dyn001_original_364_484_jpeg_20344_e5e7bd40efe71f534a8ed768b2983e82

Natuurlijk ben je er al eens geweest.
Daarboven, of ver weg, of lang geleden.

Op het hinkelpad onder de twinkelsterren.
klein wit schaapje, , kleine schat.

‘Voor het kind zijn de eerste verhalen, rijmpjes en versjes al oefenmateriaal om zich de innerlijke wereld van een ander voor te stellen.
Met ‘fantaseren’ leert het kind dat vreemde vormen kunnen leven en behoeften kunnen hebben.
En omdat deze spelletjes vaak plaats vinden in aanwezigheid en met de hulp van objecten waaraan het kind het sterkst is gehecht, ontlenen ze daaraan iets van hun glans en mysterie.’

dyn001_original_360_286_jpeg_20344_e3aecccb5fa2fc9a07f83537e098cb5b

Je leert je de verre sterren uit het versje ‘twinkel, twinkel, kleine ster, o wat sta je hoog, o wat sta je ver;’ voor te stellen.
Je ontwikkelt bij het kind een gevoel van verwondering- een besef van mysterie dat een mengsel is van nieuwsgierigheid en ontzag.

Wat dus een vorm aan de hemel is, kan een innerlijke wereld hebben, die in sommige opzichten mysterieus is, en op andere vlakken met het kind overeenkomt.

Het leert leven, emoties en gedachten toe te schrijven aan een gedaante waarvan de binnenkant voor haar verborgen is.
Gaandeweg gebeurt dat steeds verfijnder, naarmate het meer verhalen over mensen en dieren hoort en vertelt.
Deze verhalen gaan een ingewikkelde wisselwerking aan met zijn pogingen om de wereld om hem heen en zijn eigen gedrag te verklaren.’

dyn008_original_480_302_jpeg__63a7f7f8b0c12a2fa91ccf04b7d15ca0

Het kind ervaart de wereld in allerlei mensvormige gedaanten.
Het kan besluiten deze als machines te behandelen en weigeren hen pijn en vreugde toe te schrijven die het zelf ervaart.

‘Of misschien sluit het zichzelf gewoon af, zonder na te denken wat er achter die gedaanten zou kunnen zitten. Zo gaan veel mensen door het leven.’

We hebben er al op gewezen dat iemand met een bepaalde vorm van pathologisch narcisme inderdaad de realiteit van anderen ontkent – een gevolg van een verlammend verlangen naar almacht.
Nussbaum zegt dat het veel betekend is dat juist deze mensen niet van verhalen houden, en ze soms ook niet begrijpen.

‘Een kind dat echter door vroege verwondering en het ontwikkelen van het voorstellingsvermogen is voorbereid en dat psychisch in staat is tot betrokkenheid bij mensen buiten zichzelf, ontmoet de gedaante van een ander mens vanuit deze narratieve gewoonten.
Het schrijft deze gedaante gedachten en gevoelens toe die in sommige opzichten vreemd en mysterieus zijn. Het zal eraan wennen om zich in te leven en dingen te veronderstellen, wanneer het probeert uit te vinden wat die ander voelt en denkt.

Het leert steeds beter te ontcijferen hoe verschillende omstandigheden het innerlijk beïnvloeden.
Omstreeks die tijd kan het worden aangemoedigd om het leed van levende wezens met een nieuwe scherpte op te merken.
Het zien van bloed, de dood van dieren, het verdriet van ouders en vrienden, dat alles wordt een bron van verwarring.

Meestal wordt dit inlevingsvermogen vergezeld door goede wensen voor het object, als het kind liefhebbend is opgevoed, maar de ambivalentie is nooit weg en zijn agressieve wensen moeten voortdurend worden ingetoomd door zijn ontluikende wens om alles weer goed te maken. Leerkrachten moeten bedacht zijn op deze complexe dynamiek.’

Een mooie wens en een uitstekende donkere dag om terug dat boek ter hand te nemen van lang geleden.