604635999

Alsof ze al jaren familie zijn geweest van elkaar, zo staan ze daar, deze drie oude inktpotten.

Is het omdat ze uit hetzelfde aqua kleurglas zijn gemaakt, dezelfde luchtbelletjes hebben, een beetje “pokdalig” zoals dat heet in de boeken?
Of heb ik ze steeds in mijn kinderlijk spel samen gezet en als familie behandeld zodat ze het inderdaad ook geworden zijn?

Zoals het oude inktpotten betaamt, is er sinds hun verblijf in mijn levensloop, nooit nog inkt in hun body geweest.
Ik kan me de diepblauwe, bijna zwarte inkt uit de grote schoolfles met het zilveren tuitje in hun aquamarijne lijfjes best voorstellen.
Of de bloedrode waarmee mijn grootvader de documenten omtrent have en goed invulde.
“Vroeger schreven ze dit met bloed, ventje,” knikte hij terwijl hij voorzichtig de vloeiwel over het papier liet schommelen zodat de vurige ambtelijke letters in spiegelschrift tussen hun eerder opgedroogde maatjes het geheimschrift vergrootten.

De drie inktpotten echter bleven leeg.

Als ik me niet lekker voelde mocht ik met ze spelen steeds vergezeld van de overbodige uitroep voorzichtig te zijn want dat ze konden breken (voor wie hielden ze mij?) en dat ze met mijn betovergrootvader uit Sint Petersburg waren meegekomen nadat hij ze van de Amerikaanse ambassadeur cadeau had gekregen.

Dat een ambassadeur lege inktpotten aan een spoorwegingenieur meegeeft is op zichzelf al weinig aannemelijk, maar als kind vermeerderde deze uitspraak de geheimzinnige krachten die de verre tochten deze drie verleenden.
Waarschijnlijk had mijn betovergrootvader ze van een inktkoelie werkzaam bij de administratie van de Amerikaanse ambassade gekregen om een drank- of speelschuld te delgen, zei mijn grootmoeder, maar het volume aan drank dat ze de immigranten toeschreef, maakte de wodka wel heel goedkoop als het verbruik daarvan met enkele lege inktflesjes kon vergoed worden.
En de wilde verhalen over poker en roulette waarbij fortuinen van eigenaar wisselden en levens in de moerassen der vergetelheid verzonken na een duel in het Peterburgse koude ochtendgrijs, stonden in geen enkele verhouding met de waarde van de drie inktpotjes, tenzij ze door de toekomstige tsarina Alexandra Feodorovna zelf geblazen zouden zijn toen ze nog Alice heette en in het wonderland van haar Kopenhaagse jonge jaren een leraar had die haar naast de schriftuur en het schilderen ook het glasblazen had bijgebracht.

Met de inhoud van deze inktpotjes waren spionnenbrieven geschreven, zoveel was zeker, wist de zevenjarige jongen die met lichte koorts een dagje thuis mocht blijven.
Spionnenbrieven die via de Finse golf de oceaan overstaken en in New York bestudeerd werden.
“Berichten uit Sint Petersburg”.
Hij verschoof de inktpotjes, liet ze als scheepjes het dekbed-water bevaren en las aandachtig de talloze nog te ontcijferen boodschappen die uit hun nat waren gepuurd.

Stel dat betopa zelf die spion was geweest.
Hij kende de keizerlijke familie bij naam en toenaam, en als spoorwegingenieur had hij toegang tot plaatsen waar zelfs de ingewijde Russische ziel nog een berg stempels en pasjes voor nodig had.
De inktpotjes hadden speciale inkten geherbergd, inkt die onzichtbaar is en slechts door een speciaal procédé weer kan gelezen worden.

Hij zocht zijn pennenstok in zijn boekentasje, een blad papier waar op de voorkant aap, aal, aas, en aak stond geschreven, doopte de pen in de lege grootste inktpot, dacht na, knikte en begon te schrijven:
“Meneer de president van Amerika”.
Hij schreef een soort steno dat hij alleen kende, spionnenletters dus, zodat hij net zo snel letters als gedachten kon produceren.

“Ik heb het een en ander gezien dat u zeker zal interesseren.”
Hij beschreef de ondergrondse activiteiten van de opstandelingen die zijn grootmoeder met “de roden” aanduidde, wist dat er weldra een grote opstand zou uitbreken en dat hij het best vond de keizerlijke familie zo vlug mogelijk naar New York te laten komen.”

Daarna herlas hij zijn onzichtbare boodschap, vouwde het papier tot een vliegertje -de lagere school ontwikkelt het kinderlijke gevoel voor evenwicht- en liet zich dan op het plat dak zakken om het met een brede zwaai richting buren te gooien.
Er zou net op tijd een windvlaag komen om zijn boodschap veilig naar het Witte Huis te transporteren, dat wist hij terwijl hij de inktpotjes op het nachtkastje zette.

“Dat kind van jullie kan al aardig schrijven, zei de buurman een dag later.
Kijk wat ik tussen de sla vond.”