BRIEVEN AAN CECILIA (10)

1466386377d4a70689.jpg


Als je de ‘bovennatuur’ gaat manipuleren, een God als Opperwezen voorhoudt, terwijl de andere monotheïstische tradities hun uiteerste best hadden gedaan zich van dat soort theologie te ontdoen (joden, moslims en orthodoxe christenen) door te beklemtonen  dat onze menselijke voorstelling van God niet overeenkwam met de onzegbare werkelijkheid waarvan hij louter een symbool van was aangezien hij niet op een door ons te bevatten manier bestond, kom je in de problemen.

Zo vat ik de redenering samen van Karen Armstrong in het geciteerde boek ‘Een geschiedenis van God’.
‘Katholieken en protestanten waren hem gaan beschouwen  als een wezen dat aan een andere werkelijkheid was toegevoegd dan aan de wereld die wij kennen, en hij in die rol als een soort Big Brother toezicht hield op ons handelen.’
Een terechte opstand tegen dit godsbeeld was dus een noodzaak. Leken ze volkomen nieuwe gedachten te formuleren herhaalden ze in feite  vaak onbewust de oude inzichten van monotheïsten uit het verleden.

hegel_faust_by_mitchellnolte-d8l17eg.jpg


Georg Wilhelm Hegel (1770-1831) kwam met een wijsgerig systeem dat in sommige opzichten verrassend veel op de kabbala leek. Ironisch genoeg vond hij het jodendom een onwaardige religie verantwoordelijk voor de primitieve godsvoorstelling die zoveel kwaad had aangericht.  In zijn ogen was de joodse God een tiran die onvoorwaardelijke onderwerping aan een intolerante wet eiste. Had Jezus de mens hiervan willen bevrijden, de christenen echter waren in dezelfde val getrapt.  Een ‘verlicht’ standpunt was dus nodig.
Armstrong maakt brandhout van dit standpunt en noemt zijn systeem ‘een nieuwe variant van het metafysisch antisemitisme.
‘Net als Kant projecteerde Hegel wat in zijn ogen verkeerd was aan religie op het Jodendom.’
In zijn ‘Phänomenologie des Geistes (1807) verving hij de conventionele godheid door het concept van een Geest die de levenskracht van de wereld was.
Armstrong haalt dan een aantal overeenkomsten aan tussen de kabbala en Hegel’s Phänomenologie,  zeker het idee dat de Geest die zichzelf beperkingen oplegt,  afhankelijk was van de wereld om tot vervulling te komen.  Hij bekrachtigde daarmee de kenmerkende opvatting dat ‘God’ niet los stond van de aardse werkelijkheid, dat Hij geen optioneel extra in een eigen wereld was, maar onlosmakelijk met de mensheid was verbonden, de oude monotheïstische opvatting voor het christendom en de islam.

‘Net als Blake drukte hij dit inzich dialectisch uit door de mensheid en de Geest, eindig en oneindig, te beschouwen als twee helften van één enkele waarheid die van elkaar afhankelijk waren en in hetzelfde proces van zelfverwerkelijking waren gewikkeld.’ (391)

Zoon van de Romantiek was hij maar ook van de Verlichting en daarmee was voor hem de rede de rede belangrijker dan de verbeelding.
Net als de falasifa (het mv. van failasoef) (Arabisch) -moslims en joden die in de islamitische wereld de rationele en wetenschappelijke idealen van de falsafa nastreefden: het filosofisch denksysteem dat de islam in termen van het antieke Griekse rationalisme trachtte te interpreteren) stelde Hegel rede en wijsbegeerte boven religie omdat religie in het imaginaire was blijven steken. En zijn conclusies over het Absolute baseerde hij wederom zoals de falasifa, op de werking van de individuele geest die in een dialectisch proces gevangen zat, proces dat een afspiegeling van het geheel was.

older-schopenhauer.jpg


‘Belachelijk optimistisch’ noemde Arthur Schopenhauer (1788-1860) deze Hegeliaanse opvattingen in 1819 het jaar waarin hij Die Welt als Wille und Vorstellung publiceerde. (Hij gaf zijn colleges in Berlijn met opzet op hetzelfde ogenblik als Hegel de zijne. De kleine kanten van grote denkers.)
Niks absolute, noch een God, noch een Geest op aarde werkzaam:  er was niets, behalve de brute, instintieve levensdrift, de wil tot voortbestaan. Ik wil je een citaat van de auteur aan zijn uitgever (28 maart 1818) niet onthouden:

‘Het betoog zelf is even vrij van de hoogdravende, ijdele en zinloze woordenvloed van de nieuwerwetse filosofische stromingen als van het wijdlopige, oppervlakkige gezwets uit de periode vóór Kant. Het is in de hoogste mate duidelijk, inzichtelijk en energiek, en het bezit een zekere schoonheid, al zeg ik het zelf: echt stijl is alleen weggelegd voor wie echte eigen gedachten heeft. De waarde die ik aan mijn werk hecht is zeer groot: ik beschouw het namelijk als de vrucht van mijn bestaan.’

Het boeddhisme en het hindoeïsme vond echter wel enige genade in zijn ogen (en ook de christenen die hadden gezegd dat alles ijdelheid was).
Geen God dus wel kunst en muziek en een leven van ascese en mededogen. Van het jodendom en de islam was geen sprake wan volgens hem was hun kijk op de geschiedenis  absurd simplistisch en pragmatisch.
Armstrong dicht hem met deze stelling een vooruitziende blik toe:

‘We zullen zien dat de joden en moslims in onze eigen eeuw (dat was nog de 20ste, 1ste uitgave 1995) tot de slotsom zijn gekomen dat hun oude opvatting over de geschiedenis als theofanie niet meer onverkort kon worden gehandhaafd. Velen kunnen de gedachte van een God als Heer van de geschiedenis niet langer onderschrijven, maar Schopenhauers opvatting over verlossing kwam toch dicht bij het joodse en islamtische standpunt dat het individu zelf tot een besef van de uiterste zin vanhet leven moet komen. De protestanse opvatting echter over de absolute souvereiniteit van God  was hem totaal vreemd want die hield in dat mannen en vrouwen niets aan hun verlossing konden bijdragen, maar volkomen afhankelijk waren van een godheid die los van hen stond.’ (392)

Sigmund'sJourney_L.jpg


Het feit dat onze kennis voor een groot deel afhankelijk is van voorstellingen die wij hebben van een object zou een mooie aansluiting zijn bij het hedendaagse hersenonderzoek waarin de ‘voorstelling’ (de kaarten van de geest van Damasio bijvoorbeeld) voor ons ‘levensgevoel’ zorgt, al voegt hij er een extra waarde bij: de voorstelling van het eigen lichaam en de verbeeldingskracht.

‘De beide soorten voorstellingen van het lichaam (die van het vleselijke lichaam en die van de specifieke sensorische peilingen) kunnen in onze geest worden gemanipuleerd en gebruikt om ruimtelijke en temporele relaties tussen de objecten weer te geven.  Dit geeft ons de gelegenheid  gebeurtenissen te representeren waarbij die objecten betrokken zijn. (…)
Dank zij onze creatieve verbeeldingskracht kunnen we extra voorstellingen bedenken om objecten en gebeurtenissen te symboliseren en abstracties weer te geven.’
(Antonio Damasio, het gelijk van Spinoza, p182)

Er zijn dus ontsnappingsmogelijkheden aan de drift, de Schopenhauriaanse ‘wil’, die redeloze, lage, blinde, niets ontziende drift. En inderdaad wijst hij al de weg naar ‘schouwing’, naar ‘meditatie’.
De mogelijkheden om voorstellingen te manipuleren hoeven niet per sé vernietigend of verheven te zijn, een gezonde mix van de rijke spijskaart der menselijke hoedanigheden is op zijn plaats. De verbeelding ter ere

 

fe732e5b565a11f6dd989168593c4149.jpeg

 

BRIEVEN AAN CECILIA (9)

william_blake_frontispiece_songs_of_innocence.jpeg

Als ik de naam van William Blake (1757-1827) uitspreek is het woord ‘gevoel’ wel op zijn plaats. Apocalyptisch gevoel. (en tegelijkertijd The Doors en Jim Morrison die er de naam voor zijn rockgroep vond in ‘The doors of perception’ uit The Marriage of Heaven and Hell’.)
In zijn vroege gedichten had hij een dialectische methode gevolgd: woorden samenbrengen als ‘onschuld’ en ‘ervaring’ . Woorden die in deze moeilijke tijden van migratie best hedendaags zullen klinken. Volgens Karen Armstrong bleken deze diametraal tegenover elkaar staande woorden bij nadere beschouwing elk de halve waarheid van een complexere werkelijkheid te zijn. (p. 387)
Hij bracht een persoonlijke en subjectieve visie samen.  In zijn ‘Songs of Innocence and Experience’ moet onschuld ervaring worden en ervaring moet op haar beurt naar de diepste diepten vallen om onschuld te herwinnen.

‘Hoor de stem van de Bard! (neen, niet van BDW)
Die Heden en Verleden en de Toekomst ziet;
Wiens oor heeft gehoord
Het Heilig Woord
Dat door de oude bomen liep.

Al roepend tot de verdwaalde ziel
En wenend in de avondval;
Dat het licht misschien
Dat viel en viel
De sterrenpool weerbrengen zal.’

 

songsie.z.p28.300.jpg


Met de gnostici en de kabbalisten was volgens Blake de mens in staat van wat beetje houterig vertaald de ‘absolute gevallenheid’ mag heten. Net als de eerste mystici gebruikt Blake de zondeval als symbool voor wat zich in de ons omringende werkelijkheid voltrekt.
De opvattingen van de Verlichting trachten volgens Blake de waarheid te  veel te systematiseren. Kwam daarbij het beeld van de God van het christendom dat men had gebruikt om mannen en vrouwen van hun menselijkheid te vervreemden. (388)

Deze God had men onnatuurlijke wetten laten afkondigen die seksualiteit, vrijheid en spontane vreugde ondrukten ver van de wereld verwijderd.
‘Tot wat afstand, diep of hoog
gloeit de hitte van uw oog?’

