uit het reiscarnet (30) (438)

503_286f8e0c4dfd1e70f74784064b7ecd15

Ook hij kijkt om.
De schilder is nauwelijks 44 geworden.
Christofano Alliori (1577-1621), zoon van de schilder Allessandro.
Hij is een uitstekend waarnemer en een verteller.

De jongen kijkt om.
Heeft hij iets van de nekpijn waarmee wij met zijn allen in de maand december worden overspoeld?
Jaaroverzichten, de grootste van 2005, de slimste, de knapste, man, vrouw, kind van het jaar.
Idee van het jaar: Darwins theorie.

Schrikreacties?
Is elk omkijken een gebaar van onzekerheid? Schrik.
Word ik gevolgd?
Heb ik een verleden?

Of is dit geen omkijken, maar gewoon een raken van een andere blik?
Jezelf verlaten.
Geïntrigeerd door de andere.
Wij weten wie hem schilderde en met enig opzoekwerk wie hij was en waar hij leefde.
Hij weet niets van ons.
Had geen vermoeden van wat er met het portret zou gebeuren.
Tussen die twee leegtes, de voorbije en de toekomstige tijd (weer nieuwe overzichten: wensen, vermoedens, plannen, voornemen, voorspellingen) kijkt hij je aan.

Een pasteltekening uit de rand van de zestiende-zeventiende eeuw.
We zijn in Firenze.
Zijn beeld kan ons aankijken.
De kunstenaar liet hem vier, vijf eeuwen verder leven.

Hij vraagt zich niets meer af.
Wij vragen.
Wij kunnen zijn blik niet meer beantwoorden.
Denken we.
Maar we doen het toch.
Waar komt ons antwoord terecht?

Ik citeer mijn grootste troost in deze dagen, Joseph Brodsky, in zijn opstel “Profiel van Clio”

‘Het probleem van de historicus, of hij het zich bewust is of niet, is dat hij balanceert tussen de leegte van twee afgronden: het verleden dat hij overdenkt en de toekomst waarvoor hij het ogenschijnlijk doet.
In zijn geval verdubbelt zich het denkbeeld van het niet-zijn.
Misschien overlappen de leegten elkaar zelfs.
Omdat hij ze niet allebei aankan, tracht hij de eerste tot leven te wekken, want het verleden is als bron van angst om het eigen bestaan per definitie beter beheersbaar dan de toekomst.”

(Joseph Brodsky, Essays, Het verdriet en de rede, De bezige Bij, A’dam 1997)

En nog een andere bron van schoonheid, W.H. Auden dicht:

Clio

Muze van de tijd, zonder wier genadig zwijgen
Alleen de eerste stap zou tellen, en die
Was altijd moord…

Alles gebeurt maar één keer, goede reisgenoot.
En wie zal ons de juiste versie vertellen als de hoofdpersoon van het leven is beroofd?
De geschiedenis is een verhaal van toeschouwers.
Met Brodsky zeg ik dat het verhaal van Kaïn en Abel altijd door Kaïn wordt verteld.
Abel kon hem niet meer tegenspreken.

Als we het nieuws bekijken, beluisteren of lezen, is het goed dit idee niet alleen in het achterhoofd maar duidelijk in ons denkvermogen te integreren.

Toch blijft hij ons aankijken.
De liefde van de schilder voor zijn model overleeft elk jaaroverzicht.

Muze van de tijd, verzwijg zijn woord
Maar zet de volgende stap.
Laat hem zachtjes wakker worden in ons.


uit het reiscarnet (29) (437)

454_76da2e9d055af5848a0993961f55aee4

Canto

Zeg al bij leven wat bij kist en kuil
zo overvloedig wordt gezegd, zoals
dat hij een goed mens was, moeilijk
maar we hebben het niet voor ‘t zeggen
als de deeg ‘in’t moederlijf gebakken wordt
en kraaiend weer de hoop op de planeet vergroot
niet alleen in aantal maar ook als deugd,
de ijdele hoop, spes nec ultra.

Zeg al bij leven wat bij kist en kuil
zo goed gekozen wordt gedebiteerd, zoals
dat hij niet mocht wat anderen mogen
maar we hebben ons lot niet zelf gekozen
als uit die speldeknop een wil en weten wordt
gegenereerd tot mens voor wie de wetten gelden
niet alleen die trage regels van de meerderheid,
maar ook van ‘t vlugge vlees, natura vincit.

Zeg al bij leven wat bij kist en kuil
nog handig wordt verzwegen, zoals
dat menig mens zijn warme bed begeerde
maar dat hij anderen met die gunst vereerde
en dus hel en bliksem uit de godenstal
bij leven en bij welzijn hem bezeerden,
en wederzijds, de verachte tederheid,
de liefde dus, quam dulcis est amor.

