Alle voorbeelden heb ik dicht bij huis gevonden.
Uit eigen collectie zoals dat zo mooi heet.

Het was ene DISDERI die zijn atelier had op de Boulevard des Italiens in Parijs die op het idee kwam foto’ s te maken in vorm van een ‘carte de visite’ (CDV).
Dat waren goedkope afdrukken die je op een kartonnetje plakte en makkelijk kon verspreiden.

Het succes had twee kanten.
Enerzijds werden de foto’ s van beroemde tijdgenoten verspreid en verzameld (links in beeld) en anderzijds kon je je eigen foto voor bijna geen geld laten maken in veelvoud zodat de familie-albums van jouw beeltenis werden voorzien.( rechts)

Beard, een voormalige kolenmarchand, opende in Londen de eerste fotostudio in 1841, maar zijn concurrent Claudet had het meer op personen van aanzien voorzien en mocht zelfs Queen Victoria en nazaten in beeld brengen.

Hij maakte vooral stereoscopische afbeeldingen: dubbele foto’s zoals later de viewmaster-plaatjes, zodat er via een kijker een gevoel van diepte ontstond.

Zo had in 1858 de London Stereoscopic company zo’n 100.000 beelden in stock, landschappen, monumenten, mensen, beroepen, kortom de hele zooi van wat het oog kon waarnemen werd nog eens stereoscopisch overgedaan.

Uit de afdeling “Comic and Groupes’ zie je volgend huiselijk tafereeltje.

stereoIedere Victoriaanse familie had zijn eigen kijker, en het spreekt vanzelf dat ook de afdeling ‘adults’ en dies meer erg in trek was. (als de kinderen slapen waren)

dyn005_original_600_450_jpeg_20344_0eca4f0ea020afbe46658c7263c98131

Victoriaanser kon niet: de wereld bekijken via de dubbele prentjes.
Maar tegelijkertijd was het een stap naar voren in weer eens in dubbele richting (jaja, alles was dubbel, enigmatisch maar waar.)

Iemand schreef dat die foto’ s van jezelf op de CDV een oefening in sociale demarcatie waren voor de Victorianen.

Ze konden er hun sociale positie in de maatschappij mee zichtbaar maken, en herkenden duidelijk hun plaats en die van de anderen.

Die ‘anderen’, dat waren meestal de hogeren in rang, de regerenden, adelijken, wetenschappers, theater- operalieden, enz.
Dat was de andere kant van de spreekwoordelijke medaille.

J.E. Mayal, een Amerikaan die zich in Londen vestigde (Regent street, 224), bracht een heuse “cartomania’ op gang rond de jaren 1860.

Van de prinses van Wales met haar baby werden zo maar eens eventjes 300.000 copies verspreid, en de Queen had haar eigen foto- en ontwikkelstudio in Windsor Castle.

Je eigen beeld “an eel-pie and your likeness for sixpence’ en de fascinatie van diegenen die werkelijk ‘in de picture’ stonden, het duidde de Britse zin voor hiërarchie aan, en daar voelden de meeste Engelsen zich veilig bij.

Victoria werd de eerste koningin die meer gefotografeerd dan geschilderd werd.

Maar nu komen we terug bij die “angst”, dat not so happy-gevoel waar we ons verhaal mee begonnen.

Wat immers kon er een einde maken aan dat vaste wereldbeeld, die hiërarchie?
De voorbeelden waren legio.

In Europa braken grote revoluties uit in 1830 en 1848, en als de Britten nu ergens bang voor waren, dan was het inderdaad voor zo’n soort ‘revolutie’ waarin vooral het privé-bezit zou worden aangetast en niemand nog wist waar hij/zij stond of lag.

Burke’ s “Reflections on the French Revolution” van 1790, Southey’ s “Collequies on the Progress and Prospects of Society” van 1829 en Carlyle’ s “French Revolution” van 1837, tot zelfs Charles Dickens “Tale of Two Cities” van 1859 hadden het over die diepe angst voor een omwenteling via een revolutie.

Iedereen gelijk, je mocht er niet denken!

dyn005_original_362_397_jpeg_20344_423bab6b6790c30c72a0c525f1cee17b