550_d264ffab04b2ab15286547e4d427aaf7

Goed op dreeef zijnde Theodore Silverstein,

Met enig genoegen las ik je laatste brief.
Mijn waardering ten aanzien van jouw persoon heeft zeker met je vinnige replieken te maken. Ik ontwikkel erg zelfgenoegzaam een serie beelden die ik als lauwe compressen op jouw gekwetst hoofd wil leggen, en jij maakt er witte vlaggen van die ik op mijn prekerige burcht moet hangen ten teke van overgave, en dat in beide betekenissen van het woord.
Hoor je ze wapperen in de koude noorderwind die ons deze dagen teistert?

Ik kan je alleen maar antwoorden met het zelfportret van je geliefde schilder, een zelfportret bij zijn ezel terwijl hij druk bezig was met een doek op te zetten. (hij houdt een pastelkrijtje vast.)
Toen ik dit portret de eerste keer zag, was ik zeer ontroerd. Ik had allerlei opstellen en interpretaties over Chardin gelezen, bewonderde zijn zilveren bekertje, ging mee met de kaartspelers, de alledaagse taferelen, en ik verwachtte een wijze man, een genie, gegroefd gelaat, edel van uitstraling, doorploegd van de aardse voorbije jaren.
Maar in plaats daarvan krijg ik een wat olijke oudere mens te zien, muts op het hoofd gebonden alsof hij net uit een verdachte kroeg kwam, brilletje op de neus, fonkelende oogjes, kortom helemaal niet de Chardin zoals ik hem mij had voorgesteld.
Maar wat een opluchting dat hij zichzelf zo menselijk, zo alledaags heeft geportretteerd, want dan worden zijn doeken pas helemaal van ons.

En nu keer ik terug naar de eerste zin van het mooie gedicht van Oerlemans: “Onzichtbaar is het uur,”.
Zoals hij daar staat te schilderen en bijna als een jongen nog naar de werkelijkheid kijkt, de speling van het licht, maakt dat nu net de onzichtbaarheid uit van de tijd. Hij maakt het voorbije uur, de uren, dagen, nachten waaraan hij gewerkt heeft onzichtbaar door zijn palet. Hij moet zichzelf niet opblazen, niet met opzet maniëristisch doen, cultuurbedrijvend uit de hoek komend, neen: de tijd waarin de theepot op het doek is gekomen, maakt hij voor ons onzichtbaar, en wellicht is het die onzichtbaarheid waarover je schrijft?

Onze woorden gaan verloren in de wind, maar de kunstenaar maakt het uur onzichtbaar, en daardoor overleeft hij alles en iedereen: ook al zal het doek met de theepot, de druiven en de kastanjes morgen vernietigd worden, in de ogen van duizenden is het werk binnen gekomen in de onzichtbaarheid van het essentiële, wat de kleine prins zo mooi zegt: l’ essentiel est invisble pour les yeux.

Ik denk dat we elkaar naderen: de tango of de trage wals hoor je boven het gedruis van onze pogingen uit.

Je G. Dumortier