Zeg al bij leven dat wij elkanders toevlucht zijn.


De prent is een laat Egyptisch grafbeeldje dat op de mummie werd gehangen.


uit het reiscarnet (28) (436)

941_4bd25e28fb37411fb6435f7d9a544c31

‘Cultuur is immers die vorm van gedrag en die levenshouding, waarbij afspraken regulerend werken, zodat een gemeenschap kan ontstaan.”
(Flip G. Droste, Bij wijze van Spreken, over taal, gedrag en communicatie, Ambo, Baarn, 1977)

Laten we terugkeren naar de communicerende vaten.
De thee staat in de tuit net zo hoog als in de pot, simpel gezegd.
Het vijfde en zesde leerjaar was de tijd van allerlei vaten waar kranen aan vast hingen of op uitkwamen en die met een verschillend debiet die dingen leeg maakten of vulden.

Ik heb wilde fantasieën over al die bakken en vaten gehad: hun vermoedelijke kleur, het uitzicht (in mijn fantasie waren het tonnen of ouderwetse botervaten) en de waanzin van ze leeg te laten lopen en ze tegelijkertijd weer te vullen.
Toen kwamen we aan de communicerende vaten.
De naam vond ik prachtig.
Ze hadden zeker iets te maken met de bruiloft in Kanaän waar Jezus water in wijn veranderde.
Neen, hoor. Communiceren was: in verbinding staan met elkaar zodat hun inhoud op hetzelfde niveau kwam te staan.
Ja, en?
Natuurlijk stond de thee in de tuit net zo hoog als in de pot.
Waar zou hij anders staan?
Waarom moest je zo’n mooie naam aan zo’n stom verschijnsel geven?
Dat gevoel van heiligschennis dat je ook bij hemelwater hebt (bedoeld wordt gewoon water dat uit de lucht komt, regen dus) of bij het woord kubus en veel minder bij afgeknotte piramide, enz. zeker niet bij vierkantswortel (tandarts!)

Of dat nu cultuur was of wetenschap (en so wie so is wetenschap cultuur!) of poëzie met een bult, het hoorde niet thuis in mijn leefwereld.
Mensen communiceerden.
In de kapel of de kerk.
En daarbuiten was er bitter weinig tenzij mond dicht en luisteren, en heb je je huiswerk al gemaakt?
(ik overdrijf, maar iedereen die na de oorlog is geboren en nu bij de “vergrijzing” hoort, weet wat ik bedoel.)

Communicerende vaten hadden op het eerste gezicht niets met ‘levenshouding’ of ‘gedrag’ te maken, maar bij nader toezien leerde je dat er niveau’ s in het denken waren die wel eens door elkaar mochten lopen.
Heilige woorden in de wetenschap, en vice versa want als ik de engel met het vlammend zwaard bij de uitgang van Edens tuin zag staan was ik Star Wars al voor met mijn verbeelde versie van het laserzwaard.

Of ze ook ‘afspraken’ reguleerden zoals prof. Droste schreef, is weer een andere zaak.
Afspraken werden niet gemaakt in onze kindertijd.
Zeker niet door of met kinderen.
Die waren er.
Al lang voor je geboren werd.
Dus te reguleren was er bitter weinig al leerde je daardoor wel de kunst van het zijpaadje en de vaardigheden om te onderhandelen.
Uit bittere noodzaak.

En ontstond er een gemeenschap?
Ook die lag al vast.
Wij hoorden bij die groep en de anderen, jong en oud waren bij die “gemeenschap”, beter gezegd: “stand”.

Elke stand had zijn eigen jargon, voorschriften en regulaties.
In mijn internaat had je compagnieën die namen droegen als ‘de boeren’ en, ‘de kempenaars’,en wij leerden als stadsminderheid (in zo ver je Turnhout een stad kon en kunt noemen) samenleven tegen wil en dank met de Loenhoutse, Brechtse en Sint Lenaartse agrarische afstammelingen.

En dat was nog maar één onderverdeling, want je had nog andere stammen: de voetballers (meerderheid) en de niet-voetballers (zeer kleine minderheid), later aangevuld met die “het” al konden (minderheid) en die deden alsof ze het al jaren deden (overgrote meerderheid, nog steeds).

En dan zwijgen we van de toneelspelers (bewonderde minderheid) en de kijkers (de anderen), de gouden kaarten (zeer grote meerderheid, het is immers 1956-1960) en degenen met slechte noten (de durvers, later meestal schrijvers en cultuurdragers), en ga zo maar door.

Voor de bijna twaalfjarige jongen die zijn “plechtige” communie had gedaan was de wereld één grote wildernis.