(zie zijn beroemdste gedicht ‘De Tijger’)

Een geheel andere God, de Schepper van de wereld moet uit zijn solitaire hemel op aarde vallen en in de persoon van Jezus de dood vinden. (Hij wordt zelfs Satan, de vijand van het mensdom)
‘Net als de gnostici, de kabbalisten en de eerste trinitariërs stelde Blake zich een kenosis voor, een zelfontlediging in de godheid die uit zijn solitaire hemel valt en op aarde gestalte aanneemt.  Niet langer is er sprake van een autonome godheid in een eigen wereld die van mannen en vrouwen eist dat ze zich onderwerpen aan een externe, heteronome wet.  Geen menselijke handeling is God meer vreemd; zelfs de seksualiteit die door de Kerk wordt onderdrukt, is in het lijden van Jezus zelf manifest.  God is vrijwillig in Jezus gestorven en de transcendente, vervreemdende God is niet meer.  Wanneer de dood van God voleindigd is, zal de God met het Menselijke Gelaat verschijnen:

Jezus zei: ‘Zoudt gij dan hem beminnen die nimmer stierf
Voor u, of ooit voor iemand sterven die niet stierf voor u?
Als God niet voor de Mens sterft & zich niet zelve geeft
Voor eeuwig aan de mens; dan kan geen Mens bestaan; de Mens is immers Liefde
Zo ook God Liefde is:  elke goedheid naar een ander is een kleine Dood
In het Goddelijk Beeld, noch kan de Mens bestaan dan slechts door broederschap.’
(Jerusalem, vertaling D. Cohen) (388)

 

william_blake_sata_amor_adao_eva.jpg


Dat de ervaring waarover James en Damasio publiceerden zich ook een weg kan zoeken in de diepte van een godsbeeld eigen aan de tijd waarin het telkens weer wordt herzien, duidt op de soepelheid waarin het brein het menselijke vorm geeft boven de verstarring  die alleen maar tot wreedheid en uitsluiting kan leiden. De westerse theologie was sinds Thomas van Aquino terecht gekomen in het overmatig beklemtonen van de rationaliteit, een neiging die versterkt werd na de Reformatie en de Contrareformatie. Het was vooral de figuur van Friedrich Schleiermacher (1768-1834) die met zijn publicatie ‘Über die Religion: Reden an die Gebildeten unter ihren Verächtern een statement maakte, en met zijn eigen romantisch manifest in Duitsland het gevoel weer op de voorgrond bracht.

We zijn een ‘eindweegs’ gegaan vertrekkende vanuit het begrip ‘Geest’, op een manier zoals kringen in het water naar de buitenkant uitdeinen zodat het begrip zowel de wetenschap als de filosofische interpretatie zou raken en eventueel samenbrengen.
Vreemd dat we onze kinderen aardrijkskunde leren waarin ze de fysische onderdelen van de planeet verkennen zonder dat we ze in dezelfde mate een atlas van onze hersenen ter beschikking stellen.
Het verkennen van het eigen brein en zijn mogelijkheden en moeilijkheden kan heilzame combinaties tussen rede en gevoel teweeg brengen.
Wellicht gebeurt dat al en ben ik intussen die Welt abhande gekommen en verblijf ik te veel in de ideeënwereld in die heilzame ‘passiviteit’ waarin het beschouwen mogelijk wordt en het gedruis naar de achergrond is verbannen.

 

william_blake_europe_a_prophecy_copy_d_object_1_bentley_1_erdman_i_keynes_i_british_museum_0.jpg

 

BRIEVEN AAN CECILIA (8)

graham nixon 2.jpeg


Met het uitzicht op de maanden met een r in hun naam en de gebakken mensheid die zich weer in de plooi van school en werk legt, lees ik in een brief van Keats over de verbeelding:

‘Ik ben nergens zeker van, behoudens van de heiligheid der hartroerselen en van de waarheid der verbeelding – alles wat de verbeelding als schoonheid ervaart, moet de waarheid zijn – ongeacht de vraag of ze reeds eerder bestond of niet.’

Ik denk dat je net zoals ik dat deed hebt geglimlacht bij ‘de heiligheid der hartroerselen’. Er roert zo vlug en veel in onze harten dat enige afstand op zijn plaats zou zijn en heiligheid best wat uitgesteld.
Laten we even verder lezen in een geschrift waar hij het over ‘negative capability’ heeft, de toestand ‘waarin een mens in staat is om in onzekerheid, mysterie en twijfel te verkeren, zonder op ergerlijke wijze naar feiten en rede te reiken.’
In haar goed gedocumenteerde boek ‘Een geschiedenis van God’ dat ik al eerder citeerde schrijft Karen Armstrong:
‘Net als de mysticus moest de dichter de rede overstijgen en een houding van stille afwachting aannemen.’ (p.385)
Sluiten we toch maar aan bij Ibn Arabi die het zelfs had gehad over de verbeelding die in de diepten van het eigen ik haar persoonlijke beleving van Gods ongeschapen werkelijkheid schiep. 
Hij benaderde daarmee de woorden van Wordsworth (zelf een mysticus, dixit Armstrong) voor wie de beleving van de natuur gelijkstond aan de beleving van God. In zijn ‘Lines composed a few miles above Tintern Abbey’ beschreef hij de receptieve geestestoestand die tot een extatisch visioen van de werkelijkheid leidde:
 

‘(…)dat licht gevoel
waarin de last van het geheimenis,
waarin het zware, drukkende gewicht
van deze onbegrijpelijke wereld
verhelderd wordt: -dat rein en schoon gevoel,
waarin genegenheid ons zachtjes leidt,-
totdat, -de adem van dit aards gestel,
het stromen van dit menselijk bloed,
welhaast gestild, -ons lichaam wordt gelegd
in zoete slaap, dan leven we in de ziel,
en zien wij, met een oog dat door de macht
der harmonie verhelderd is, en diep verheugd,
in ’t hart des leven zelf.’

graham nixon.jpeg


Geen geleerde boeken of theorieën dus, maar wel de wijze ‘passiviteit’ en een hart dat aanschouwt en ontvangt.
Toch maar even naar die geleerde boeken:
In het moderne hersenonderzoek wordt ‘het gevoel’ (niet de emotie, die is eerder beperkt tot de gewone reacties op de werkelijkheid, op het verstoren ervan dus.) gewaardeerd als een reeks beelden (kaarten) die vertellen over de toestand van ons lichaam dat op haar beurt via allerlei neurologische wegen ons een bepaalde denkwijze en gedachten met bepaalde thema’ s doet waarnemen. (Antonio Damasio, Het gelijk van Spinoza, vreugde, verdriet en het voelende brein, wereldbibliotheek, A’dam 2014)

Vergelijk je dit proces met het visuele waarnemen dan is er naast de gelijkenis dat we bij het begin van het proces over een fysiek object beschikken en de fysieke kenmerken van dat object een keten van signalen oproepen op die kaarten van het object als ze de hersenen passeren. En net als bij de visuele waarneming is een deel van het verschijnsel toe te schrijven aan het object en een ander deel aan de interne constructie ervan door de hersenen. Maar er is een verschil en zegt Damasio dat is niet van triviale aard:  bij gevoelens bevinden de oorspronkelijke objecten en gebeurtenissen zich in het lichaam en niet erbuiten. Gevoelens kunnen even mentaal zijn als welke waarneming dan ook, maar de objecten die in kaart worden gebracht zijn delen en toestanden van het levende organisme waarin de gevoelens ontstaan.

guernica_painting_by_pablo_picasso_3200x1200.jpg


Bekijk je bijvoorbeeld de Guernica van Picasso zo intens en zo lang als je wilt, met het schilderij zal zelf niets gebeuren als je tengels thuishoudt. Maar bij het voelen kan het object zelf radicaal worden veranderd. 

‘In sommige gevallen kunnen de veranderingen veel weg hebben van een penseel en nieuwe verf pakken om het schilderij te veranderen.
Met andere woorden, gevoelens zijn geen passieve waarnemingen of flitsen in de tijd, vooral niet als het gaat om gevoelens van vreugde en verdriet.  Want een tijdje -seconden of minuten- nadat dergelijke gevoelens een aanvang hebben genomen, volgt er een dynamische inzet van het lichaam, vrijwel zeker herhaaldelijk, en nadien een dynamische variatie van de waarneming.  We nemen een reeks overgangen waar.  We bespeuren een interactie, een geven en nemen.’ (ibidem 86-87)

Nu keren we terug naar Woodsworth die ‘een geest’ ontwaarde die op hetzelfde ogenblik in de natuurverschijnselen immanent was en er tegelijkertijd los van stond: 

‘(…)een aanwezigheid
heb ik gevoeld, die mij verwart van vreugde,
hoge gedachten, een verheven zin
van diepe, donkere verbondenheid,
die woont in ’t licht van ondergaande zonnen,
de ronde oceaan, de lucht die leeft,
het hemelsblauw, en in des mensen hart;
een geest, een aandrift die bewegen doet
alles wat leeft en denkt, wat wordt gedacht,
die gaat door alles heen.

robert-longo-solid-vision.jpg


Ik denk niet dat de dichter hier zijn woorden als deel van zijn eigen levend organisme heeft ervaren, maar dat hij deze ideeën als mentale processen beschouwde blijkt alvast omdat hij weigerde ‘de Geest’ een naam te geven omdat deze in geen enkele categorie die hij kende kon worden ondergebracht.
(hij sprak over ‘iets’, een uitdrukking die de vorige aartsbisschop Danneels in de spreekwoordelijke bomen joeg terwijl het ‘iets’ tenslotte net zo goed een mystieke ervaring en de onmacht ze te benoemen kan aanduiden, maar vermits de mystiek hem afschrok bleef er alleen het pragmatische over en dan wordt ‘iets’ een mager begrip.)

Dat het mystieke ervaren wel duidelijk heel lichamelijk kan zijn, een geven en nemen, een interactie is, net zoals de dichterlijke of in het algemeen de creatieve geest gevoelde ervaringen kan krijgen en weergeven is hiermee aangeduid.
Ze afdoen als ‘projecties’ is een gemakkelijke oplossing. Als we het later over empathie zullen hebben en daarbij over feitelijke en gesimuleerde lichaamstoestanden spreken, blijkt de chemie van gevoelens een groep ‘neenzeggers’ op te leveren.  Een boeiende gedachte.
Want waarom gevoelens voelen zoals ze doen is niet met een snel statement te beantwoorden. Spinoza zei dat lichaam en geest parallelle atributen zijn van dezelfde substantie. Ze onder de microscoop scheiden wil nog niet zeggen dat je hun eenheid ontkent.  Damasio voegt ze weer samen als aandoeningen.

En de duiven hebben hun naam als duif intussen alle (on)eer aangedaan.  Na enkele dagen hebben ze het nest verlaten waarschijnlijk omdat het gemakkelijke voedsel dat mijn geliefde maatje hen verschafte op was.  Ik haast me dus na deze beschouwingen naar de winkel om het gevogelte van lekkere zaadjes te voorzien.

