, angstwekkend en onbehaaglijk oord is.

‘De aarde blijkt niet automatisch voor alles te zorgen en vanaf het begin ervaart het kind deze wereld van plotselinge transformaties als riskant en poreus, vol onzekerheid en gevaar.
Dit geeft het kind een besef van zijn eigen hulpeloosheid, wat een behoefte aan troost en geruststelling wekt die niet te herleiden is tot lichamelijke basisbehoeften.
Het beeld van Lucretius suggereert dit al, met de min die het kind te eten geeft en kalmeert met sussende woordjes en liefkozingen.’

In de vroege psychoanalytische theorieën van de babytijd werd elke behoefte tot een lichamelijke behoefte herleid.
De Engelse psychoanalist Donals Winnicott (1896-1971) maakte daarop een uitzondering.
Met zijn ideeën bevond hij zich tussen de kampen in, met Freud aan de ene kant en Melanie Klein aan de andere kant.
Dank zij het werk van Martha Nussbaum kregen zijn geschriften weer een nieuwe belangstelling.

Begrippen als ‘vasthouden’, voeding, aandachtige zorg en het scheppen van een ‘faciliterende’ omgeving’ zijn voor hem erg belangrijk.

De beste omgeving, zegt hij, is die tegemoet komt aan de almacht van het kind (die tevens zijn volledige hulpeloosheid inhoudt, wat zijn eis is om het middelpunt van de aandacht te zijn, verklaart.) en deze erkent.

Door zich met het kind te vereenzelvigen weten de verzorgers wat het nodig heeft en zorgen ze voor die dingen: niet alleen voor voedsel, maar ook voor een opmerkzame wisselwerking en geborgenheid.

(denk hierbij aan experimenten met jonge aapjes die zich eerder vastklampen aan een zachte bron die geen voedsel verschaft dan aan een stekelige harde bron die dat wel doet.)

Met de woorden van Winnicott:

‘Het kleine kind dat wordt vastgehouden…is zich niet bewust dat het behoed wordt voor eindeloos vallen. Een kleine nalatigheid in het vasthouden geeft het kind echter die gewaarwording van eindeloos vallen.’

Deze schrille hulpeloosheid zorgt ervoor dat zijn leven veel ruimte biedt aan onzekerheid, bezorgdheid en woede.

Laten we met die mooie zekerheid morgen ‘in luminas oras’ de stranden van licht bezoeken, zoals Lucretius dat zo prachtig uitdrukt.


DE NIEUWE WERELD (2)

vergrootglas

Het mooie bij Lucretius is dat hij ons een beeld geeft, geen theoretische verklaring, zegt Nussbaum.
Uit een beeld kun je wel een verklaring afleiden.
En dat beeld verschilt op een aantal punten van de klassiek freudiaanse en kleiniaanse verklaringen.

Het centrale verschil is dat volgens Lucretius het drama van het kleine kind weinig te maken heeft met seksualiteit, zelfs weinig met genot, en al helemaal niet met ‘aangeboren agressie’ zoals Klein stelt.
In plaats daarvan heeft het drama bij Lucretius alles te maken met wat in de antieke wereld ‘externe zaken’ werd genoemd. Met de relatie van het kind tot objecten die van groot belang zijn.

Nussbaum wijst erop dat ook wetenschappers en cognitief psychologen in de analyse van emotionele ontwikkeling van dieren hierop uitkomen.

babyface

Lucretius’ bschrijving geeft drie afzonderlijke aspecten van de behoeftigheid van de baby aan die onderling onherleidbaar lijken.

Als we vervolgens die aspecten bekijken hebben we een uitgangspunt om over de emoties van het kleine kind te kunnen praten.

‘Het komt erop neer dat het beseft hoe belangrijk die externe zaken zijn.’

(Ik zal later terugkomen op het begrip ‘beseffen’ want ik meen dat vele theorieën op ‘hinein-interpretierungen’ lijken vanuit het volwassen al dan niet wetenschappelijk standpunt.)

De eerste en duidelijkste behoefte is de behoefte aan ‘hulp om in leven te blijven’, de lichamelijke basisbehoefte aan voedsel en verzorging die het kind via driften als honger en dorst ervaart.

Volgens Nussbaum is de zich ontwikkelende perceptie van het jonge kind, naar het standpunt zowel van Lucretius als van moderne psychologen, als een ervaren behoefte om pijnlijke of indringende prikkels kwijt te raken en een paradijselijke, vredige toestand te herstellen.

