367_e990730e5e7c3862fd96931e93a4e472

Je zei me dat je nog een lithografie had gekocht naar het werk van Jean Baptiste Greuze, Frans schilder die leefde van 1725-1805. En dat is dit jaar 200 jaar geleden!

Nu ik weer even in Parijs ben liep ik langs Père Lachaise en vond ik tot mijn verbazing na enig kuieren zijn graf.
Laten we dus maar beginnen met het einde.

Hier rust hij.
Met het meest succesvolle werk dat hij maakte als bronzen beeld: de gebroken kruik.
Ook het werk waar naar jouw litho is gemaakt, heeft hetzelfde thema.
Boze tongen beweren wel eens dat het zijn vrouw zou zijn die hem tot dit thema inspireerde want Anne Gabrielle Babuti met wie hij sinds 1759 getrouwd was, kon best als “moeilijk” mens voor scherven zorgen.

Hijzelf was ook geen schaapje.
Toen zijn werk “Keizer Severus die zijn zoon Caracalla verstoot” met een vertraging van acht jaar door de kunstacademie werd geweigerd en hij de titel historisch schilder misliep (hij mocht zich een soort tweederangs-functie aanmeten: genreschilder) was hij zo boos dat hij nooit meer tentoonstelde op de jaarlijkse salons maar dat je zijn werk alleen in zijn Louvre-atelier kon gaan bekijken.

Nu zou je vermoeden dat een dergelijk temperament revolutionaire taferelen zou borstelen. Maar niets is minder waar. Integendeel!
Diderot zei over Greuze:

“ ‘c’est la peinture morale . . le pinceau n’a-t-il pas été assez et trop longtemps consacré à la débauche et au vice? Ne devons-nous pas être satisfait de le voir concourir enfin avec la poésie dramatique à nous toucher, à nous instruire, à nous corriger et à nous inviter à la vertu?’

Dat soort puritanisme dat ook weer in onze dagen opgeld maakt, snijdt natuurlijk langs twee kanten.
De ene kant wil per sé de deugd bij de burger binnenbrengen, maar om dat te kunnen moet je dus ook het leven van die burger schilderen, zijn doen en laten duidelijk maken, en dat was duidelijk een stap verder.
Jean Ehrard, die een tekst schreef voor dit bicentenaire zegt het zo:

“Car Greuze est important, en second lieu, par la visée morale de son art : entendons par là non l’intention directement édifiante qui encombre trop souvent ses toiles, l’ambition, exaltée par Diderot en 1763 devant La Piété filiale, de faire de la morale en peinture, mais la promotion esthétique que son œuvre assure aux valeurs bourgeoises et familiales. Ce n’est pas un hasard si Greuze est le contemporain non seulement de Diderot (« C’est vraiment là mon homme que ce Greuze », proclame encore en 1763 l’inventeur du drame bourgeois), mais aussi de Sedaine et de ce Toussaint dont le livre Les Mœurs fit scandale en 1748, notamment parce que l’auteur s’y étonnait de ce que l’Église romaine canonisât depuis toujours « des squelettes anonymes » plutôt que des pères de famille vertueux…”

Met andere woorden, je voelt het belang toenemen van “de burger”, de Franse revolutie hangt in de lucht.
“Greuze a l’ audace d’ elever la peinture de genre au rang de la grande peinture d’ histoire: c’ est pas encore la Révolution, c ‘est déjà une revolution”

Aldus dezelfde Jean Ehrard.

Maar de kruik is gebroken, en of die scherven geluk hebben gebracht laat ik je in een volgende aflevering zelf bekijken.