337-0128_Peretti_Sibylle.jpg

 

BRIEVEN AAN CECILIA (7)

art-crea-dieu-croix-rousse-lyon-6-720x540.jpg
De ene en waarachtige genoemd,
vertaald in duizenden namen,
met tempels overkoepeld,
gevangen en gevierd in rituelen,
in boeken tot letters geslagen,
tot vader vermaald, tot moeder verheven:
bebaard of beborst,
sprekend in donderslagen of
tot bloedens toe vermalen,
doordesemd met het dove woord liefde.
Wij stoten u aan
alsof de aarde uw geliefd buitenverblijf is.
Blind, op zoek naar onze dode voorouders,
met onze goed gecamoufleerde stervensschrik behangen,
projecteren wij uw duizendvoudig beeld
in het dode heelal van onze bekrompen verlangens.
En terwijl ik de woorden loslaat,
springt de poes op tafel en spint
en bedelt om gestreeld te worden.
De eerste kromming van uw eindeloze naam
is dan ook poes of kat.
Wie echter dit puntje op de eerste i van ontelbare iota’s
voor de hele naam neemt, aanbidt de kat
terwijl deze achtjarige siamees
zo onschuldig waardig is
dat wij haar gewoon als kat moeten beschouwen,
een kromming
van de onnoembare naam
die het handschrift verraadt
zonder nog maar de eerste letter te ontcijferen.
Zo is deze kat waarlijk heilig
zoals ook
de grasspriet op het onvruchtbare keiendak
(of de geur van je oksel, als ik je zachtjes kus.)
O, onnoembare,
 zet ons een bril op vrij van waas
houd ons een spiegel voor
zonder spiegelbeeld maar met
een vermoeden van de diepte.
Ontstop onze oren,
laat de miauw van de siamees
en het krachtig stromen van de rivier
er hoorbaar worden
zoals de zachte hopeloze woorden
die wij voor elkaar uitduwen.
Leg ons in elkaar te slapen
als we in staat zijn sprakeloos te spreken,
de geboorteschreeuw waarin onze namen
in de eindeloosheid van de uwe vervloeien,
zodat gij ons zoals de siamees kunt noemen
met een naam waarin wij eeuwig spinnen.
1988-2015
guia_racas_gatos-siames4.jpg

Omdat ik tussen de boeken geklemd zit kan ik je alleen nog maar deze tekst sturen. Weet ik sinds enkele dagen waar het gevoel zich in onze hersenen zou localiseren, en dat zijn verschillende plaatsen, toch wil ik eerst nog op bezoek gaan bij Spinoza en Descartes.

De aanzet voor deze tekst schreef ik al in maart 1988, 27 jaar geleden dus toen onze Siamees nog onder ons was waar nu een zwart-wit rasloze opvolger de dienst uitmaakt. Ouderlingen moet je niet vertellen dat eeuwigheid lang duurt want elke dag heeft, denk ik, zijn eigen eeuwigheid zodat de Siamees nog altijd heel aanwezig is net zoals de mensen die ons zijn voorgegaan.

Nog een van de voordelen van wat ouderdom heet bestaat uit pogingen om op te rommelen. Zo kom je mappen en kaften tegen die niet dadelijk te gebruiken maar soms wel te verwerken zijn want aansluitingen met het verleden liggen overal voor de hand net zoals onze verwachtingen voor morgen en ietsje verder ook in ieder nu sluimeren.

Het onnoembare heeft in deze tekst niet de betekenis van het goddelijke tenzij dat het goddelijke van de oude Grieken zou zijn, een naam die met ‘inspiratie’ te maken heeft, en met inspirare, inblazen, zijn we weer terug bij de geest, al staat hij ook voor wat wij voor ‘god’ houden en aldus benoemen.

We zouden in onze opvoeding oog moeten hebben voor het onlogische, het associatieve denken en niet alles moeten concentreren op de fel geroemde logica al mag hij best mijn broertje wezen.

Het grote kleinkind is intussen ingeschreven in AO (artistieke opleiding) in een bekend huis in Brussel en kreeg haar eerste heuse gitaar, een dag dus die wij dan mijlpaal(tje) noemen en misschien nauwelijks zal herinnerd worden eens wij bij de Siamezen van weleer verblijven.

Op een veiling kocht ik een mooi doek van een Pools-Tjechische schilder Victor Rolin. Geboren in Warchau, zijn leven lang (nou ja…) gewerkt in Praag en in 1942 vermoord in Mauthausen. Hij schilderde vaak luchten voor het onweer.  Zo ook het doek dat ik kon kopen.  Donkere luchten boven een weids landschap, maar met de beweging van de wind die onweer aankondigt.  Als je die luchten samenbrengt met zijn biografie blijven ze ook nu nog voor onweer zorgen.

ROLIN STORM.jpeg

BRIEVEN AAN CECILIA (6)

Inas+Al-soqi,+Miss+Havisham's+VDay+Parade,+hand+cut+collage,+8.5x10.5+in+s.jpg

 

‘Nu het donker de stad binnensloop, besloot ze af te wachten. Genadevolle ogenblikken zag ze met het klimmende duister haar winkelhart binnendruppelen: de geur van linnen en katoen en het geklik van metaal op metaal terwijl zij de kleren vluchtig bekeek en wegschoof. Tot de onbestaande jurk bijna al bij de weggeduwden met een zwierige ruk van het metalen rek werd getild en ze wist dat ze -terwijl ze hem met gestrekte rechterarm van zich verwijderde- hij de macht over het gebeuren had overgenomen en de tijd openbrak, het moment van de ontdeking als een lichtende krans om haar bestaan had getrokken en de wereld samenviel met haar vage maar niet minder hevige verlangens waarin het zoeken zonder waarschuwing was weggesmolten en zij niet goed wist wat ze met al dat vindersgeluk moest beginnen.

Terwijl ze op haar koffie wachtte hield ze de de tas op haar schoot, voelde ze met haar rechterhand de kraag nog sierlijker dan de kraag in haar geheugen en keerde ze voorzichtig langs dezelfde weg terug om dan de stof tussen duim en wijsvinger te wrijven en met gesloten ogen het beeld van de ontdekking weer op te roepen waarbij ze door -een koffie voor mevrouw- werd opgeschrikt en de gebrande geur uit het kopje voor een extra bedwelming zorgde die ze bij vroegere consumaties nooit had opgemerkt.

tara deporte photo(5).jpg


Was eerder de muziek te luid nu veegde een zacht cello-geluid die wrevel weg terwijl het kussend paartje aan het tafeltje bij het raam met het hoogtepunt van de muzikale zin elkaars lippen raakte, de ogen gesloten, op een onnavolgbare wijze enkele seconden in samenklank met de de golvende klanken waarbij de koffie langs haar gehemelte weggleed en het trage proeven samenviel met de versmelting van de twee onbekende geliefden.

Buiten liep een jongetje aan de hand van zijn vader terwijl hij nu en dan glimlachend naar hem opkeek, ogenblikken die hij zich later als man zou herinneren als zijn kind in zijn hand zou knijpen, dat niet afgesproken teken van innige verbondenheid.
De metro was stipt op tijd, een vrouw hielp een oude man opstappen waarbij iedereen geduldig wachtte en een jongeman zonder aarzeling zijn plaats afstond terwijl ver weg straatmuzikanten een hongaarse rapsodie begonnen.’

Inas+Al-soqi,+Gondola,+hand+cut+collage,+11+x+8.2+in+s.jpg


Toch wel enkele uren gewerkt aan dit ontwerp waarin de stellingen uit de vorige bijdrage op een begrijpelijke wijze onderuit worden gehaald.
Vreemd genoeg is dat neurologisch bevindingen op zichzelf best waar kunnen zijn terwijl hun beleving allerlei andere kanten opkan.
William James, jaja de broer van auteur Henri James, die door Antonio Damasio (auteur van “Het zelf wordt zich bewust) en door mij erg bewonderd wordt schrijft al in 1884:

‘Onze gebruikelijke denkwijze over deze emoties houdt in dat de mentale perceptie van een feit de mentale affectie wekt die we emotie noemen, en dat deze geestestoestand de lichamelijke expressie doet ontstaan.  Daarentegen is mijn stelling dat de lichamelijke veranderingen rechtstreeks volgen uit de PERCEPTIE van het opwindende feit en dat ons gevoel van dezelfde veranderingen, terwijl ze zich voordoen, de emotie is.’
(William James, ‘What is an emotion.’ Mind 9 (1884) 188-205)
Nootje:  ook de hoofdletters zijn van James.

Je moet zijn woorden natuurlijk niet letterlijk opvatten zoals sommige hedendaagse critici deden, het gaat immers niet over een mechanisme.
En Hume riep voortdurend uit:  niks bewustzijn, allemaal perceptie, perceptie, perceptie! Maar mijn geleerde vrienden die ik beetje bij beetje leer begrijpen, met traagheid eigen aan een niet zo geleerd en ouder iemand, zijn op de eerste plaats wetenschappers.
En of mijn personage het moet hebben van een ‘emotiecompetente stimulus’ en zij een fase van ‘inschatting’ moet doorlopen (of althans haar hersenen) laat ik liever onbeantwoord bij gebrek aan kunnen en kennen.
Auteurs zijn er dan weer om zich vanuit de ervaringen die James zo lief waren iets van hun belevenissen door te schuiven naar een iets ruimer publiek al is een oefening zoals ik hier heb gemaakt ten zeerste leerrijk.

e0271e6a1fa9fb07bef4fc09a76fdc95.jpeg

 

BRIEVEN AAN CECILIA (5)

amyhilliphone.jpg

‘Als het over ‘de wereld’ ging was haar wereld daar ver van verwijderd. Vele jassen aan kapstokken in een modezaak die je virtueel kon bezoeken zonder de geur van linnen en katoen te ruiken, zonder het geklik van metaal op metaal waar vrouwen de kleren vluchtig bekeken en wegschoven. Krantenverhalen over vluchtelingen, berichten gelezen door ernstig kijkende neutrale mevrouwen en nergens levende heren.

De wereld was alles wat zij niet was. Een soort afgesproken werkelijkheid die noch uitnodigend noch vervreemdend werkte.  Ze gebeurde. Zonder haar.

Kwam uit een opengaande deur koffiegeur of een golf luide muziek, zag ze innig kussende paartjes op het perron, vulden kleuren en letters reclameborden, ze bewoog zich door die werelden alsof ze straks zou ontwaken en moeite moest doen om zich te herinneren wat ze had gedroomd. Achter deze wereld was er niets. Tussen deze wereld en zijzelf was er alleen haar lichaam.