Goed, hij wilde op avontuur: latijn leren en dus op internaat, zodat zijn verdeelde wereld minstens al tussen de muren van een bisschoppelijke instelling kwam te liggen waar de het teken van de bel het levensritme aangaf en je dus verplichtte om ontsnappingswegen te zoeken en hoe dan ook met de halve wereld van toekomstige priester-kandidaten en goddeloze ingenieurs te leren omgaan.
Mogelijkheden om in een fanfare mee te spelen, in koren te zingen, toneel uit te voeren, voor te dragen, opstellen te schrijven, en muziekesthetica te volgen, het had niets met wat wij nu met cultuur noemen te maken.
Gelukkig.
Het waren telkens ontsnappingsmogelijkheden uit de harde wereld van 600 bij elkaar gezette kinderen en jongeren die weldra zouden betoverd worden door de magische uitdrukking “economische expansie” nog voor het bedrijfsgerichte onderwijs in de wenskorf kon liggen.

Maar voorlopig gingen ze elke morgen naar de mis, zondags twee keer, en lof op de feestdagen zodat ze in enkele jaren genoeg godsdienst bij elkaar hadden gespaard om met de intrest een leven lang verder te kunnen.

De communie bleef nog steeds dat geheimzinnige mengen van het goddelijke met het het jongetjeshart dat intussen in een woelige puberziel was veranderd.
Maar je ging naar de marmeren groen en zwart gevlamde communiebank waarover het nonnentjesstijf linnen hing en terwijl je je tong uitstak knipoogde je vriendje die de zilveren pateen droeg, en je wist dat de rode pinkstergewaden alles met de menselijke liefde hadden te maken.

Montherlant leefde toen nog.
Zijn wereld is met hem ondergedoken, maar de intensiteit van zijn beelden zullen ons telkens weer opbreken zoals een spookschip dat nooit zinkt maar zonder bemanning door de golven scheurt.
Het teken van de bel.
Wij op ons groot schip op de golven van de Kempense velden, zeshonderd toekomstige bejaarden in zijn ruim, onzichtbaar voor de wereld, maar des te meer voor elkaar.

Wees zacht voor die jongenstijd, hemel hem niet op, maar verketter hem ook niet, want het andere paradijs is hemelhoog.

De prent is van de jonge Spaanse kunstenaar Miquel Barcelo en werd in opdracht van het Louvre gemaakt.
Ze werd daar in 2004 tentoongesteld.
Het is één van de prenten die de goddelijke komedie van Dante illustreert.
Hier “Le Paradis”.


uit het reiscarnet (27) (435)

413_1b3cb56084b41559c1bc5a8e71d6f56a

Op reis

Nog altijd te paard, godin,
op reis naar Griekse kusten of het Egyptisch vasteland,
is dit mijn offer voor mijn langste tocht.

Je bracht me meermaals veilig thuis.

Nu zijn de zilveren hemeltekens tevergeefs
in tranen veranderd want van deze tocht
kwam niemand terug. Ik heb de tijd verlaten.

Sterveling,
kijk naar dit beeldje en hoor het getrappel
van de jouw gegeven dagen als muziek.

(Ruiter,
grafbeeldje uit de Cyprisch-geometrische periode, VIIIste eeuw voor JC


)

uit het reiscarnet (26) (434)

728_dccd783c569ceb742730df14500930e1

Communiceren was in mijn kindertijd iets heiligs.
Als zesjarig jongetje werd je onderricht in het wezen van deze verbinding: god kwam in je hart wonen.
Wie god was en wat je van zo’n woonplaats in het hart moest voorstellen, maakte niet uit.
Het begon trouwens met schuldgevoelens:

“Jezuke liefste vriend, waar heb ik het toch verdiend,
dat jij in mijn hartje komt wonen, jij die in de hemel moet tronen.

Veel soeps zou het dus in dat hartje van mij niet zijn, en een zekere graad van verdwazing moest dan de liefde van god voorstellen die hoe dan ook zijn troon inruilde voor een plaats in zo’n zesjarig hartje.

Maar dat zijn bedenkingen achteraf, dus op dat moment niet ter zake. Vals zelfs.
De eerste communie was een zonovergoten kapel van de broedersschool waar je een aantal keren naar toe werd geleid om je voor te bereiden op zo’n spectaculaire komst.
Voor kinderen van zes kan Jezus best een plaats in je hart krijgen.
Naast Donald Duck en de zijn neefjes.
Het was de geur van die kapel, en vooral ook: de leegte.
Als wij er kwamen, vulden we slechts enkele rijen vooraan, en de rest bleef leeg.
Er waren nog geen geluidsversterkingen, dus de priester die ons voorbereidde had al dadelijk een streepje voor want hij sprak heilig. Met galmende stem.

