dyn006_original_391_400_jpeg_20344_1a77e9377d7f5ffa2e13ce351063d535

Drie elementen komen samen, de eerse maanden van het jaar 1895, die The Turn of the Screw zullen inspireren:

Naast en tegenover leven en werken van John Addington Symonds (waarbij ook vooral de visionaire gaven van de auteur relevant zijn) staat Wilde en zijn schrikbarende ondergang.

Zo begint Braches in Engel en Afgrond zijn synthese.

Tegenover Symond’s innerlijk streven naar het Hogere staat het op het uiterlijk gerichte, het zintuigelijke, zinnelijke van Wilde.
Zijn ondergang is Lucifers’val.

dyn006_original_500_500_jpeg_20344_6ed1e9ffb6e900e6710d719af2187b8a

Jaja, dat klinkt heel mooi, en terecht voert Braches aan dat tegenover die val ook James’ eigen mislukken van zijn toneelcarrière staat (Guy Domville), zodat je -zij het in de geest-je toch aardig kunt wreken op die duivelse Wilde wiens toneelstukken enorm populair waren.

Lucifer -duivel en engel: tegenover de monsterlijke dode Dorian Gray de onverwoestbare jeugd van het portret door Basil Hallward.
Tegenover een Wilde het laatste portret van Symonds: “The look of extreme youth with came into his face during the last hour of his life was literally extraordinary. Apart from the smoothing of the lines, the head was that of a very young man, almost a boy.”

Maar voor het eerst tekent zich ook zwart op wit het echte leven van Symonds zich af.
In Casus XVIII staat in beide uitgaven van Sexual Inversion de ingehouden seksuele levensloop van een negenveertigjarige Engelsman:

‘And he thinks that he might have brought himself to indulge freely in purely sexual pleasure with women, if he made their first acquintance in a male costume, as débardeuses, Cherubino, court pages, young halberdiers, as it is only when so clothed that women on the stage or in the ballroom have excited him…’

Een vrouw in een mannelijke rol.
Deze lijn verbindt Twelfth Night, Ibsens Little Eyolf, de Principal Boy uit de pantomime en de innerlijke tragedie van de Turn of the Screw die zijn tegenhanger vindt in Dante’s Divina Comedia

dyn006_original_544_550_jpeg_20344_dd2d06f352b62b5e5d0ec75797e54751

En Braches besluit zijn hoofdstuk met een aardige anekdote:

Als tienjarige komt John Addington Symonds uit school thuis om er een onvergetelijke zomervakantie door te brengen: “My youngest sister Charlotte and I became great friends, and we both profited by the companionship of her governess, Mdll. Sophie Girard, of whom I shall have more to say.
We three formed a little coterie within the household…”

Een belangrijk element dat ik in Braches boek mis, is Henry James’ eigen levensloop.

Hij is nooit gehuwd geweest, was niet voor dit soort verbintenis gemaakt, naar eigen zeggen, bewonderde de (jonge) mannen maar bleef lijfelijk ook ver uit hun buurt, kortom was een ideale beschouwer van het dagelijks gebeuren rondom zich met de vrijheid zelf geen Engel of Lucifer te moeten zijn, maar ook de konsekwenties van vaak schrijnende eenzaamheid te moeten verdragen.

Ik citeerde al het mooie boek ‘The Master’ van de Ierse auteur Colm Toibin (in feite kwamen de Amerikaanse voorvaderen van James van beide kanten ook uit Ierland!) waarin dat jaar 1895 uitvoerig aan bod komt.

Een Amerikaan die Engelsman wordt, maar in feite nergens nog thuishoort.
Mocht ik een titel kiezen voor zijn levensloop dan zou het woord ‘weesjongen’ er zeker in thuishoren.

En zijn laatste woorden, in de avond van 28 februari 1916, midden de grote oorlogstijd waren:

‘Tell the boys to follow, to be faithful, to take me seriously’.

En dat hebben we geprobeerd, dear distinguished thing.