Bij die wereld herkende ze een schimmige mengeling van het zelf dat zij was met de afgesloten werkelijkheid waarin ze zich bewoog zonder dat er van enige versmelting sprake kon zijn. Het was duidelijk haar lichaam, intiem met haar eigen ik maar zonder identiek met zichzelf te zijn. te zijn. Ze besefte heel vroeg dat zij het was die pijn voelde als ze in haar vinger had gesneden en niet de vinger, dat ze ongecontroleerde bewegingen niet had gepland bij een boomtak die in haar gezicht zwiepte, maar ook dat haar ik van een andere samenstelling was dan het lichaam van waaruit het blijkbaar was voortgekomen zonder te weten waar het in die nabije steeds veranderende lijfelijke wereld thuishoorde.

amyhillDeprivation.jpg


Net zo min zou ze haar wensen of waarnemingen kunnen lokaliseren als was er een vaag gevoel dat ze met haar hoofd hadden te doen waarbij ze zich afvroeg of ze zoiets kon geleerd hebben of werkelijk had ervaren.
Hoe intiem haar verhouding met het eigen lijf ook bleek, het was duidelijk van de wereld te onderscheiden. Ze wist nauwkeurig waar haar lichaam eindigde en de wereld begon. Wat ze met haar eigen wil lijfelijk kon bewegen, wat te controleren was, behoorde bij haar lichaam.  Al de rest was eigendom van de wereld. Ze vond het vanzelfsprekend dat haar armen en benen niet zonder haar wil in beweging kwamen en het feit dan mensen niet volgens haar gedachten en voorstellingen zouden bewegen was net zo voor de hand liggend.’

Inas+Al-soqi,+Regina,+hand+cut+collage,+11+x+8.5+in+s.jpg


Dit denkbeeldige begin van een mogelijke roman is niet meer dan het vertalen van een hoofdstuk uit Gerhard Roth’s boek: Aus Sicht des Gehirns, Suhrkamp 2015 (4de oplage)
In plaats van de theorie bewerkte ik de voornaamste stappen in het beeld van een verder onbekend en onbestaand personage.
Het is een andere benadering, een zoeken naar de mogelijkheden om via de nieuwe ontdekkingen van de wetenschap onze aanwezigheid, ons doen en laten te verklaren door beter te begrijpen hoe onze hersenen werken.

‘Die Feststellung dass die von mir erlebte Welt des Ich, meines Körpers und des raumes um mich herum ein Konstrukt des Gehirns ist, führt zu der vieldiskutierten Frage: Wie kommt die Welt wieder nach draussen? Die Antwort lautet: Sie kommt nicht nach draussen, sie verlässt das Gehirn gar nicht.  Die Arbeitzimmer in dem ich mich gerade befinde, der Schreibtisch und die Kaffeetasse vor mir werden ja nur als “draussen” in Bezug auf meinen Körper und mein Ich erlebt. Diese beiden sind aber ebenfalls Konstrukte,nur ist es so, dass mit der Konstruktion meines Körpers auch der zwingende Eindruck erzeugt wird, dieser Körper sei von der Welt umgeben und stehe in deren Mittelpunkt.  Und schliesslich wird -wie erwähnt- ein Ich erzugt, das das Gefühl hat, in diesem Körper zu stecken, und dadurch wird es erlebnismässig zum zentrum der Welt.
Die Feststellung muss also lauten:  Ich bin ein Konstrukt des Gehirns, dem ein konstruierter Körper und eine konstruierte Umwelt zugeordnet sind.’

06+power+run.jpg


Voor mensen die dit de eerste keer horen schijnt ‘der Boden unter den Füssen weggezogen’, en zegt de auteur: ‘Das ist richtig – wir leben in einer konstruierten Welt, aber es ist für uns die einzige erlebbare Welt.’

Lieve Cecilia, in deze regressieve tijden klinkt wetenschap voor sommigen als vloeken in de kerk. Mooi gevloek kan ook op genade van de hemel rekenen.
De duiven hebben het onweer overleefd, denken we. Er klinkt mooi gekoer uit de mengeling hedera-blauwe regen.
En natuurlijk is het feest van een vrouwelijke hemelvaart prachtig bezongen, het gepijnigde kind ter ere wiens moeder voor altijd in zijn schittering mag verblijven. Een oude droom van eenzame moederskinderen hun goddelijk moederbeeld ter ere , of overstijgt het verhaal onze bezitterige geconstrueerde aandriften en wordt het een hymne waarin aarde en hemel elkaar in onberekenbare tederheid raken? Een mengeling dus.

 

ahillwomanwearbuds.jpg

 

BRIEVEN AAN CECILIA (4)

Bartolomé_Esteban_Perez_Murillo_003.jpg

Bij de verhouding vader-zoon kon ik me wel wat voorstellen. Dat zijn hypostasen die ik vanuit ervaringen en lectuur kan vatten, maar wat met die ‘duif’?
Een duif als ‘geest’.  Duiven zijn in bepaalde milieu’s prijsbeesten maar door burger en burgervaders/moeders worden ze met een verzameling scheve ogen aangekeken. Houtduiven vooral, die hebben zich vanuit de veldranden tot in de woonomgevingen genesteld al schijnt dat laatste begrip ook al niet veel voor te stellen.  Enkele takjes en daarop de twee eieren.  Omdat de balkondeuren van mijn slaapkamer overdag openstaan vond ik na enkele dagen een ei onder mijn bed. Anderzijds zijn er houtduiven die in niets aan hun beschreven soortgenoten doen denken.

HoutduifMierlo1-6-2006.jpg

(foto Robert Kastelijn)


Boven de blauwe regen in de combinatie van hedera en het vermeld gewas nestelt sedert enkele dagen een koppeltje.  De voorbereidingen tot dat nestelen hebben vier, vijf dagen geduurd.  Onder ons verbazend oog vlogen ze op en af met takjes en takken, doken ze van op een schoorsteen met ware doodsverachting in het hangende gewas en bleven na de werkzaamheden gezellig koerend onzichtbaar aan het nageslacht werken. Hoed u dus voor wat mensen in wikipedia en andere leerzame geschriften zoals dit kwijt willen.

Minder edele gedachten over deze gevleugelden hoor ik wel eens bij stadsmensen: gevleugelde ratten, ongedierte, ziekteverspreiders, erfgoed-verwoesters, en u kunt zeker het lijstje aanvullen met niet zo vriendelijke epithata.
De harde boodschap: duiven voederen is strafbaar siert dan ook menige historische stad  die het in voorbije tijden ook niet zo nauw na met de conservatie van wat de voorvaderen aan bouwsels achterlieten.

supera.png


We kennen de sierduifjes die bij huwelijken het prille geluk van de geliefden voorstellen bij het kiezen van de open luchten terwijl de met rijst en confetti bestrooiden hen naogen net voor ze zich aan drank en spijs gaan begeven en in de kunst zijn er genoegzaam duiven-ikonen bekend tot de luchtige lijn van Picasso en de monumentale schildering op de gevel van een (leegstaand) huis van straat-artiest Super A (Stefan Thelen) in Goes, Nederland of de felgekleurde duiven vorig jaar in Watou.

Bij de boodschap aan Maria waarin haar vriendelijk maar dwingend verzocht wordt de dienstmaagd des Heren te zijn wordt in de iconografie ook een duif gebruikt die voor de ‘onbevlekte’ ontvangenis staat, een twijfelachtig symbool waarin elke vorm van seksualiteit buiten spel zou worden gezet, ware het niet dat de duif nu eenmaal geen geheelonthouder is op dit gebied, integendeel. Ja, de onschuld, maar dat is de buitenkant nietwaar, ontdaan van het ware duivenwezen, de projectie waarin we ook de vredesduif kwijtkunnen.

(in dat verband is het net vandaag, 12 augustus,  45 jaar geleden dat tussen het Duitsland van Willy Brandt en de Sovjetunie het ‘deutsch-sovjetischen Vertrag’ werd afgesloten, op zijn beurt 31 jaar en 50 miljoen wereldoorlogsdoden na het Hitler-Stalin verdrag. Tussen 1970 en 1989 zou er nog 19 jaar nodig zijn om de muur open te breken.)

Annunciation II.jpg


In de eerste versie van mijn verhaal had ik nog deze toevoeging:
‘Was het ook niet nuttig dat de Columbidae in tegenstelling tot andere vogels water met de snavel konden opzuigen, symbool voor de ‘fons vivus’, ‘de bron waaruit het leven springt’ zoals dat in de Veni Creator Spiritus-hymne zo treffend werd bezongen?’

Ook symbolen kunnen aan metaalmoeheid lijden, ze zijn immers pogingen tot benadering van de ‘ousia’ die erg tijds- en plaatsgebonden zijn.
Toch ben ik het wezenlijke van de geest vergeten:  de lucht, de adem.
Is er een mooier geluid dan het opstijgen of neerkomen van een duif waarbij de vleugels trillingen verwekken die mij even lief zijn als de trillingen die muziek veroorzaken?
Het is geen klepperen, eerder suizen. In ‘Onze Taaltuin’ jaargang 3  (Rotterdam 1934-1935) heeft de auteur het over dierengeluiden in de Nederlandse (lees Noord-NL) taal over een fluittoon die vrij zuiver het geluid van zwiepende duivenvleugels nabootst en in het Drentse gebied zou gebruikt worden.
In het Christelijk maandschrift voor den beschaafden stand (!), Volume 12 (1833) is er sprake van zilveren duiven-vleugelen geteekend met een wederschijn van goud naar analogie met vers 14 in psalm 29:

Als duiven-vleugels laten,
Die glinsteren als silver fijn,
En geven eenen wederschijn
Van gout, schoon boven maten.

Dat ‘schoon boven maten’ brengt een auditieve en visuele waarneming samen die ‘boven maten’ van onze gewone concepties uitstijgt. Zouden geluiden ons verder brengen dan hetgene wij met ogen waarnemen?

Een gedicht van ene J.J. de Stoppelaar uit ‘De Beweging’, jaargang 15 (1919)

De duiven (fragment)

Een snelle wind, zo is de vlucht van duiven:
Zij scheert het akkermaals en dan de bomen.
De takken gonzen en de lovers wuiven,
Totdat de schoonste allerhoogste is genomen.