Wat hij zei weet ik al lang niet meer, wel dat god overal was, en dat was hoe dan ook geen frisse gedachte want zelfs als kind van zes wil je best wel eens iets doen waar dat goddelijke oog niet was gewenst.
Maar daarvoor mocht je dan de eerste keer te biechten gaan.
Achter het altaar.
Er zat een man met een lint rond zijn hals en die verborg verder zijn gezicht achter een soort doorzeefd houten staketsel waarvoor een bankje was geplaatst waarop het zondige kind kon knielen.

Ook dat maakte weinig indruk.
Je speelde mee want er kwam een dag vol verrassingen en cadeautjes aan, en daarvoor mocht best wat pijn geleden worden.

Het orgel.
Het was een van de eerste keren dat ik een groter orgel hoorde.
Tante Begijn had een harmonium en in de huiskapel werd nooit gezongen, laat staan georgeld.

Nu hoorde ik het grollen van de diepe tonen, de flageoletten van de fijn gebekte registers en vooral de afwisseling waarin hevig gedonder plotseling in zacht gemurmel kon overgaan terwijl de lentezon door het art nouveau-achtige glas van de broederskapel de ruimte volkladde met abstracten.
Hier ontstond mijn vroege communio met het wonder van de woordeloze taal.
Ze werd onmiddellijk met kleuren en doorzichtigheid geassocieerd: houten banken, rode knielkussentjes, vlekken rood en blauw met fijnzinnig geel op de zwarte tegels en de stemmetjes die Jezuke beste vriend begonnen te zingen.

Ik vergeet de geur.
Zeep, wierook en boenwas.
Dat waren de geuren van heiligheid waarin een jongetje in een wit matrozenpakje naar het altaar ging om dat kleverig stukje hostie op zijn tong te voelen, een wat vreemde weg om in je hartje te geraken, vond hij toen al.

De geuren, het orgel, de kleuren, het nieuwe matrozenpak, de witte schoenen, lente en nooit regende het als je zes was.
Een ware communio waarbij het hedendaagse “communiceren” van politici bijvoorbeeld maar een schraal beestje is.


uit het reiscarnet (25) (433)

728_9da076337a3d8465a88e6e89700b0f03

Hoe was het dan wel, vroeg de os.
Het Kind zette zich op de rand van de voorverwarmde kribbe.
Het plan was dat jullie vandaag nog hemels zouden worden, maar dat gaat niet door.
Hemels, vroeg de ezel.
Ja. Hemels.
Zelfs een os en een ezel?
In de hemel maakt het niks uit welke levensvorm je vertegenwoordigt.
Het Kind sprong bevallig op de grond van de stal.
Maar waarom is dat dan niet doorgegaan?
Uit de herberg steeg gebrul en gezang.
Een kerstman kwam buiten braken.
‘t Waren de engelen, zei de ezel die zich altijd slimmer wilde voordoen. De engelen hebben een verkeerde boodschap gebracht.
Er is niets mis met die engelen, antwoordde het Kind. In jullie begrippen is er deze nacht inderdaad een kind geboren, en als jullie aan koningen willen vasthouden, noem me dan gerust een nieuwe koning, maar ‘t had net zo goed een prins mogen zijn of een schoorsteenveger.
‘t Is toch een mooi idee, dat goddelijke Kind dat mens wordt, zei de os voorzichtig.
Voilà, zei het Kind terwijl het de os op zijn flank klopte. Het was een mooi idee, en mijn pa kan niets weigeren als de mensen aandringen.

In de herberg trakteerde de burgemeester.
Het Kind zette zich op de ezel en begroette denkbeeldige toeschouwers die met palmen langs de weg stonden.

Beweer jij nu dat we met zijn allen de aardkloot mochten verlaten om…
Je begint het te begrijpen, waarde os. Dat was het heilsplan. Kerstmis mocht op aarde beginnen om in de hemelse sferen te eindigen, inderdaad.
Maar wat is er dan mis gegaan, wilde de ezel weten.
Zien jullie daar die rots?
De os en de ezel zagen de rots.
Voor we aan het plan begonnen, wilde mijn vader even peilen hoe het zou ontvangen worden, dus stuurde hij Gabriel om een beetje marktonderzoek te doen, en dat was fout. Onze pa ziet de aardse schepsels veel te graag.
Hij liet zich van de ezel glijden en klom weer op de kribbe.
De eerste die Gabriel ontmoette was zo’n ventje van een jaar of tien,op die rots daar, een zekere Petrus, ‘t zoontje van een vishandelaar.
De os en de ezel schudden vertwijfeld hun hoofden.
Vis! Ze mochten er niet aan denken.
Gabriel begint het kind te vragen wat hij ervan zou denken als God op de aarde zou komen en de hele reutemeteut mee naar zijn hemelse paleizen zou meepakken, kwestie van een beetje gezelschap want engelen zijn nu eenmaal niet de vrolijkste soort.
Enfin, het kind kijkt hem aan en zegt dan:
Waardeloos, goede postbode. De mensen zijn niet voor de hemel gemaakt, daar zijn ze te sadistisch voor.
De os en de ezel knikten goedkeurend.
Als die hemelse vader nu eens zijn zoon op aarde achterlaat en hem mens laat worden, dan hebben de mensen tijd om zich te bekeren, om naar zijn woord te luisteren, om zich een beetje op dat hemelse gedoe voor te bereiden.
Maar dat visventje is getikt, zei de ezel.
Driedubbel getikt! viel de os hem bij.
Het Kind knikte.
Maar ‘t was te laat, Gabriel zat al bij mijn Vader en die vond het voorstel van dat jonge visboertje wel fijntjes. Sinds de appel in het paradijs had hij iets melancholisch, die pa van mij.

