21berg.2.650

Vaak ontmoette ik jonge en oudere lezers die boeken ‘verslonden’.
Net zoals mensen eten verslinden in plaats van te proeven.
Verslinden, zoals slangen hun prooi in zijn geheel inslikken.

Bij slangen blijft het verslondene nog een hele tijd zichtbaar.
Bij boekenverslinders niet.
Het boek lost bijna onmiddellijk op alsof het nooit heeft bestaan.
Ze hebben het letterlijk uit-gelezen, verzwolgen.

Vaak gaan kinderen prat op het volume boeken dat zij verslinden, aangemoedigd door de opvoedende omgeving voor wie het verzwelgen van boeken een teken van wijsheid verwerven zou zijn terwijl het in feite een vrij ongezonde manier van bevredigen is.

Het bevredigen van nieuwsgierigheid zal op zichzelf eerder positieve gevolgen hebben, maar bij verslinders wijst het op een soort verslaving naar steeds meer van ‘het andere’, en dat kun je invullen als een soort herhalingsdwang waarin het ijdele geloof naar sensatie of emotionele overvloed de bovenhand haalt.

Verslinders zijn gek op boeken met veel verdriet, zij hebben kommer en kwel lief, maar hun oogmerken zijn niet de lering dat het mensengedoe juist daardoor medeleven verdient, het gaat hen om een bepaalde soort van plezier in het lijden, een uiterst verdacht mede-lijden.

Als kind bracht ik zelf ook wel een boek of vier mee uit de bibliotheek, maar dat was dan om thuis te kunnen kiezen, om ze eerst te besnuffelen, om hun elasticiteit te ondergaan en ze na enkele pagina’s weg te leggen omdat ze of te infantiel of nog te moeilijk waren.

Maar meestal zetten boeken mij aan tot dramatiseren, tot spelen.
Ging een boek over een natuurclub waarin vogels en ander gedierte werd geobserveerd, dan stichtte ik zelf zo snel mogelijk een dergelijke club, die dan eerder oorlog voerde met de club van de andere straat, maar toch ook een dagboek bijhield en allerlei berichtjes naliet die pas jaren later gevonden werden.

dyn001_original_422_392_jpeg__2dfdc7cd331dda25c510a12b4e5d10a5

Andere verhalen vroegen om rechtstreekse dramatisering.
Mozes die met zijn stenen tafelen de berg afkwam (nog voor Cecil B. Demil zijn versie had vrijgegeven) en het volk dansend rond het gouden kalf aantrof, dat was pas een onderwerp om in de theaterruimte achter het kippenhok op te voeren waar de kinderen uit het gebuurte na het betalen van 1 frank inkomgeld waar voor hun geld zouden krijgen.

Maar Mozes, in oude gordijnen zijner moeder gehuld, trapte in een nagel die uit een plank op de vertoornde Mozes lag te wachten zodat hij een levendige kreet slaakte en hinkend het terrein verliet en ook nog het inkomgeld moest terugbetalen.

Het dramatiseren kon ook meer sobere vormen aannemen waarbij een hand diende als hoofdpersoon, een hand die de andere hand ontmoette waarbij zich een gesprek ontspon alsof beide handen elkaar jarenlang niet hadden gezien.

Voor de meeste kinderen is het dagelijkse leven een introverte scène.
Het is hun grootste geheim.
Ze zitten op de fiets, op weg naar school, en ze horen de toeschouwers juichen wanneer ze als eerste de aankomst zullen bereiken om dan geïnterviewd te worden door de wereldpers, of zij weten dat ze nog voor de voorbijrijdende vrachtwagen hen bereikt zij op die of die bepaalde plek moeten zijn om het onheil voor die dag af te wenden.

Ze zien zichzelf in de etalage staan als Mega Mindy of weten dat zij door de onbekende man in het zwart bespioneerd worden.
Mensen hebben hun hoofd vol drama en zo lang zij daarin durven meespelen om aan de dagelijkse banaliteit te ontsnappen, zal mededogen voor elkanders schouwspel een kans krijgen.