Het begrip ‘herstel’ als het begrip ‘paradijselijk’ horen volgens mij weer thuis in de hineininterpretierung want waarom zou dit ‘kwijt raken’ van die indringende prikkels niet gewoon bij de ontwikkeling (dus geen regressie, maar een ontwikkeling) kunnen horen.

dyn007_original_437_557_jpeg__b605e38a07c0728cec6a946a5625435b

Ik denk dat het Roussiaanse denken -we zullen er weldra op terugkomen- ons meer parten speelt dan we wel vermoeden, of moeten we met gefronste wenkbrauwen toch nog maar eens naar Plato kijken?

Dit ‘herstel’ of ‘verdere ontwikkeling’ houdt verband met overleving en is belangrijk voor een evolutionaire verklaring van de ontwikkeling van het kleine kind en daarmee met de evolutionaire betekenis van zijn zich ontwikkelende emoties.

Natuurlijk ervaart het jonge kind dit ‘herstel’ zelf niet bewust.
Daniel Stern geeft de subjectieve beleving heel mooi weer in de metaforische constructie van een ‘hongerstorm’ in de kern van het bestaan van het kind, een storm die binnenin explodeert met een stroom pijnscheuten totdat de komst van voedsel de storm kalmeert.

dyn007_original_350_466_jpeg__06d43200ae386bf218eb9652ac61cc45

Nussbaum merkt op dat de beelden ‘storm’ en ‘kalmte’ ook door de epicurieërs worden gebruikt om aan te geven hoe we door honger worden geplaagd en hoe opgelucht we zijn als hij bevredigd is.

Naarmate het vermogen van het kind om afzonderlijke objecten waar te nemen zich ontwikkelt en het zich bewust wordt van zijn grenzen, iets wat volgens dezelfde Stern al zou gebeuren in de eerste levensmaanden- geven deze ervaren behoeften in de ‘objectwereld’ van het kleine kind een groot belang aan de objecten die als instanties voor het herstel van het paradijs zorgen. (de heer Milton ter ere)

Wie ook die rol vervult, vader, moeder, verzorgers, dat heeft nog geen belang want ze worden door het kind niet als afzonderlijke objecten ervaren, maar wel als een ‘transformatie’ proces waarin zijn eigen bestaanstoestand verandert.

Bollas noemt de verzorger daarom een ‘transformerend object’ en hij merkt daarbij op dat de daaropvolgende geschiedenis van mensen voor een groot deel het stempel draagt van het vroege verlangen naar dat object, in de vorm van een verlangen naar een ‘tweede komst’ van die overgang naar gelukzaligheid, en naar het object dat daarvan het voertuig kan zijn.

Het heeft als machteloos wezen daarop zelf weinig invloed, en het plotselinge komen en gaan ervan maken de wereld voor het kind een riskante, onvoorspelbare wereld, waarin de beste dingen als bij donderslag verschijnen, alsof er plotseling licht en vreugde tot hem doordringen, aldus een lyrische Nussbaum.

Het Gouden tijdperk?


DE NIEUWE WERELD (1)

met glazen bol

 

Op zoek naar de aandacht of afkeer voor seksuele gedragingen, naar oorsprong van verering en hysterie, keerde ik terug naar Martha Nussbaum.

Nussbaum is hoogleraar recht en ethiek aan de Universiteit van Chicago.
Zij is eredoctor aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, aan het Institute of Social Studies in Den Haag en aan de Katholieke Universiteit van Leuven.

Belangrijke boeken van haar: The Fragility of Goodness (nieuwe vertaling in de boekhandel), Love’s Knowledge en Poetic Justice (!)
Haar opus magnum ‘Upheavels of Thought. The Intelligence of Emotions werd in het Nederlands vertaald als ‘Oplevingen van het Denken’, Over de menselijke emoties, en verscheen bij Ambo in 2004.

Op de achterflap:
Oplevingen van het denken’ is het magnum opus van Martha Nussbaum. Dit meesterstuk is gewijd aan de emoties.
Nussbaum laat zien hoe door de eeuwen heen gedacht en geschreven is over de emoties, niet alleen in de filosofie, maar ook in de literatuur en andere kunsten.
Zij ontleent diepe inzichten aan Dante, Joyce en Proust, schrijft over de emotionele betekenis van muziek en film, en brengt ook persoonlijke ervaringen- met name de dood van haar moeder- in stelling.

dyn001_original_364_485_jpeg_20344_515d6429dbda05c1c41f7c5ea414a409

In haar hoofdstuk ‘Emoties en Kindertijd’ sluit ze aan bij Lucretius, een Romeins filosoof waarvan het leerdicht ‘De Rerum Natura’ de verschijningsvormen van de natuur en hun ontstaan beschrijft.
Lucretius was een aanhanger van de Epicuristen, mensen die door de vroeg Christelijke gemeenschap wel eens als ‘krankzinnigen’ werden afgeschilderd omdat ze in de materie de verklaring der dingen zochten en alle goden als bijgeloof verwierpen.

dyn001_original_466_349_jpeg_20344_b698d68aed79477a2318b1cb0212415e

‘Mensen worden evenals de andere dieren geboren in een wereld die ze niet hebben gemaakt en die ze niet in hun macht hebben.’