Dus we blijven met zijn allen op aarde, vroeg de os.
Voorlopig wel, ja. En volgens mijn Vader zal dat wel meevallen want de mensen zijn hongerig naar het goede. En stel je voor wat een indruk het zal maken dat Gods zoon een mens wordt!

Uit de herberg steeg luid gejoel.
Josef en Maria kwamen aangelopen.
In je kribbe en ogen dicht, de koningen zijn in aantocht , riepen ze.


uit het reiscarnet (24) (432)

690_951eaaa42f4c3137d4f20814aaf02082

ZACHT MEMENTO

De tochten door het hoofd zijn soms te snel
en dan te traag, en altijd dwingend. Ongevraagd.
Daar waar het duister is en dan weer veel te licht,
en overal zijn schimmen, en elk idee belaagd
met overmoed of wouden in het donkere ijs.

Niemand kan er binnen, en wie betaalt de prijs
als iemand werkelijk wil beminnen? Elk seizoen
is grijs, en elk begin is al begonnen, en elk woord
een zeis, en wie ben ik, wie heeft mij verzonnen?

Nu zijn de dalen weer geslecht, en met het licht
van deze dagen zie je mij zoals ik ben, een ver-gezicht
ontdaan van zwarte vragen, dus heel nabij zoals
moeders eeuwenlang hun kinderen dragen.

Eindelijk vrij.

Voor P.V. met diep respect voor zijn lange weg en zijn zelf gekozen aankomst.

(Het schilderij is een van Rembrandt’s zeldzame landschappen uit 1638, Landschap met stenen brug.)


uit het reiscarnet (23) (431)

847_80e0d82cb96782ef6428c22fa890007d

Beste Reismaat,

In de 18de eeuw was één van de esthetische problemen het verzoenen van de nieuwe onafhankelijke mens met het klassieke ideaal.

Dat lijkt een kunstmatig probleem, maar het is tot op de dag van vandaag blijven doorwerken alsof er geen keuzes zijn, het is ofwel de utopie ofwel het nihilisme.

Ik kan goed begrijpen dat na het existentialisme de uitdoving van de grote verhalen als nieuw idioom werd voorgesteld: de grote verhalen zijn uitverteld, we zullen het moeten doen met wat ons overkomt en het contrat social van de heer Rousseau kan weer naar de oppervlakte worden gehaald.

Daar is op zichzelf niets mis mee, het is een belangrijk document gebleken, de emancipering van ons allen dienend, maar de stelling die ermee gepaard ging en in zijn Emile zijn volle uitbloei mocht beleven, drong tot diep in de historische bodem van de Europese ziel en werd door de Victorianen nog eens beklemtoond: de mens is goed, het is zijn milieu dat hem slecht maakt, om het al te eenvoudig uit te drukken.

In zijn mooi geschreven bekentenissen trekt Rousseau al dadelijk van leer.
Hij is dan 44 en bevestigt dat hij niet als de anderen is, en wie over hem wil oordelen moet zich maar door zijn bekentenissen ploegen (een prachtige vertaling van Leon Maris, verscheen bij Arbeiderspers, A’dam-Antwerpen, 1996)

“Eeuwig Wezen, verzamel de onmetelijke menigte van mijn medemensen om mij heen.
Laat ze mijn bekentenissen horen, laat ze jammeren om mijn schanddaden, laat ze zich schamen voor mijn zwakheden.
Laat ieder van hen op zijn beurt met dezelfde oprechtheid aan de voet van Uw troon zijn hart blootleggen en laat dan iemand zeggen, als hij durft: “Ik was beter dan deze mens.”
(O.C. pagina 13)

Ziezo, wie daar van terug heeft mag zich aanmelden.
Deze zoon van een klokkenmaker mag met een zekere fierheid zijn stem verheffen want hij is bij het verschijnen van het eerste deel van zijn Bekentenissen in 1766 al een bekend Frans auteur…in Engelse ballingschap.