Hier strijkt de vlucht nu neer, maar lang nog wuiven
De twijgen na, om niet tot rust te komen,
Want met een wervlend uit elkander stuiven
Vervliegt de vlaag en zwenkt naar lager zomen.

h2_17.190.344.jpg

BRIEVEN AAN CECILIA (3)

_meditation_of_autumn__by_janek_sedlar-d5ggia7.jpg


De scheiding tussen wijsbegeerte en de mythologie wordt heel mooi weergegeven door Aristoteles die opmerkte dat mensen de mysteriegodsdiensten niet bijwoonden om er iets van te leren (mathein) maar om er iets te ondergaaan (pathein). Het onderscheid tussen ‘dogma’ en ‘kerygma’.  Kerygma als openbare prediking van de Kerk, gebaseerd op de Schrift terwijl dogma stond voor de diepere betekenis van de bijbelse waarheid die alleen via religieuze ervaring kon worden begrepen en in allegorische vormen kon worden uitgedrukt. Een heel andere inhoud van het begrip ‘dogma’ dan wat er in de 19de eeuw van gemaakt zou worden.

‘Achter de liturgische symboliek en het lucide onderricht van Jezus ging een geheim dogma schuil dat een hoger geloofsinzicht representeerde.’
(Ook joden en moslims zouden een esoterscihe traditie ontwikkelen) (p 136, Karen Armstrong, de geschiedenis van God)

Sommige religieuze inzichten hadden een innerlijke resonantie die slechts door elk individu kon worden begrepen nodig, eigen aan de tijd en in de geestestoestand die Plato ‘theoria’ had genoemd, schouwing.
Taal was voor een onzegbare werkelijkheid die normale concepten en categorieën te boven ging een verwarrend en beperkend instrument.
Ik denk hier aan de Boedha die opmerkte dat bepaalde vragen ‘ongepast’ zijn of ontoepasselijk omdat ze betrekking hebben op werkelijkheden die niet door woorden werden bestreken. (p 137 ibidem)
Ik zou een beschrijving van Beethovens late kwartetten kunnen geven maar de woorden zouden een grotesk resultaat opleveren, schrijft Karen Armstrong.
Deze werkelijkheden (elusieve werkelijkheden zegt Basilius) kun je slechts in symbolische handelingen van de liturgie duiden, of beter nog door erover te zwijgen.

Dollarphotoclub_70852680-dreams.jpg
Hier wordt de tegenstelling duidelijk tussen het westerse christendom en de Grieks-orthodoxe kerk. Was in het westen een spraakzamere godsdienst, geconcentreerd op het kerygma, aanwezig,  bij de Grieks orthodoxen was elke goede theologie zwijgend of apofatisch. (God kun je niet zien maar zijn aanwezigheid kun je voelen)
In het westen wisten ze niet goed wat ze bijvoorbeeld van de ‘Heilige Geest’ moesten denken.  Was het een synoniem voor God of was het ietsje meer?
Paulus had de Heilige Geest vernieuwend ‘scheppend’ en ‘heiligend’ genoemd, maar gezien dat dit werkingen waren die alleen God toekwamen, volgde hieruit dat de Heilige Geest goddelijk moest zijn en niet gewoon een schepsel.
Drie bischoppen (twee broers en een vriend van beiden, allen uit Capadocië) gebruikten een formule eerder door Anasthasius gebruikt in een dispuut met Arius: God had één wezenheid (ousia) die we nooit konden begrijpen, maar drie personen (hypostaseis) waarmee hij zich aan ons kenbaar maakte. (p 138 ibidem)

De Capadociërs begonnen dus niet bij zijn onkenbare ousia maar bij de menselijke ervaring van zijn hypostaseis. Ze geloofden dus niet in drie goddelijke opperwezens zoals sommige westerse theologen beweerden.  Het woord hypostasis wekte bij mensen die niet in het Grieks thuis waren verwarring, want het heeft een scala aan betekenissen.
De ousia van een voorwerp was datgene wat maakte dat het was wat het was; het sloeg gewoonlijk op het voorwerp zoals het ‘bij’ zichzelf was.  Hypostase daarentegen had betrekking op het voorwerp zoals het van ‘buitenaf’ werd waargenomen.
De hypostasen Vader, Zoon en heilige Geest mochten dus niet worden gelijkgesteld met God zelf omdat, zo legde Gregorius van Nyssa uit, ‘de goddelijke natuur (ousia) onbenoembaar en onbespreekbaar is’.  ‘Vader’, ‘Zoon’ en ‘Heilige Geest’ zijn slechts ‘termen waar we ons van bedienen’ om over de ‘energeiai’ te spreken waarmee Hij zich kenbaar heeft gemaakt.
De termen hebben natuurlijk wel symbolische waarde, aangezien ze de onzegbare werkelijkheid vertalen in beelden die we kunnen begrijpen.

Etrange-trinité-3.jpg


Uiteindelijk moest de Drieëenheid toch worden opgevat als een mystieke of een spirituele ervaring:  ze moesten worden gevoeld, niet worden overdacht, want God rees boven de menselijke concepten uit.

‘De drieëenheid moest dus niet letterlijk worden opgevat; ze was geen cryptische ‘theorie’ maar het resultaat van ‘theoria’, schouwing.  De westerse christenen die in de achttiende eeuw met dit dogma in de maag zaten en het overboord wilden zetten, probeerden op die manier God voor de rationalistisch ingestelde Verlichting rationeel en begrijpelijk te maken.  (het was een van de theoriën die later in de 19de en 20ste eeuw tot de God is dood-theologie zouden leiden.)

Het verschil tussen rationalistisch en schouwend denken maakt ook nu begripsbepalingen in de economie bijvoorbeeld moeilijk tussen het Europese westen en de Griekse onderhandelaars die meer een Bijzantijnse dan een oud-Griekse achtergrond als traditie hebben.
Maar de Geest waait waar hij wil en dat is een troostende gedachte

 

 

Holy-Trinity-Hungarian.jpg

 

BRIEVEN AAN CECILIA (2)

Plotinos.jpg


Vandaag wil ik je in contact brengen met Plotinus omdat zijn ideeënwereld onmiskenbaar in mijn geschriften met de naam ‘Spiritus’ aanwezig is en zelfs aanwezig blijkt in het boek van Roth Gerhard ‘Wie das Gehirn die Seele macht’ (2014) maar dat is dan weer enkele stappen verder.

Op zoek naar ‘de geest’ al dan niet ‘sanctus’ kwam ik terecht bij de wijsgeer Plotinus (205-270) die in Alexandrië had gestudeerd en zich later aansloot bij een expeditie van het Romeinse leger om op die manier India te bereiken om daar verder te studeren.  De expeditie leed helaas schipbreuk en zo kwam hij in Antiochië terecht. Later stichtte hij in Rome een prestigieuze filosofenschool maar veel over zijn persoon kom je niet te weten want hij was een erg terughoudend man die nooit over zichzelf sprak en zelfs nooit zijn verjaardag vierde.
Plotinus vond het Christendom maar niks, een zeer afkeuringswaardig geloof schrijft Karen Armstrong uit wiens boek ‘Een geschiedenis van God’ ik deze bio put.
Toch blijkt zijn invloed op de drie monotheïstische godsdiensten erg groot te zijn.
Men heeft Plotinus wel eens gekenschetst als een waterscheiding:  hij had de hoofdstromen van zo’n achthonderd jaar Griekse speculatie in zich opgenomen en ze vervolgens in een vorm gegoten die zelfs sleutelfiguren van onze eeuw, zoals T.S. Eliot en Henri Bergson heeft beïnvloed.’ (ibidem p 122-123)

Giorgione - Three Ages of Man.jpg


Natuurlijk was Plato de bron en een beter inzicht in je eigen persoon een einddoel. Hij had geen wetenschappelijke bedoelingen om bv. het universum te verklaren, integendeel hij spoorde zijn volgelingen aan om niet in de buitenwereldse werkelijkheid een verklaring te zoeken, maar juist om de blik naar binnen te richten en hun onderzoek te beginnen in de diepte van hun eigen psyche.

‘De mens is zich ervan bewust dat er iets mis is met zijn bestaan; hij leeft in onmin met zichzelf en de anderen, heeft het contact met zijn innerlijk verloren en is gedesoriënteerd.’
Conflicten genoeg in ons leven.  De enkelvoudigheid ontbreekt. Toch proberen we voortdurend de veelheid van verschijningsvormen met elkaar te verbinden en er een geordend samenhangend geheel van te maken. Dat streven naar eenwording is fundamenteel voor de manier waarop onze geest werkt en het kan niet anders zei Plotinus, of eenwording moest de afspiegeling zijn van de wezenheid van de dingen in het algemeen. Wil de ziel de onderliggende waarheid van de werkelijkheid vinden dan moet ze, zoals Plato had geadviseerd, zichzelf opnieuw vormen, een periode van zuivering (katharsis) doormaken en zich aan schouwing(theoria) overgeven.

800px-Toft-spirit-of-contemplation-statue-vbig.jpg


‘Om in het hart van de werkelijkheid te kunnen schouwen moet ze verder kijken dan de kosmos, verder dan de zintuigelijke wereld en zelfs verder dan de beperkingen van het verstand. Dat zal echter geen opgang naar een werkelijkheid buiten onszelf worden, maar een afdaling naar de diepten van de geest.  Het is bij wijze van spreken een klim naar binnen.’ (ibidem 123)
Plotinus noemt de oer-eenheid ‘het Ene’ waaruit alle dingen als uit een krachtbron voortkomen. Maar ‘het Ene’ is de enkelvoudigheid zelf dus kun je er niets over zeggen, we zijn niet in staat om het met mensenwoorden te beschrijven. Het dichtst bij de waarheid zou je volgens Plotinus komen met de term ‘Stilzwijgen’.
Maar hiermee kun de hele waarheid van het Ene niet bedekken, schreef hij. ‘Aangezien we immers in staat zijn, ‘iets’ van het goddelijke te weten. Dat Ene moet dus uit zijn ekelvoudigheid zijn getreden, heeft zich begrijpelijk gemaakt voor onvolmaakte wezens zoals wij.
Deze goddelijke transcendentie kan een ‘extase’ in de ware zin van het woord worden genoemd want ze is een ‘uittreding buiten zichzelf’, een vorm van pure edelmoedigheid.

Dat idee grijpt terug op de oude mythe van de emanatie, namelijk dat al het zijnde een uitstraling van die zuivere enkelvoudige Oorsprong was.
Een van Plotinus’ favoriete paralellen was de vergelijking van het Ene met het middelpunt van een cirkel, dat de mogelijkheid draagt  er alle toekomstige cirkels van af te leiden.  Denk aan het rimpeleffect wanneer je een steen in het water gooit.
Net als in de gnostische mythen werd een zijnde zwakker naarmate het verder van zijn bron in het Ene was verwijderd.
Plotinus beschouwde de eerste twee emanaties die van het Ene uitstraalde als goddelijk, aangezien die ons in staat stelden het leven van God te kennen en eraan deel te hebben.  ‘Samen met het Ene vormden ze een goddelijke triade die in sommige opzichten dicht bij de definitieve christelijke oplossing van de Drieëenheid kwam.’
Dat ‘kennen’ was intuïtief en direct, geen moeizaam onderzoek via logische denkprocessen verkregen, op vrijwel dezelfde manier waarop onze zintuigen de voorwerpen die ze waarnemen indrinken.

