405_bb66aaa4588b18b3e3bf77325bf453a1

Bij een vuurtje in de woestijnnacht kwam zijn naam ter sprake: Amun.
Hij was een van de voornaamste maar tegelijkertijd meest geheimzinnige van de Egyptische goden.
In mijn tocht naar de onzichtbaarheid, is hij een goede gezel want in feite betekent zijn naam: de onvindbare, de onzichtbare.
Ik bespaar je de politieke geschiedenis van de uitbuiting van zijn naam, ze loopt identiek in alle gods- en erediensten, maar de idee dat een onzichtbare godheid de voornaamste godheid werd, duidt nog maar eens op het hoge gehalte van de Egyptische beschaving.

Hij was er al voor de mensen er waren.
Met hem begon de tijd.
In talrijke hymnes wordt zijn aanwezigheid bezongen.
Ik heb het altijd gehad voor het moeilijk vindbare, voor de onzichtbare kant van de dingen en mensen.

Een van de professoren bracht Amuns naam in verband met het Libische woord “amon” wat “water” betekent, en je weet hoe belangrijk het water was voor de bewoners van de Nijloevers.

In zijn zichtbare vorm, beschenen door de zon dus (Re, in het oud Egyptisch) werd hij dan Amon Re.
Ook dat is een mooi idee: de zon die de goddelijkheid zichtbaar maakt, de epifanie.
Het idee sluit aan bij de mooie woorden die jij over het late zomerlicht schreef.

Amun wordt afgebeeld met twee grote pluimen op zijn hoofd.
Hebben ze iets te maken met de vlucht van de vogels, de macht om je boven de aarde te verheffen, om onzichtbaar te worden?

Als het hier morgen wordt en de woestijn zich in al zijn overdonderende eenvoud voor je uitspreidt, begrijp je dat de essentie van de schoonheid inderdaad onzichtbaar is voor woorden.
Onzichtbaar maar alomtegenwoordig.