Bekend is hij, en berucht, want tussen zijn geschriften en zijn vele liefdes breekt hij met Diderot en zijn vrienden (hij schreef bijdrage over muziek voor de Encyclopedie), publiceert hij Emile en Du Contrat social.
Emile wordt in beslag genomen, door de Sorbonne en het parlement veroordeeld en in Parijs verbrand.
Ook in Geneve komt zijn werk op de brandstapel en zowel in Parijs als in Geneve lopen arrestatiebevelen tegen hem.

Hij wordt door de plaatselijke bevolking uit Môtiers verjaagd, vindt op het Peterinsel in het Bielermeer een toevlucht vanwaar hij door de stad Bern wordt verdreven.
Op uitnodiging van Hume vlucht hij naar Engeland, maar ook met deze filosoof geraakt hij al vlug in onmin.
In Wootton komt dan het eerste deel van zijn Bekentenissen tot stand.

Frankrijk is als grote verliezer uit de zevenjarige oorlog gekomen, en Pruisen als winnaar.
Pas na zijn dood in 1778 worden de Bekentenissen in Frankrijk gepubliceerd.

Over de laatste twaalf jaar van zijn leven vinden we niets in de Bekentenissen terug.
Wel probeert hij zich te rechtvaardigen in “Overpeinzingen van een eenzame wandelaar” en sommigen noemen dit geschrift het derde deel van zijn Bekentenissen.

In feite waren die Bekentenissen het eerste van de honderden ego-documenten die tot op de dag van vandaag de literatuur zouden bevolken.
Zijn Du Contrat social kwam in 1948 in de Universele Verklaring van de Rechten van de mens, en zijn andere geschriften hebben op bos berg en beek, kortom “de natuur” een duidelijk zorgend licht geworpen.

Hij schrijft over zichzelf met niets ontziende eerlijkheid, maar ook met pathos en veel zelfmedelijden.

“Ik voelde voordat ik dacht. Dat geldt voor iedereen maar voor mij nog meer dan voor de rest van de mensheid.
Ik weet niet wat ik tot mijn vijfde, zesde jaar heb gedaan.
Ik weet niet hoe ik heb leren lezen. Ik herinner me alleen de eerste boeken die ik las en de uitwerking die ze op mij hadden.
Vanaf die tijd ben ik me ononderbroken van mezelf bewust geweest.”
(ibidem pagina 16)

Ik stuur je het beeld van de verlaten Psyche van Pajou mee.
Ze is in feite de mengeling van dat klassieke ideaal en de mens die zich onderscheidt van alle anderen, eenzaam dus.
De gladheid van de droom tegen de vertwijfeling verlaten te worden.

Ononderbroken van jezelf bewust.
Ook geen pretje!

“Had ik eerst kunnen wachten en daarna in al hun schoonheid de dingen kunnen weergeven zoals ze zich in mijn geest aftekenden, dan zouden weinig schrijvers mij hebben overtroffen.”
(ibidem, 131)

Het mooie aan zijn werk is juist dat hij niet heeft gewacht en zich toonde zoals hij werkelijk was of dacht te zijn.
Pretentieus en kwetsbaar.
Zoals wij allen.


uit het reiscarnet (22) (430)

171_96a281a5e5fcf3fa01abd28d400f2400

Overgang

Op je schouders kantelde de nacht naar ‘t vroege licht,
je lag op je buik, je sliep en liep in ‘ t andere land,
ik aan de overkant, keek, vergeet nooit meer je gezicht;
je wierp het anker uit en zocht ontwakend naar mijn hand.

Nu in je ogen een streepje zon, je knijpt ze dicht.
Geen woord. Geheime tekens op de kamerwand.
ik ben overmand, fluister je, wij zijn zonder gewicht,
Geen boven en geen onder, eindelijk gestrand.

Heel ver weg zingen merels, het eerste spoedbericht
waarmee geliefden verworden tot elkanders emigrant.
en ik verpand aan de herinnering dit tedere evenwicht
Machteloos wordt de dichter een stamelend recitant.

(Het beeld is van Augustin Pajou: de dichter (Anacreon) plukt een veer uit de vleugels van eros.)


uit het reiscarnet (21) (429)

139_2ff4f69a334140cbc6a81e447b65e197

Beste Reisgezel,

Waarom de periode tussen 1750 en 1815 me zo aanspreekt?
In de evolutie van het menselijke denken is ze wellicht de basis voor de 20ste en 21ste eeuw.

Wij denken dat periodes in de geschiedenis een begin en een einde hebben, een bloei en een verval.
Dat zijn biologische termen die je zelfs in de biologie niet kunt los zien van elkaars tegengestelde: elke bloei houdt het verval in zich en elk verval is de kern van een andere bloei.