Of om het met Freud te zeggen, van een absoluut onafhankelijk narcisme naar de perceptie dat de wereld buiten ons verandert en waarin we beginnen objecten te ontdekken.

De huilpeloosheid van het pasgeboren mensenkind is andere diersoorten zo goed als onbekend. Ik citeer Nussbaum die daarna Lucretius aan het woord laat:

‘Wat ze dan ervaren is zowel alarmerend als verrukkelijk. In woorden van Lucretius: het kind dat hulpeloos huilt door de schok van de geboorte,

…ligt als een zeeman die door onstuimige golven aan land is geworpen naakt op de grond, sprakeloos, met behoefte aan alle mogelijke vormen van hulp om in leven te blijven, wanneer de natuur het voor het eerst met weeën uit de baarmoeder van zijn moeder op de kusten van het licht heeft geworpen.
Het vult de hele ruimte met klaaglijk huilen, wat volkomen terecht is voor iemand die in zijn verdere leven blijvend met die problemen te maken heeft.

Ik heb mijn bedenkingen bij Freud die aanhaalt dat het kind zo overweldigt is dat het de nieuwe stand van zaken niet langer kan verdragen en zich geregeld terugtrekt in zijn slaap, tot onze vroegere toestand waarin er geen prikkels waren en waarin objecten werden vermeden, waar je kunt stellen dat de eersrte maanden van het menselijk leven buiten de baarmoeder ook een een voortzetting of een afrondig kunnen zijn van de genese, nodig voor zijn ontwikkeling.

Nussbaum haalt aan dat van in die vroege mensentijd er ‘instanties’ in de omgeving zijn die op de behoefte van het kind toezien en hem alles verschaffen wat hij zichzelf niet kan verschaffen.

‘Die instanties worden daardoor uiterst belangrijk in zijn nog onontwikkelde en onafgebakende bewustzijn van de buitenwereld.
Zijn relatie ermee is vanaf het begin gericht op de vurige wens om veilig te stellen wat de natuur zelf niet verschaft- geborgenheid, voedsel, bescherming.’
En daar verschillen Lucretius en Freud al van mening zoals we morgen zullen zien.


HET OERGEVOEL IN DE WIJSVINGER

Broken1

Met opzet citeer ik Hoefnagels in de titel die meteen diezelfde vinger op de wonde legt: wat is dat toch dat wij zo graag die wijsvinger al dan niet virtueel opheffen om het met de Standaard, die zichzelf deemoedig “onverantwoord” interessant noemt, uit te roepen ‘hoe ver straffeloosheid’ kan geduld worden?

Laten we beginnen met een klein gewetensonderzoek.
Hoe vaak kwam je weg zonder straf van klooien met de belastingsaangifte, je kinderen met kluitjes of fameuze kluiten in het riet te sturen, je partner een enigzins ander verhaal op te dissen, je werkgever te bedotten, de kassierster niet te wijzen op het feit dat ze je te veel terugbetaalde, te klungelen met btw, de maximum toegelaten snelheid met meer dan 30% te overschrijden, en u vult zelf maar aan want het lijstje is lang.

Bouwen we niet elke dag aan de Platoonse ‘heilige leugen’?
Citeer ik de Griekse filosoof Anaximander:

‘In de vorm waarin de dingen ontstaan, vergaan zij ook weer zoals is verordineerd; want zij geven genoegdoening en bevrediging aan elkander voor hun onrechtvaardigheid, overeenkomstig de gestelde tijd.’

Je zou dat ‘noodlot’ kunnen noemen want in feite hebben wij geen woord voor het hierboven omschreven begrip dat de Oude Grieken zeer belangrijk vonden.
Ik dacht aan de Duitse uitdrukking ‘Es geschah’, het gebeurde.

