een nieuwe opvatting van de schoonheid(3) (390)

504_23d01af9599b22a4ca5128dda39bdda8

Hier zijn we op zee.
Man en vrouw op de voorsteven, in de verte een naderende stad.
Het schilderij van Friedrich dateert van 1818, het jaar dat hij in het huwelijk treedt met Caroline Bommer.
Waarschijnlijk heeft hij hen beiden op dit denkbeeldige schip geschilderd.

Je las de poging van Immanuel Kant om met de rede het belangeloze van de schoonheidservaring te verdedigen.
Het klinkt allemaal een beetje kinderlijk, zeker als met de rede geprobeerd wordt de innerlijke spanning van de Verlichting weer te geven.
Toch zal ook Kant moeten toegeven dat redeloze , niet rationele elementen zijn systeem binnendringen.
Je hebt immers “de pertinente” schoonheid, maar meer en meer wordt ook de “onbestemde” schoonheid duidelijk.
Hogarth probeert in zijn geschriften over de kunst de schoonheid nog vast te knopen aan de arabeske, de kronkellijn, maar het blijven pogingen om de verklaring in het voorwerp of schilderij zelf te zoeken.
De onbestemde schoonheid zal weldra samenvallen met de schoonheid tout court.

In 1801 reist Caspar David Friedrich naar Neubrandenburg en van daaruit komt hij terug in Greifswald, zijn geboorteplaats terecht en maakt hij op het eiland Rügen zijn eerste “Rügenwandeltocht”.
Dit rondzwerven, dit inspiratie opdoen in de natuur zelf zal zich het volgende jaar herhalen, en ook weer in 1806 en in 1818.
Hier ontstaan de schetsen voor zijn latere landschapsschilderijen, en hij maakt er kennis met collega schilder en denker Philipp Otto Runge.

In zijn boek “De geschiedenis van de Schoonheid” beschrijft Umberto Eco de stap naar die “onbestemde” Schoonheid als het Sublieme.
Hier moet de kunstenaar de vormeloze en onbegrensde Natuur erkennen: steile en majestueuze rotspartijen, orkanen, dreigende wolken, het idee van de oneindigheid van de natuur.

We hebben enkele maanden geleden Camilla Paglia aan het woord gelaten.
Haar visie op de natuur staat in schrille tegenstelling met de opvattingen die men in de 18de eeuw huldigde, de natuur als helper om de harmonie te bereiken, het positieve van de Schepping.
“Voor Kant is de rationele uitkomst van de ervaring van het Sublieme de erkenning van het feit dat de menselijke rede”, dankzij de ontdekking van het bestaan van een geestesvermogen dat elke zintuigelijke maat kan overstijgen, onafhankelijk is van de natuur.”
(ibidem blz 267)

Denkers als Hutcheson en Shaftesbury zouden hem daarin voorgaan.

Het leven zelf zou de wrede en duistere Schoonheid ook voor Friedrich voelbaar maken.
En of dan het Sublieme een echo zou zijn van een grote ziel zoals in de eerste eeuw Pseudo-Longinus bewijst, blijft een open vraag.

Maar laten we dan eerst met Otto Runge op reis gaan en een bijna nooit vermeld aspect van de Romantiek onder ogen zien.


een nieuwe opvatting van de schoonheid (2) (389)

113_1f3ecff4cdca75051e2a2a4cc238ef9d

Belangloos genoegen

Immanuel Kant, Kritiek van de oordeelskracht, 1, 1790

“Deze definitie van Schoonheid kan worden afgeleid van de voorgaande definitie, die het schone aanmerkte als voorwerp van belangeloos genoegen.
Het voorwerp waaraan men bewust genoegen ontleent zonder enig belang, kan namelijk uitsluitend op die manier beoordeeld worden.
Het moet een basis bevatten op grond waarvan iedereen er genoegen aan beleeft.
Aangezien dat genoegen niet wortelt in een of andere geneigdheid van het subject (noch stoelt op een ander van tevoren bedacht belang), en aangezien degene die het beoordeelt zich helemaal vrij voelt ten aanzien van het genoegen dat hij aan het voorwerp toeschrijft, kan hij geen privé-omstandigheden aanvoeren die als basis van dit genoegen zouden kunnen dienen.”

Het schilderij is van Carus, wandelaar op bergtop.