428_77cb838315527eecd1b9b6504b65a296

“Medio de finte leporum
Surgit amari aliquid, quod in ipsis floribus angat

Uit de bron van het genot stijgt iets bitters
Dat ons droef stemt zelfs op een bed van bloemen.

Lucretius, Over de natuur, IV, 1133-1134)

“Van alle goede dingen die wij genieten is er niet een geheel vrij van pijn en ongemak.”

Aan het woord is de heer Michel Montaigne in zijn mooi opstel:
De zuiverE smaak van de dingen kennen wij niet.

“Bij de grootste wellust klinkt gesteun en geklaag door, net alsof er iemand sterft van angst.
En om het toppunt van wellust uit te drukken, geven wij er namen van pijn en ziekte aan, zoals “versmachting, weekheid, zwakheid, onmacht, morbidezza,’ wat bewijst hoezeer genot en smart één vlees en bloed zijn.”<p<Hij citeert dan Seneca:

Ipsa felicitas, se nisi temperat, premit (Brieven aan Lucilius LXXIV, 18)
Genot dat geen matiging kent, wordt zichzelf tot last.
Of in een oud Grieks vers (ik denk dat Montaigne dit zelf verzonnen heeft!)

Als de goden ons iets goeds geven, moeten wij het kopen.”
Oftewel: zuiver en volkomen geven ze het nooit, en de prijs die wij ervoor betalen is altijd een of ander leed.

“Socrates vertelt hoe een godheid eens probeerde pijn en genot met elkaar te versmelten tot één geheel, maar toen hem dit niet lukte, besloot hij ze althans bij hun staart aan elkaar te binden.
Metrodorus zei wel eens dat droefheid gepaard gaat met een zeker welbehagen.
Misschien doelde hij op iets anders, maar zelf denk ik dat iemand die in zwaarmoedigheid verzinkt dat willens en wetens en met een bepaald genoegen doet.
Ik bedoel hiermee dat niet alleen het verlangen meespeelt op een ander indruk te maken, maar dat uit de diepste melancholie de mens een zweem van genot en zaligheid toelacht.
Er bestaan toch naturen die daarin zwelgen?

In tranen schuilt genot
(Est quaedam flere voluptas, Ovidius, Klaagzangen, IV, 3, 37)

En bij Seneca zegt een zekere Attalus dat de herinnering aan onze gestorven vrienden ons net zo aangenaam is als de bittere smaak van al te oude wijn,

Jonge slaaf die rondgaat met oude falernerwijn,
Schenk mijn glas vol met de bitterste daarvan.

En denk ook aan appels die lekker zuur zijn.

Vandaar ligt natuurlijk de weg open naar de redenering dat elk kwaad zijn goede zijde heeft, en om het politiek correcte van deze dagen even aan de kaak te stellen:

“Ook is het zo dat wij in het dagelijkse om de openbare zaak te dienen, al te zuiver op de graat en al te scherpzinnig kunnen zijn: zo lucide als wij zijn, gaan wij dan te subtiel en te diep op de dingen in.
WIl je dat de geest zich leent tot de dingen die ons in de praktijk tot voorbeeld dienen dan moet je hem traag en bot maken, en zijn licht temperen , om hem geschikt te maken voor dit duistere aardse bestaan.
Daarom zijn gewone, niet al te spitse geesten beter in staat een zaak te drijven, en zij doen dit met meer succes.
De verheven, hooggestemde theorieën van de filosofen zijn niet geschikt voor de praktijk.
De spitsvondigheden, ongedurigheden, plooibaarheden en grilligheden van de geest storen ons in onze onderhandelingen met anderen.
Je moet de zaken van de mens wat grofstoffelijker en oppervlakkiger aanpakken en ze voor het grootste deel overlaten aan het lot.”

Ikzelf doe het verder het zwijgen toe, lieve Simon en waarde psychiater.Nog even zeggen dat het opstel is uit de bundel: Michel Montaigne, Drijf nooit je vijand in het nauw, Essays, vertaald door Hans van Pinxteren en uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdan 2003
Ere aan wie ere toekomt.