Cardigan Kate - flickr.jpg


De Ziel (psuchè) die op dezelfde manier uit de Geest emaneert als de Geest uit het Ene, staat een stukje verder van de volmaaktheid af, en op dat vlak kan kennis alleen maar discursief worden verkregen en ontbreekt er absolute enklvoudigheid en samenhang aan.  De Ziel correspondeert met de werkelijkheid die we kennen; alles wat er verder nog aan fysieke en geestelijke existentie rest, zijn emanaties van de Ziel; zij geeft onze wereld enkelvoudigheid en coherentie.
Op te merken is dat Plotinus zich de drieëenheid, bestaande uit het Ene, de Geest en de Ziel, niet voorstelde als een god ‘ergens daarginds’. Het goddelijke omvatte het hele bestaan.  God was alles in alles en de lage zijnden bestonden slechts voor zover ze deel hadden aan het absolute zijn van het Ene.

De uitvloeing van emanaties werd een halt toegeroepen door een corresponderende tegenbeweging terug naar het Ene. Dat is een verlangen dat diep in ons leeft: onze afkeer van conflicten en veelvormigheid drijft ons naar eenwording met het Ene.
Ook hier is geen sprake van een opgang naar een externe werkelijkheid, maar een innerlijke afdaling naar de diepten van de geest.

Dat Ene is absoluut onpersoonlijk.  Het heeft geen geslacht en is zich totaal niet van ons bewust. Maar tegelijkertijd is ‘Geest’ (nous) grammaticaal mannelijk en ‘Ziel’ (psuchè) vrouwelijk, wat zou kunnen wijzen op een verlangen van Plotinus om de oude heidense opvatting van seksueel evenwicht en harmonie intact te houden.
In tegenstelling tot de Bijbelse God komt het Ene niet naar ons toe om ons te ontmoeten en naar huis te leiden.  Het verlangt niet naar ons, houdt niet van ons, openbaart zich niet aan ons.  Het heeft geen weet van wat buiten zichzelf is.  Toch werd de menselijke ziel nu en dan overweldigd door een extatisch begrijpen van het Ene. 

In deze wereld begon het Christendom een plaats te zoeken.

Intussentijd hoop ik dat jij ook weer je plaats in Berlijn hebt gevonden. 

 

Bella von Einsiedel - flickr.jpg

 

BRIEVEN AAN CECILIA (1)

 

IMG_7130.jpg

 

Lieve Cecilia,

Een jaar lang staan ze aan de deur.  De personages. In de eerste ontwerpen van ‘Spiritus’ bewogen ze zich nog ongemakkelijk. Je hoort ze wel praten, maar kunnen ze ook kreunen, of een zin beginnen die blijft hangen in de onzekerheid van het moment?  
Hebben we nu duidelijk met soixante huitards te maken, in de negentiende eeuw waren het bijvoorbeeld de quarante huitards (1848) die (tevergeefs) aan de deuren rammelden.

Er is de ‘Geest’ (spiritus) die in de gedaante van een duif carièrre heeft gemaakt.  Hij (erg genoeg is hij mannelijk in het Nederlands) overspant het verhaal van de generaties. Tegelijkertijd het voorwerp van zweverige en kleverige ideologieën is hij de exponent van wat ons zou inspireren. De adem. Maar ook aanwezig in het woord ‘luchtig’, een idee dat ik in deze vroege zomermorgen wilde onderzoeken. Het ‘luchtige’. ‘A la légère’, niet frivool maar ‘le coeur léger’.
Het gaat dan om het niet compacte, er kan nog lucht in het gebak, een idee, kledij. De kunst van het luchtige hart is niet te vinden in een gebrek aan ernst maar aan extra plaats voor adem. (aeré)
Figuurlijk: traiter quelque chose par-dessus la jambe, survoler quelque chose.

Aero_Woods.jpg

Dat ‘er overheen vliegen’ beschouwen wij te vlug als het blind zijn voor de belangrijke elementen waar het door het ‘luchtige’ perspectief ook voor een dynamiek zorgt die net zoals de vlucht van een duif de essentie herleid tot het vinden van een weg naar huis zonder in de details van de onderliggende wereld te verdwalen. Een luchtigheid in de echte betekenis van het woord: gevuld met lucht. Dat is de adem, maar ook de afstand van het ‘opgeblazene’, of dat van (pseudo)-wetenschappelijke of van twieterige aard is laten we in het midden.

Mysteries hebben met diepte te doen: Alice valt door de diepte in Wonderland, (de hoogte is haar vertrekpunt, niet het doel), tenzij deze de weg, de route verduidelijkt of zoals mijn spreekwoordelijke grootmoeder zei: ge moet alles van op een zekere hoogte bekijken. De duik in de diepte om thuis te komen is er het eindpunt van. Wij proberen te veel ‘hoogte’ te bereiken als eindpunt, terwijl de essentie om diepte schreeuwt vanuit het wezen dat we (maar) zijn.

De Geest is dus ge-aard. Vanuit de geaardheid waait hij waar hij wil. Hij ontkent het ‘wezen’ niet dat de basis is voor het wezenlijke. Nu hebben wij een superman-beeld geprojecteerd, een moraliteit vanuit de hoogste regionen daar waar het wezen van ieder levende aanwezigheid vanuit de wortels groeit en uitwaaiert. Het wezen van het kapitalisme, maar ook van het communisme (ieder -isme dus) spiegelt zich alleen maar aan de wereld maar projecteert die spiegelingen als bereikbare werkelijkheden. De algemeenheid van elke boven-menselijke moraal of ideologie vergt offers waarin de menselijkheid net ten onder gaat.  De geschiedenis barst letterlijk van de bewijzen.

ME0000058648_3.JPG

De vurige tongen die mensen in alle talen laten spreken komen uit de spreker, niet van boven.  De mens vindt de moed om de gordijnen open te trekken, hij ervaart een evenwicht tussen de beperking en de mogelijke verdieping van zijn geaardheid in een verbinding of verbindingen met  andere ge-aarden. Dat daarbij de luchtigheid de voeten op de grond kan houden hoeft niet verder bewezen te worden.

Ik heb een gietijzeren duif in mijn collectie.  Geen groot kunstwerk maar aardig als behoeder van losliggend papier bij de kunstmatige wind van een ventilator. Ze steunt op haar staart. Lief hé. De gevleugelde geest die zou omvallen zonder staartveren. Toch hebben we samen kleine reizen gemaakt in de diepten van de verbeelding.
De spiritus met de zwaarte van metaal verbeeld wiekt vaak hoog boven dit huis.  Ik zit zelfs op zijn rug. Mijn creator spiritus. In enkele seconden zijn we in Berlijn.

 

PB200007.jpg

 

UITGELICHT (14) IF EQUAL AFFECTION CANNOT BE

imp-closing-image-auden-1917-question-mark-large.jpg
De kleine Auden (kleinste van de drie) op vakantie in Rhayader, Wales, tijdens de Grote Oorlog.

‘But whenever society breaks up into classes, sects, townspeople and peasants, rich and poor, literature suffers. There is writing for the gentle and writing for the simple, for the highbrown and the lowbrow; the latter gets cruder and coarser, the former more and more refined.  And so, today, writing gets shut up in a circle of clever people writing about themselves for themselves, or ekes out an underworld existence, cheap and nasty.  Talent does not die out, but it can’t make itself understood.  Since the underlying reason for writing is to bridge the gull between one person and another, as the sense of loneliness increases, more and more books are written  by more and more people, most of them with little or no talent.  Forests are cut down, rivers of ink absorbed, but the lust tot write is still unsatisfied.  What is going to happen?  If it were only a question of writing it wouldn’t matter; but it is an index of our health.  It’s not only books, but our lives, that are to pot.’

Wystan Hughes Auden, An Outline for Boys and Girls and their parents (ed. by Naomi Mitchison; London, 1932)

ErikaMannAndWHAuden.jpg

Met Erika Mann.  Hij huwde met haar om haar een Engels paspoort te bezorgen.

Quotation-W-H-Auden-love-affection-Meetville-Quotes-88207.jpg

UITGELICHT (13) LEON JAMIN: L’ ETE A BANNEUX

P6090011.jpg

Léon Jamin was het zesde kind van 14 broers. Hij was leerling van Evaristo Carpentier en Adrien de Witte aan de Luikse academie.
Verschillende tentoonstellingen tijdens de jaren 1920-1930 in Brussel en Luik.
Maakte studiereizen in Spanje en de Provence. Werk van hem bevindt zich in het ‘Musée de l’ Art Wallon’te Luik.

Als post-impressionist werkt hij zowel in de Kempische als in de Ardense landschappen waar hij met Carpentier rondtrekt.
We weten dat hij in en om het Limburgese Genk bij de derde golf schilders hoorde die zich daar soms voor enige tijd nestelden.
In zijn tekst ‘Genk door schilderingen. Landschapsschilders in de Limburgse Kempen (1840-1940) geeft Kristof Reulens een mooi samenvattend overzicht van hun artistieke en andere activiteiten. (pdf internet)
Hij was een regelmatige bezoeker van Hôtel de la Cloche.
In 1933 schilderde hij voor de toenmalige kapelaan Louis-Marin Jamin het drieluik van de verschijningskapel te Banneux.

Dit mooie werk, olie op houten plaat, is onderaan rechts getekend en achteraan gecontra-signeerd en gedateerd 1935 en betiteld door de schilder: L’ été à Banneux.
Hedendaags profielkader.

Ver weg van de drukte van het Maria-oord deze boerderij met grote boom waaronder de koeien schaduw zoeken.
Het is zomer. De luchten ijlblauw, het gras vergeelt, de bomen diepgroen bieden nog soelaas. Het zal middag zijn, korte, kleine schaduwen.
De schilder geeft door zijn standpunt een mooie diepte weer waarin de weide, het gebouw en de bomen tot aan de lucht lopen.
Stevige penseeltrekken voor de lommerrijke boom, zachte tonen voor de luchten en de weide. De figuratie lost op in het spel van licht en donker.
Het licht in verschillende zomerse tonaliteiten van ijl blauw tot donkergroen is de hoofdpersoon in dit werk.

werk: 33 x 45 cm, met kader: 48 x 60 cm
in perfekte staat

intussen verkocht
timelessartcollection.eu

P6090012.jpg

UITGELICHT (12) ZEGGEN WAAROP HET STAAT: THOMAS MANN

mann-thomas-reisekoffer.jpg

Het duurde een tijdje vooraleer Thomas Mann vanuit zijn Zwitsers ballingsoord duidelijk stelling neemt tegen de Nazi’s. Hij koesterde lang de illusie dat de autoriteiten zouden begrijpen dat hij het systeem niet rechtstreeks aanviel of wilde ondermijnen, maar dat hij als vrije burger – en dit zeker als een vrije schrijver- de plicht had zich ongestraft over de fundamenten ervan uit te spreken, omdat hij in een traditie stond.
Ik put hier uit Margreet den Buurman’s biografie ‘Thomas Mann, schrijverschap tegen de vergankelijkheid’, uitgeverij Aspekt Soesterberg, 2010.