Ik denk dat we niet te veel lijnen in de geschiedenis moeten afronden.
Wellicht lopen ze verder, vermommen ze zich in nieuwe kleren maar is de hartklop onder het flanelletje dezelfde als onder de laken kiel.

Nog maar net is de koning onthoofd of de revolutie onthoofdt zichzelf.
De grote waarden van de Franse revolutie zijn niet eens aan haar te danken: zij was de exponent van allerlei gistingen die zich condenseerden en onder Napoleon en de Restauratie weer onderdoken om dan in de jaren 1848 weer op te duiken terwijl de grote Rijken zich vormden en in 1872 met elkaar slaags geraakten en daarmee de kern legden voor de eerste en wellicht de tweede wereldoorlog, maar tegelijkertijd de pijnlijke geboorte waren van iets wat wij nu Europa noemen.

Politiek-Economische processen bestuderen wij als entiteiten terwijl ze een weefsel zijn met vertakkingen niet alleen naar allerlei sectoren, maar ook met wijd uitlopende wortelstokken naar het verleden en de toekomst.

Foucault beschouwt de Sade als de grondlegger van de literatuur die van god is losgekomen, terwijl wetenschappelijke ontdekkingen uit de 17de eeuw dit loskomen van de religieuze mythes en machten al hadden achterhaald, welke banbliksems ook over de arme wetenschappelijke geesten werden uitgestort.

Ik denk dat de wetenschap en haar vindingen en bevindingen ons allerlei apparatuur verschaft waarbij ons denken rijkelijk achterop komt gehinkeld.

Copernicus en Newton, de Encyclopedie en de industriële revolutie liepen met hun axioma’ s ver vooruit op de geesten van allerlei komaf.
De reizigers in de treinen die weldra Europa zouden doorkruisen waren in hun hoofd nog niet aan de stoommachine toe, maar geloofden nog net zoals hun voorouders in een goddelijke bestemming, aan Victoriaanse spookverhalen, in een missionerende rol, aan een primitieve staatsidee over een eiland dat de wereld overheerst, en ga zo maar door.

Je kunt het tekort aan ontwikkeling inroepen, maar ook nu terwijl ieder kind vanaf prille leeftijd tot studeren wordt aangespoord lopen computers, kwantummechanica en chemische oorlogvoering ver vooruit op de totaal voorbijgestreefde opleidingsvormen waaraan onze scholen en universiteiten lijden.

De gevolgen laten zich raden: de spanning tussen onze technische omgeving en de beperkte filosofische mogelijkheden die we hebben verworven zorgen ervoor dat spoken en monsters nog steeds hun kop opsteken in diezelfde hoofden die voor de rest in de digitale wereld verblijven, stroom of geen stroom, nul of geen nul.

Daardoor is het mogelijk dat zogenaamde creationisten ook in Europa terrein winnen, dat fundamentalistische visies uit de vijftiger jaren zich weer reppen als het over emotie, erotiek en seks gaat, dat de frustratiedrempel van de verwende Westerse mens steeds lager wordt en hulpbehoevender en wij met zoveel communicatiemogelijkheden niet eens meer met elkaar ideeën kunnen uitwisselen die in ons leven of die we uit eigen ervaring hebben opgedaan en die we willen toetsen met anderen.

Daarom stuur ik je dit mooie doek mee van onze gisteren besproken Adelaide.
Dit prachtige werk zit vol contradicties.
Het is met een helderheid en acuresse geschilderd die ik bij geen enkele man uit dat tijdperk heb aangetroffen.
Een schilder(es) borstelt hier het portret van een beeldhouwer, namelijk de toen vermaarde Augustin Pajou, hier druk bezig met zijn zelfportret uit de klei te trekken.

Deze man, later vermaard om zijn mooie naakte vrouwenfiguren en grafmonumenten was tijdens de revolutie belast met het bewaren van de klassieke schatten.
Hij vond Parijs daarvoor nogal gevaarlijk en week uit naar Montpellier om daarna weer zijn rol als vaderlands vereeuwiger op te nemen.

Adelaide schildert een mens, geen held of genie.
Hij heeft de mouwen opgestroopt en kijkt met frisse blik naar de buitenwereld terwijl zekerheid en kunde uit zijn werk en verschijning stralen.

De blikken van de beeldhouwer en zijn kleien model kruisen elkaar zonder elkaar te raken.
Het zijn andere werelden.
Maar de beeldhouwer is duidelijk een man, een man zoals alleen vrouwen die kunnen waarnemen, zelfzeker en een beetje protserig is hij, spontaan en toch op zijn mooie kleren gesteld, hij heeft het voor vrouwen zoveel is duidelijk.

