906_70df355d8d289c81cfb4fc4966e2a82c

Nog geen uur geleden was het huis vol stemmen.
We aten samen, vertelden onze verhalen, we zongen met de kinderen de liedjes van de voorbije tijd, we hebben getoast en dure eden gezworen, we keken in de familie-albums, we probeerden de geliefde doden weer voor de geest te halen, uitroepen als “weet je nog,” en “ja, dat heeft zij toen gezegd, werkelijk waar,” waren niet van de lucht.

Nu zijn de gasten weg en ook wij staan klaar om te vertrekken.
De stilte met op de achtergrond het verre geluid van voorbijrijdende auto’ s, is nieuw in dit drukke buitenhuis.

Je vindt nog enkele sporen van de voorbije vakantiedagen: een tekening, knutselwerkjes, een stok meegebracht van een boswandeling, verdroogde bloemen.

Jij kent de suizende stilte, lieve vriend.
Ik weet dat je van de eenzaamheid houdt, maar telkens als ik enkele dagen bij vrienden of familie heb geleefd, valt het mij zwaar om weer aan die stilte te wennen.
De stilte waarin je met jezelf gaat praten, of de stilte waarin de dingen aan het woord komen: mama’ s foto, vaders stoel, de porseleinen kopjes uit oma’s erfenis, de schaal waarin ze Jidde Fisch klaarmaakte.

Dichtbij nog de stemmen van de voorbije dagen, de verschillende tonaliteiten van ouderen en jongeren, mannen en vrouwen. Het gelach aan tafel als we enkele glaasjes hebben gedronken.
Heel anders de melodie van avondstemmen op het buitenbalkon: met de geur van sigaren en cognac, in diezelfde gezalfde brandoffers zijn de harde stemmen van de dag verzacht tot melodieën met veel plaats voor lange stiltes waarin we naar de sterren keken of met onze gedachten bij de voorouders waren.

We moeten de deur maar dichttrekken, de sleutel omdraaien en er gaat een zucht van verlichting door de geesten en de dingen die we in de leegte achterlaten.
Zij hebben een andere kleur, doorzichtiger, hun geluiden bezitten niet de ritmes en tonaliteiten die wij kennen, ze zijn zoals het prachtige glas: ze vangen het licht zonder zelf zichtbaarder te worden, ze verhevigen de warmte of beschermen ons tegen de banale koude waarmee de mensen elkaar pijnigen.

Als kind kon ik een kamer afsluiten en aan de deur blijven staan. Ik zette enkele stappen ter plaatse, ook de geesten en de dingen moeten om de tuin worden geleid, en hield me dan roerloos stil.
Ik wist dat ze hun tijd namen nu ze tijdloos waren geworden. Alleen de werkelijke geduldigen zouden ooit hun bewegingen kunnen waarnemen.

Je zou het nu, als volwassene, oorsuizen kunnen noemen, iets waaraan doof wordende oudere mensen gaan lijden, maar ik hoorde als kind hun gezangen in de achterkamers van mijn hoofd.
Hun woorden waren in opgestapelde gedachtenpakketjes verpakt: ze praatten in lange samengestelde zinnen die je uit zo’n wollige bol (ik zie mijn moeder met haar haakwerk) ontrafelen moest.
Het was niet zo moeilijk want je kende al het geheel en hun zinnen waren eerder bewijzen voor wat je al wist dan aanwijzingen die een boodschap zouden bevatten.

Hun biotoop is de menselijke afwezigheid.
De meeste mensen kunnen daar niet tegenop.
Ze willen iets of iemand horen, ze willen tekens van leven terwijl het leven nergens levendiger is dan in de afwezigheid.
Daarom nemen zo weinig mensen hen waar.

Vergis je niet, ook de afwezigheid heeft zijn gevaarlijke kanten.
Wie haar onderschat zal verdwalen in zijn herinneringen omdat hij het niets met het verleden wil vullen met alle bitterheid en melancholie tot gevolg.
De afwezigheid is niet alleen vervuld van het voorbije, je mag de doden niet tot deze hongerige vergetelheid klasseren. Beelden geven inderdaad aanleiding tot deze vergissing omdat zij de tijd fixeerden en de band tussen gisteren en morgen hebben doorgeknipt.

De echte leegte is een kostbare schat.
In de afwezigheid blijven de condensaties van het goede en het kwade achter maar er is nog plaats genoeg voor de inzichten en conclusies, voor het onverwachte en het wondere, kortom: voor het alles wat ons weer heel moet maken nu wij blijkbaar ons verlaten voelen in de stilte die na elk afscheid als een loden deken ook ons denken kan verlammen.

Wij worden telkens in stukken gebroken wanneer geliefden en vrienden hun levensweg zonder ons verder zetten, en wie alleen op de nagelaten brokstukken herinnering moet leven zal aan magerzucht ten onder gaan.

Uit het donkere van de tijd wandelen we even in het licht maar voor we dat beseffen worden de schaduwen langer en is ons spel gespeeld.
Althans het spel in het zichtbare licht: wie wij al waren en wat wij zullen zijn in de dispersie van de levensvormen zal in de suizende stilte van de afwezigheid een aanvang nemen.

De huizen zijn leeg, of de kinderen nog fietsen of intussen opa en oma geworden zijn is niet uit het beeld af te leiden.
Maar deze avond, of morgenavond, of volgende maand, jaar, eeuw, gaan de lichten weer aan als het donker wordt.
En moeders roepen: komen eten op de fietsende kinderen, en in de stilte van de nacht kussen wij niet alleen de levenden maar omhelzen wij zij die lang voor ons geroepen hebben en al degenen die na ons de fietsjes berijden zullen.


de foto is van Markeringk Cary, Nederland, “de Rozenstraat”