Onder de invloed van de democratie zijn wij het begrip rechtvaardigheid met dat van gelijkheid gaan verbinden, terwijl voor Plato dit verband niet bestond.
Het begint bij Plato aanvankelijk dat ‘Recht’ het betalen van je schulden was, en al werd dat begrip vlug vervangen, er bleef altijd iets hangen van dit begrip zegt Russell in zijn geschiedenis van de filosofie.

dyn004_original_600_476_jpeg_20344_f041f1b5104ee8f07745b647c40b5148

Elk Utopia moet inderdaad de idealen van zijn schepper verwezenlijken.
In deze opvatting zou je kunnen zeggen dat het verschil tussen ‘ideaal’ en ‘verlangen’ het onpersoonlijke tegenover het persoonlijke is.
Je zou dus een ‘ideaal’ kunnen omschrijven als een niet egocentrisch verlangen zodat eenieder ernaar kan verlangen.
Ik zou wensen dat iedereen genoeg eten had, vriendelijk was, enz.

Het persoonlijk element treedt aan het licht zodra het tot een verschil van mening komt.
Russell geeft een voorbeeld uit zijn tijd.
Stel dat je zegt dat je niet het geluk van iedereen moet verlangen, maar alleen dat van de Duitsers, en de rest mag ten zeerste ongelukkig worden.
U kent toch eerst oompje en dan oompjes kinderen?
En hoe verantwoorden we dat ethisch?Wordt ‘rechtvaardigheid’ dan inderdaad niet vlug ‘het recht van de sterksten’?

Verlangen wij niet in onze kinderlijke dromen om die ‘sterkste’ te zijn, om onze zwakheden te klasseren bij de menselijke eigenschappen-die-er-niet-toe-doen, en dat oergevoel in de wijsvinger boven te halen als het om de anderen gaat?

De overvolle gevangenissen, de rij wachtenden voor u bij de electronische enkelband maken zelfs bij de kwaliteitskrant de roep naar primitieve wraak wakker.
Dat kan toch niet, die straffeloosheid!

Daar zal iedereen het mee eens zijn als we maar doordrenkt waren van onze eigen straffeloosheid of als we maar rijk en handig genoeg zijn, als we maar aan de goeie kant staan, de duurste pleiter kunnen betalen, de juiste geaardheid en genoeg passiviteit hebben om ons nergens mee te moeien, enz.

dyn004_original_332_500_jpeg_20344_5adc26bb821410d5e7d28a8f128df28e

En die straffeloosheid is nog niet zo straffeloos als de rechtvaardige burger zou denken.
Stel je wordt opgepakt, je komt in voorhechtenis, je komt in de kranten, daarna wordt je veroordeeld, en bij onkunde moet je missschien in beroep of cassatie gaan, en na zeer lange tijd kom je in dat rijtje wachtenden terecht.
Je bent doder dan dood.
Je hebt ten overvloede gefigureerd in kranten en internet-schandpalen, je bent minder dan niets geworden.
Je spaargeld is op of je hebt nog jaren schulden om aan burgerlijke partijen te voldoen en je raadsman te betalen.

Je kunt je leven niet plannen want je weet niet wanneer die rij zich in beweging zal zetten.
Je huisgenoten, je familie, ze worden allemaal meegestraft.
Je verdwijnt uit hun midden om in een overvolle gevangenis de dagen te tellen.

Eigen schuld, dikke bult.
Ja, dat is zo.
Maar of die bult als een monsterachtige tumor in je ziel moet blijven woekeren, is een andere vraag.

Toch blijven we wetten maken waarbij overtredingen nog steeds maar in jaren gevangenis wordt uitgedrukt.
Alsof er geen andere mogelijkheden zijn om mensen weer bij de hand te nemen in plaats van ze in een middeleeuwse krocht te schoppen.

Straffeloosheid?
We sluiten ons op in ons eigen Utopia: ‘onze’ ideale maatschappij.
En we beseffendat we zelf dagelijks met de nodige scheve schaatsen kringetjes op het harde ijs van onze ziel maken, onze eigen neus en andere lichaamsdelen achterna.

Dat maakt ons beschaamd.
We weten immers zelf dat we maar zijn wie we zijn.
En vaak camoufleren we die schaamte in een luide roep naar rechtvaardigheid, de wijsvinger in de lucht.
Niet-wettige zelfverdediging.

Wellicht is er dat schrijnende tekort aan ‘erbarmen’ dat ons parten speelt.
Dan zijn we al bij Martha Nussbaum, waar we het over ‘primitieve schaamte’ zullen hebben, die we blijkbaar al in de kindertijd opdoen.

De novemberdagen zijn kort.