‘Hij probeerde beurtelings de autoriteiten gerust te stellen door hen duidelijk te maken dat hij apolitiek was en zich slechts met cultuur bezighield.’

‘Natuurlijk richtte hij zich tot een gehoor dat al lang niet meer bestond:  een welwillend gehoor dat beschaving en redelijkheid hoog in het vaandel heeft en uitgaat van democratische principes.’ (als ze er al iets van zouden begrijpen overigens! nvdr)

We zijn dan in 1934.  Even lijkt het dat de nazi’s ingingen op zijn brief maar in september 1935 wordt hun villa opnieuw in beslag genomen en zou ze in 1937 door de vereniging Lebensborn voor het kweken van raszuivere Ariërs gebruikt worden. Zelfs Himmeler zou een tijdje in hun villa resideren om daarna in 1940 in verschillende huurwoningen te worden ingedeeld.

2-format43.JPG

‘Op 3 februari 1936, toen Thomas Mann zijn stem tegen het nazisme nog steeds niet publiekelijk had laten horen en zijn uitgever Bermann onder vuur lag omdat hij in Duitsland bleef publiceren, hetgeen onder de omstandigheden zeker verdacht was omdat alles wat inmiddels niet was gelijkgeschkeld had moeten uitwijken naar het buitenland, schreef Ter Braak in Het Vaderland een scherp artikel, Gerucht om Thomas Mann.  Hij stelde hierin:

(…) ‘Men kan niet twee heren dienen ook al zou men alleen maar neutraal willen zijn en in zekere omstandiheden doet men er beter aan een verbod van zijn werken als een erezaak te beschouwen (…) Niemand verlangt van Mann dat hij zich solidair zal verklaren met een aantal auteurs (emigranten), waartegen hij terecht bezwaren zal hebben aan te voeren; maar wel verwacht de wereld van hem dat hij eindelijk duidelijke taal zal spreken, het laatste misverstand zal wegnemen;;, zelfs al mocht hem dat zijn lezers in Duitsland kosten.’

Zijn houding zorgde ook in het gezin voor conflicten.  Zoon Klaus liet hem vallen, dochter Erika nam het voor hem op maar bestookte hem met kritiek. Echtgenote Katia probeerde de gemoederen te bedaren en zei later dat het beter was geweest dat hij dadelijk stelling had genomen.
Ook de dubbelhartige houding van uitgever Bermann (Fischer uitgeverij) die gedoogde auteurs wilde blijven uitgeven in Duitsland  en voor een deel met de uitgeverij naar het buitenland wilde uitwijken, maakte het niet makkelijker.  Als Jood werd Bertelman daarbij niets in de weg gelegd door het regime zodat Leopold Schwarsschild, een gezaghebbende joodse socioloog,  hem als een soort ‘beschermjood’ of ‘excussjood’ ging beschrijven wat door de betrokkene niet in dank werd afgenomen.

mann-thomas-fotografie-in-sanary-sur-mer.jpg

Thomas Mann, Hermann Hesse en Anette Kolb nemen het in een artikel voor hem op maar dat vindt Erika dan weer een brug te ver. Ze vindt dat hij bij de afdeling Duitse literatuur van uitgeverij Querido in Amsterdam zijn werken kan publiceren waar naast Klaus ook al een aantal Duitse auteurs een onderdak hadden gevonden.
Op 19 janauari stelt ze haar vader een ulitmatum:  ofwel, hij moest zich loyaal aan de emigranten betonen, ofwel zou hij haar verliezen.
Natuurlijk reageert Katia tegen dit ultimatum, dat immers ook haar trof. De bekende uitleg:zij was het ook niet blij met het publieke protest maar anderzijds moest Erika erop vertrouwen dat haar vader wist wat hij deed. (163)

Thomas schreef een brief van 12 kantjes als antwoord aan Erika:  aan Eri, voor haar en voor de generaties na mij.

(…) ‘Men moet geduld met mij hebben, ikzelf moet het hebben, mijn eigenlijke morele vermogen handhaafde zich altijd hierbinnen. (…) Het heeft weinig zin de wereld aan te roepen tegen de verschrikking, zolang de Duitsers daar zelf niet innerlijk en grondig klaar voor zijn – en als niet alles mij bedriegt, zijn ze hier niet meer ver van verwijderd.’

mann1.jpg

Als er dan opnieuw een artikel van Leopold Schwarzschild verschijnt en deze zijn pijlen op Mann richt reageert daartegen Eduard Korrodi, hoofdredacteur van de Neue Zuricher Zeitung die het met een open brief opneemt voor Thomas Mann.

‘Hij stelde dat Schwarzschild de Duitse literatuur verwisselde met de joodse, en dat het werk van een belangrijke schrijver Thomas Mann immers nog steeds in Duitsland werd uitgegeven.  Hiermee plaatste hij hem buiten de emigrantenliteratuur, alsof hij het nazibewind was toegedaan.
Hierop kon Thomas Mann alleen maar duidelijk reageren.
Vooral de zin dat ‘ een deel van de emigranten Duitse literatuur gelijkstelde aan de joodse’ moet hem in het harnas hebben gejaagd.
Op 3 februari 1936 verscheen zijn reactie in de NZZ in de vorm van een uitvoerige open brief aan Eduard Korrodi.  Een fragment:

‘De Duitse jodenhaat echter, of die van de Duitse machthebbers, betreft in spiritueel opzicht helemaal niet de joden of niet hen alleen:  het betreft, zoals dit steeds duidelijker blijkt, de christelijke fundamenten uit de Romeinse beschaving in de oudheid: het is de poging (gesymboliseerd door het uittreden uit de Volkerenbond) van een afschudden van bindingen die de civilisatie betreffen, die een verschrikkelijke, onheilszwangere vervreemding dreigt te veroorzaken tussen het land van Goethe en de rest van de wereld.’

En dan zijn openlijke stelling tegen het nazibewind:

De diepe overtuiging, die door duizenden menselijke, morele en esthetische afzonderlijke waarnemingen en indrukken dagelijks wordt gestaafd en gevoed, dat er uit de huidige Duitse heerschappij niet goeds kan ontstaan, niet voor Duitsland en niet voor de wereld, – deze overtuiging heeft mij het land doen mijden, een land met een geestelijke traditie waarin ik dieper ben geworteld, dan degenen die sinds de afgelopen drie jaar aarzelen of ze de moed hebben om mij voor het oog van de wereld mijn Duitser-zijn te ontzeggen. En vanuit het diepst van mijn geweten ben ik er zeker van, dat ik voor tijdgenoten en latere generaties juist heb gehandeld mij bij diegenen te scharen voor wie woorden gelden van een waarachtige nobele Duitse Dichter:

“Wie echter vanuit zijn hart het slechte haat,
ook uit het vaderland zal het hem verdrijven,
indien het ginds wordt vereerd door een volk van knechten.

Veel wijzer is zich van het vaderland af te keren,
dan onder een onnozel geslacht
het juk te dragen van blinde volkshaat.”

Thomas_Mann_Nidden.jpg

Dat zijn verzen uit een sonnet van August von Platen (1796-1835) die Duitsland verliet omdat hij vervolgd werd vanwege zijn homosexualiteit.
In de Mozart-biografie van Einstein is het gedicht ‘Tristan’ opgenomen van dezelfde dichter, Mann’s favoriete dichter.
Volgens Klaus Harpprecht in zijn biografie over Thomas Mann was vooral het gedicht Tristan van Von Platen een van die gedichten die hem -zelf een dichter die hier vanwege schaaamte afstand van deed- zijn hele leven begeleidde.
In een mooie vertaling van Paul Claes drukt het de essentie uit van wat een kunstenaarsleven heet.  Ik heb het ook innig lief.

Wie de schoonheid heeft aanschouwd met ogen,
Voelt zich reeds ten dode opgeschreven,
Niets op aarde zal hij meer vermogen
Ook al moet hij voor de dood nog beven,
Wie de schoonheid heeft aanschouwd met ogen!

Eeuwig zal voor hem het lijden duren,
Want een dwaas slechts kan op aarde hopen
Dat hij zulke liefde kan verduren:
Wie de schoonheidspijl niet is ontlopen,
Eeuwig zal voor hem het lijden duren!

Ach, was hij maar als een bron bedorven,
Had hij gif uit elke lucht gezogen,
Was hij maar aan bloemengeur gestorven:
Wie de schoonheid heeft aanschouwd met ogen,
Ach, was hij maar als bron bedorven!

head_gesellschaft.jpg

Vergelijk deze vertaling met die van Victor van Vriesland

Wie de schoonheid zag met eigen ogen

Is reeds aan de dood ten prooi gegeven,
Deugt voor niets meer in het aards vermogen,
En toch zal hij voor de dood nog beven,
Wie de schoonheid zag met eigen ogen.

Eeuwig zijn voor hem der liefde smarten,

Want een dwaas slechts kan op aard’ verlangen
Te voldoen aan deze drang des harten:
Wie eens door het schone werd gevangen,
Eeuwig zijn voor hem der liefde smarten.

Ach, hij wil wel als een bron verzanden,

Had met de adem gif graag ingezogen,
Wil op bloemgeur bij de dood belanden.
Wie de schoonheid zag met eigen ogen,
Ach, hij wil wel als een bron verzanden.

Bosio-hyacinth-front.jpg

Wer die Schönheit angeschaut mit Augen,
Ist dem Tode schon anheimgegeben,
Wird für keinen Dienst auf Erden taugen,
Und doch wird er vor dem Tode beben,
Wer die Schönheit angeschaut mit Augen!

Ewig währt für ihn der Schmerz der Liebe,
Denn ein Tor nur kann auf Erden hoffen,
Zu genügen einem solchen Triebe:
Wen der Pfeil des Schönen je getroffen,
Ewig währt für ihn der Schmerz der Liebe!

