252_3c35432b107a419bde40a0fe20468ab9

Psychie,

Elkanders heelmeester worden is natuurlijk één van die ideaalbeelden die op deze “gedichtendag” in alle talen zullen bezongen worden.

Ik was ten zeerste verbaasd hoe secuur je “de onzichtbaarheid” benaderde vanuit het schilderij met het theepotje, dat prachtige theepotje (ik heb er hier ter plekke ook nog een aantal staan zowel uit Azië als uit Duitsland of Frankrijk) dat Chardin voor ons onzichtbaar maakte voor de genadeloze tijd. Alhoewel…

We zijn natuurlijk afhankelijk van deze wrede meester, de Tijd, om zelfs het onzichtbare, het uit de Tijd gehaalde, in de Tijd te beschouwen. Hoor je hem lachen? Meer nog dan de dood op schaatsen heeft hij het “fugit” in handen. (tempus fugit, de tijd snelt heen) Maar hij gebruikt geen wiegende bewegingen, hij is in de tik van de klok hoorbaar, zijn naaldhakken steken diepe wondes in ons besef van tijdelijkheid.

Ik keer terug naar mijn vorige stellingen: wij zijn niet tijdelijk, maar in de tijd, (en dat is een idee van de andere Chardin, Theilard de…) en of je dat nu wilt of niet, zelfs die bewering blijkt erg relatief te zijn, als we het genie van Einstein mogen geloven waarin de tijd een onderdeel van energie gaat worden en dus onderhevig is aan de relativiteit. (een mooie woordspeling overigens: relativi-tijd)

Dat oude woord “deemoed” komt hier ten zeerste van pas: het in de tijd zijn immers verbindt ons met het verleden en de toekomst, als die begrippen al kunnen gedefinieerd worden.
De onzichtbaarheid wordt het uitvegen van die verbindingstrookjes. Herinner je de vroegere treinreizen, donk-donk, donk-donk, het geklik van de stukken waar de spoorstaven aan elkaar gelast waren. Dat is verleden tijd. We glijden van a naar b. De ijzeren weg zoals hij zo mooi heette is ons voorgegaan in het uitwissen van de hinderlijke overgangen.

Daarom stuur ik je op gedichtendag geen tekst maar een prentje uit het 19de eeuwse Engeland: een kwartet musici in een onwezenlijk decor.
Zet je er zachtjes bij, sla je arm om iemands schouder zoals de twee vrouwen staan te luisteren naar het onhoorbare.
Ik ben er zeker van dat het onze pijn makkelijk overstijgt, want hoe dan ook, de overgangstukjes, de donk-donk blijven ons pijn doen, maken ons komen en gaan soms maar al te duidelijk.
Over die donk-donk klinkt de hemelse melodie die ik je niet kan beschrijven maar die uit deze prent beetje bij beetje hoorbaar wordt.

Je moeë, vaak verdrietige maar beetje moedige, Theodore Silverstein, antiquair.