498_fc1316734cc8be4a90a536869566c810

Met enige (terechte) fierheid meldt het Rijksmuseum te Amsterdam een aanwinst van “PORTRET VAN EEN AFRIKAANSE MAN” geschilderd door Jan MOSTAERT (1475-1556) gemaakt tussen 1520-1530.

Afbeeldingen van een zwarte Afrikaan zijn zo vroeg in de 16de eeuw zeer zeldzaam, zegt de commentator.
Meestal bleef het beperkt tot de uitbeelding van de Moorse koning Casper bij de aanbidding der drie koningen, en naast Dürer, een tijdgenoot, die een tekening van Afrikaan maakt, is geen verder voorbeeld bekend.

Wie deze aristocratische man zou zijn, blijft een raadsel.
Er zijn aanwijzingen dat de man zich aan het hof van Margaretha van Oostenrijk te Mechelen zou hebben opgehouden, of in het gevolg van haar neef, Keizer Karel V.
Allerlei details wijzen erop dat de man zich geheel vertrouwd of opgenomen door de Europese cultuur moet hebben gevoeld.
Kijk naar zijn rijke kleding, het pelgrimsinsigne op zijn hoofddeksel is dat van O.L.Vrouw van Halle (het pelgrimsoord van de Bourgondiërs en de Habsburgers), zijn handschoenen, het zwaard, alles duidt op een Spaans-Portugese afkomst.

Het schilderij was al eens te zien in 1958 maar heette toen “Portret van een Moor”.
Jan Mostaert was jarenlang hofschilder van Margaretha van Oostenrijk maar verbleef niet in Mechelen maar te Haarlem.

Dit zich “vermommen” in Europeaan noemen wij wel eens verkeerdelijk ‘integratie’.
De basis van die “aanpassing” is uiteraard erg egoïstisch. Zo lang de “vreemdeling” zich voordoet als bekende en rijk genoeg is of van deftige huize blijkt te komen, hebben wij weinig moeite met zijn aanwezigheid.
Ook de omgekeerde beweging telt: zo lang de Westerling zich aan de gebruiken van de Islamitische uiterlijkheden aanpast en van goede huize komt (de Westerlingen in de oliestaten bijvoorbeeld ) is er weinig aan de hand.

Iedere cultuur maakt gebruik van “socialiserende” vermommingen. Wie met dat soort auto rijdt, die of die merkkleren draagt, in dat type van huis woont of zich in die bepaalde kringen beweegt,wordt herkend door zijn, haar status op de sociale ladder.
Die uiterlijkheden kunnen we ook in gedragingen toepassen want zeden en gewoonten berusten minder op morele afspraken dan wel op een angstreflex waarmee een groep zich denkt te moeten be- of afschermen.

Het beklemtonen van de zgn. eigenheid is in hetzelfde bedje ziek. De geur van het eigen kippenhok verheffen tot geur van alle kippenhokken duidt op dezelfde begrijpelijke angst voor de veelheid en verscheidenheid van kippenhokken.
We willen in het beste geval respect opbrengen voor dat ander hok, maar we willen onze hogere pikplaats absoluut behouden, en daarmee bedoel ik niet alleen rijkdom of status, maar vooral de schijn-zekerheid dat ons cultureel verworven wereldbeeld nog altijd het beste model voor alle mogelijke andere kippenhokken is.
En ook hier trekt ik de lijn naar twee kanten door.
Het fanatieke, eigen aan elk opgeblazen nationalisme, is een uiting van diezelfde machtshonger.

De historische achtergronden waarop we ons beroepen zijn veredelde codes van “eigen stam eerst”, en de schrijnende reacties van zogezegd achterop gestelden of verdrukte minderheden, wijzen op diezelfde primitieve reflex de eigen hutten-verzameling kost wat het kost te vrijwaren van het verderfelijke “buitenaf”-gevoel.

De grondigste ingreep bestaat uit het ontwikkelen van andere denkpatronen en het samenbrengen van die denkpatronen tot in de economische denkbeelden waarmee wij het eigen kippenhok tot een aangenaam verblijf op aarde willen maken.
Maar denkpatronen vragen tijd en moed.
De Verenigde Naties hebben waarschijnlijk evenveel behoefte aan een internationale denktank waarin de edelste en bekwaamste geesten op het terrein van de non-utilitaire wetenschappen samenkomen en elkaar bevragen, ondersteund door de verbonden universiteiten en hogescholen.

Het is begrijpelijk dat nu vooral de politiediensten gaan samenwerken, maar het blijft uiteraard een primitieve reflex van zelfbehoud.
Zonder diepgaande verbindingen tussen denkplaatsen, zoals de hogere onderwijsinstellingen zouden moeten zijn, worden de kippenhokken bunkers, en bunkers hebben geen uitzicht.

Internationale politici en diplomaten hebben uiteraard een grondig tekort aan filosofische scholing en antropologische kennis, maar als ze hun wijze mannen en vrouwen mobiliseren en met elkaar verbinden dan zal op termijn het kippenhok gebruik maken van zijn bewustwording en mag iedereen een graantje meepikken, en in het beste geval zullen we door de kennistoename het specifieke van elk kippenhok in het onze gebruiken, want op wijsheid past geen kleur of ras.
De utopie van grote kippenren mogen we best ver achter ons laten, we zijn nu eenmaal gevoelig aan het eigen nest, daar is niets mis mee.

Geborgenheid immers is een voorwaarde om verder te kijken dan onze eigen bek lang is.