Ach, er möchte wie ein Quell versiegen,
Jedem Hauch der Luft ein Gift entsaugen
Und den Tod aus jeder Blume riechen:
Wer die Schönheit angeschaut mit Augen,
Ach, er möchte wie ein Quell versiechen

1-Fleur-de-lys-Grand--.jpg

UITGELICHT (11) OSCAR WILDE: CANZONET

full16996294.jpg


De negentiende eeuw maakte in haar beeldentaal voortdurend gebruik van elementen uit de sagenwereld.  Het modernisme van deze eeuw waar in korte tijd van middeleeuwse landschappen naar industriële omgevingen  werd gewisseld, met daarbij grote mutaties op filosofisch-wetenschappelijk terrein, kon haar angsten kwijt in een geïdealiseerde droomwereld waarin neo-gothiek, de prerafaëlieten en beeldentaal uit de Grieks-Romeinse godenwereld aanwezig waren. Vooral de opkomende middenklasse was een grage afnemer van deze esthetica terwijl sociale protesten tegen uitbuiting en armoede slechts naar het einde van deze merkwaardige eeuw zichtbaar werden.

 

William_McTaggart_-_Spring_-_Google_Art_Project.jpg

De melancholie, het verliezen van onschuld, het verdwijnen van het idyllische landschap (dat nooit bestaan had) richtte de aandacht op het individu.  Als enkeling was er misschien nog ontsnappen mogelijk. De overaccentuering op kledij, het ridiculiseren van de nouveau riches, de verschijning van de snob of dandy, waren vooral in een standenmaatschappij als de Engelse pogingen om de hypocrisie en de vereenzaming tegen te gaan of minstens te signaleren.

Het zijn heel algemene bedenkingen bij de mooie tekst van Oscar Wilde: ‘Canzonet’.  Hij schreef het gedicht in 1888.  Het verscheen in Art en Letters van april, het jaar trouwens van het ontstaan van het mooie verhaal ‘The happy Prince and other Tales’.

I have no store
Of gryphon-guarded gold;
Now, as before,
Bare is the shepherd’s fold.
Rubies nor pearls
Have I to gem thy throat;
Yet woodland girls
Have loved the shepherd’s note.

Then pluck a reed
And bid me sing to thee,
For I would feed
Thine ears with melody,
Who art more fair
Than fairest fleur-de-lys,
More sweet and rare
Than sweetest ambergris.

What dost thou fear?
Young Hyacinth is slain,
Pan is not here,
And will not come again.
No horned Faun
Treads down the yellow leas,
No God at dawn
Steals through the olive trees.

Hylas is dead,
Nor will he e’er divine
Those little red
Rose-petalled lips of thine.
On the high hill
No ivory dryads play,
Silver and still
Sinks the sad autumn day.

 

The_Death_of_Hyacinthos.gif


Er treden griffioenen op, (Saab gebruikte zo’n griffioen in zijn logo! En ja, ook de vlag van Wales herbergt er eentje.) gevleugelde draken die het goud zouden bewaken. (onvertaalbaar de 3 mooie g-woorden: gryphon-guarded gold: griffioens-geketend goud?) en de arme herder moet het zonder robijnen of parels doen nu hij weer eens -de schuld van de meisjes?- platzak is. Dus wordt een rietstengel geplukt om de bevallige oortjes met een mooie melodie te vullen, mooier dan de mooiste fleur-de-lys (Frans lelie-ymbool) en zoeter en zeldzamer dan de zoetste ambregris.  
Ik weet niet of Oscar Wild besefte dat ambregris uit de darmen van een potvis wordt gewonnen maar blijkbaar is het een kostbaar ingrediënt voor de aanmaak van de zoetste (duurste) geuren in de parfummerie.
En waar heeft hij(zij) schrik voor? De jonge mooie Hyachint is neergeslagen (door Apollo), Pan is afwezig en komt niet meer terug, en geen gehoornde Faun is er in de gele weilanden te zien. Geen god bij dageraad komt steels langs de olijfbomen.
Hylas is dood. Hij was de mooie vriend van Herakles maar werd op tocht naar het Gulden Vlies door nimfen in het water gelokt! Hij zal dus jouw rozenblaadjes-lippen niet meer vergoddelijken. Op de hoge heuvel spelen geen ivoorkleurige dryades meer, boomnimfen die eeuwig leven of net zo lang als de boom waarin ze huizen.  Zilver en stil zinkt de droevige herfstdag weg.

P953_299181.jpg


Nu de mythologie niet meer werkt blijft de minnnaar alleen. Een gevoel van alle eeuwen.
Je moet de mooie tekst vaak lezen, de melodie erin ontdekken, iets wat blijkbaar zelfs hedendaagse muzikanten hebben gedaan.

Of Wilde deze dames had toegejuicht weet ik niet.  Laten we het gewoon houden bij wat hij zelf over muziek zei:“You don’t love someone for their looks, or their clothes, or for their fancy car, but because they sing a song only you can hear.” Tja.

 

Nature___Flowers_Hyacinth_flowers_at_home_065854_.jpg

 

UITGELICHT (10): KAIROS EN CHRONOS

700x400_fill_Kairos2_700x400.png

Kairos: het juiste moment om iets voor elkaar te krijgen. 
Als god was Kairos het jongste goddelijke kind van Zeus.
Kairos wordt afgebeeld zonder kleren en kaal, afgezien van een haarlok op zijn voorhoofd. De betekenis hiervan is dat je een kans kunt grijpen als je hem vooraf aan ziet komen, maar achteraf is er geen manier om hem weer terug te halen. Net als Hermes wordt hij vaak afgebeeld met vleugels aan zijn voeten, omdat de gelegenheid snel weer voorbij is.

Hij is altijd jong en mooi, want er is steeds weer een nieuwe gelegenheid die schoonheid voort kan brengen en met de schoonheid vergaan ook de kansen. Hij heeft vaak een scheermes of een weegschaal bij zich, wat benadrukt dat de gelegenheid een kritiek moment is: scherp onderscheidend en doorslaggevend voor het vervolg. (Wikipedia)
Filosofisch zet Joke Hermsen hem tegenover Chronos, de kloktijd waar onze digitale beschaving op en naar leeft.

Eigenlijk was Kairos een strategie om los te komen van die andere Griekse God van de tijd, Chronos geheten die de uren telt en onverstoorbaar wegtikt en daarmee orde en structuur in de wereld aanbrengt, maar ons ook het patroon van de eeuwige herhaling oplegt.  Waar Chronos staat voor continuïteit, betekent Kairos juist een tijdelijke onderbreking ervan.  Tijdens dat interval vergeten we als het ware de kloktijd en komen we in een andere tijdervaring terecht.

250647064_ca29bc0095_b.jpg


Ik vat de ideeën uit het hoofdstuk samen:

In de Griekse mythologie was Kairos de jongste en meest rebelse kleinzoon van Chronos, die voor verandering en inzicht zorgt en daarom als een jonge gespierde god wordt afgebeeld. Chronos is de oud man, zandloper in de hand: elk uur, elke minuut is gelijk aan ieder ander uur en minuut. Hij is de praktische tijd waarmee we de wereld inrichten.
De Duitse filosoof Paul Tillich  schrijft in Philosophie und Schicksal (1961) dat deze tijd geen recht doet aan het veranderlijke karakter van de wereld noch aan onze subjectieve ervaring van de tijd. Iedereen weet dat een uur, naar gelang omstandigheden, leeftijd of plaats niet even lang schijnt te duren.

Wat zich in het Kairos-moment als ‘gebeurtenis’ openbaart is niets minder dan de authenticiteit van het Dasein (Heidegger in Zijn en tijd in 1928) dat wil zeggen de meest authentieke zijnsgesteldheid van de mens, omdat pas dan zijn ‘in de wereld zijn’ aan de ‘volheid’ van de tijd verbonden wordt.  Heidegger heeft het over de Anfängliche Zeit, de tijd die nieuwe mogelijkheden voor ons vrijlegt, omdat in het Kairos-moment van ‘de tussentijd’ een breuk of cesuur met de Chronos-tijd plaatsvindt.
(denk aan Archimedes die heureka, heureka roepend door de straten van Syracuse liep toen hij de wet van de opwaartse kracht van een lichaam had ontdekt; de kairos-tijd is dus het beste moment om een keerpunt op welk gebied dan ook in gang te zetten.

 Ook het toeval, de serendipiteit valt onder de kairos. Hermsen haalt Alexander Fleming aan die bij toeval de penicilline ontdekt bij het opruimen van zijn labo en schimmels op een kweekplaat waarneemt die groei van bacteriën afremden. Toeval en geluk, ja maar ook zijn intuïtie, alertheid en schranderheid die hem in staat stelden oog te hebben voor het onverwachte en de kans te grijpen die hem op dat moment geboden wordt.
Zich op het “juiste” moment weten te verbazen is de eerst stap van de geest naar de ontdekking.’ een uitspraak van Louis Pasteur.
Of deze kairos een plaats krijgt in de wetenschappelijke opleidingen durf ik betwijfelen.

72782071_69272909.jpg

De kloktijd is in toenemende mate de economische tijd geworden.  Deze heeft ons van een meer subjectieve, creatieve en vooral diepzinniger benadering van tijd vervreemd.

Vaak werd Saturnus met Kronos gelinkt, de tijd immers eet zijn eigen kinderen op, de minuten, uren, dagen maanden en jaren. Ivan Akimov beeldt hem hier af als een gevleugelde oude man, zeis in de hand die alles neermaait.  Hier verwoest hij de liefde uitgebeeld door de kleine Cupido, de zoon van Venus, godin van schoonheid en diezelfde liefde. (zie ook de andere afbeeldingen die hetzelfde thema hebben.)

Ivan_Akimov_Saturn.jpg


‘Het politieke potentieel van deze kariotische tijd zit hem zowel in het ontmaskeren of onthullen van wat er in de geschiedenis bedekt en aan het oog onttrokken wordt als in het alert en adequaat reageren op de toevalligheden en mogelijkheden die zich nu aan ons voordoen.(…)
We zijn op zoek naar nieuwe vormen van samenleven en naar nieuwe, harmoniserende verhoudingen teneinde de wereld bewoonbaar en de aarde leefbaar te houden.’

De vraag wordt duidelijk:  Hoe moeten wij ons tot de technoglogie verhouden, om te voorkomen dat deze met ons aan de haal gaat?  Welke houding moeten we ten aanzien van de digitalisering innemen om ervoor te zorgen dat deze niet onze levens gaat beheersen?’

‘Kairos, een nieuwe bevlogenheid, Joke J. Hermsen Atheneum Polak, Amsterdam 2014)