Waar zijn al die namen van die schilderende vrouwen gebleven?
Ik heb ze proberen te verzamelen in mijn collectie, en zal in hun illuster gezelschap proberen te ontdekken waarom ze in bijna geen enkele kunsthistorische uitgave verschijnen terwijl hun werk vaak veel boeiender en waardevoller is dan dat van hun mannelijke strebers.

Eén van de oorzaken is zeker dat zij de intuïtie bezitten.
Zij voor-voelen en bekijken de wereld met hun eigen vorsende blik die veel dieper gaat dan de rechtlijnigheid van de mannelijke ziel.

Madame Curie was en wetenschapper en vrouw, en het is niet toevallig dat de kwantummechanica in feite beroep doet op de intuïtie, en daardoor juist zo gewantrouwd wordt door de edele heren van de schepping.

En laten we het vooral niet over mannenhaat of misprijzen hebben, want in die feministische val zitten we nog altijd geklemd, en in dat vreemde verbond tussen deze zogenaamde voorvechtsters en de fundamentalisten, een verbond waaruit de jacht op allerlei andersoortige medemensen begon, vooral op het gebied van de seksualiteit., propageren wij de angst en het wantrouwen.

Deze vrouw heeft haar model graag, zet hem daar neer in zijn kunde en hulpeloosheid.
En dat liefhebben van elkaar is de enige weg om wederzijds begrip op te brengen want elke stellingoorlog leidt tot diepe beschadigingen van wat wij zo hip het sociale weefsel noemen.


uit het reiscarnet (20) (428)

176_bf408c6b01f71f080d91b5f34449c69f

Beste Reisgezel,

Ze was de jongste van acht kinderen. Van de acht overleefden er slechts drie.
Haar ouders hadden een Parijse zaak “in garen en band” (iets wat in het Engels zo mooi haberdasher wordt genoemd).

Haar naam: Adelaide Labille-Guiard. (1749-1803)
Ze was een temperamentvolle vrouw en toonde al heel vlug haar teken- en schildertalent.
Dichtbij de modezaak immers was de winkel van miniaturist François Elie Vincent, en die bracht haar waarschijnlijk technieken en kleurenstudie bij.

Ze maakte levendige portretten, trouwde met de verkeerde (Guiard, wiens naam ze in haar naam bleef behouden!), en moest optornen tegen haar jongere vrouwelijke concurrente, Elisabeth-Louise Vigée Le Brun.

Toch werd ze toegelaten tot de Academie Royale en kreeg zelfs de titel “Peintre des mesdames”, (raar genoeg werd geen vrouw ooit ‘peintre du roi’) met daarbij een koninklijke gage en een appartement in het Louvre. (op dezelfde dag als haar concurrente Vigé Lebrun)

(Natuurlijk gingen er geruchten dat ze hulp had gekregen van haar leraar, haar latere man. Mannen zijn nu eenmaal bang van begaafde vrouwen.)

Dat appartement kreeg ze niet onmiddellijk want “men” was bang dat de aanwezigheid van vrouwen in de donkere gangen van het Louvre tot schandalige praktijken zou leiden!
De schilder David had al eerder naar zijn artistieke kop gekregen omdat hij vrouwen had toegelaten om het werk van zijn leerlingen te bekijken.
Pas in 1795 kreeg ze haar appartement en een schadeloosstelling van 1000 pond.

Ze leerde verfijnde miniatuurportretten maken, en studeerde olieverf-schilderen bij François André Vincent , de oudste zoon van de man bij wie ze als jong meisje het vak had geleerd, en die ze in 1800 trouwde.
Zijzelf werd een belangrijke lerares voor vrouwelijke kandidaat-schilders.

Ze steunde de Franse revolutie, schilderde portretten van verschillende deputé’ s.
Helaas moest ze een werk waaraan ze zo’n twee en een half jaar had gewerkt vernietigen omdat het nog te veel naar de koninklijke dagen van weleer verwees.
Met dat werk wilde ze peintre d’ histoire worden, maar haar droom ging in rook op.
De revolutie eet steeds haar eigen kinderen op.

Ik stuur je dit mooie portret van Madame de Genlis (1790).
In mijn collectie eer ik het werk van deze moedige vrouw ten zeerste, en dat vooral door zijn grote kwaliteit en haar bekommernis om andere vrouwen de kans te geven zich artistiek te ontplooien.

Deze vrouw , Félicité du Crest de Saint Aubin (1746-1831) echtgenote van graaf de Genlis was in Parijse kringen bekend als begaafde muzikante, briljante conversionaliste, schrijfster en opvoedster van aristocratische kinderen.

Haar pa was zijn fortuin kwijtgeraakt toen ze nog erg jong was en zo moest ze voor haar eigen opvoeding instaan.
Ze kwam via allerlei hoofse omwegen in die hoofse kringen terecht waar men haar artistieke talenten op prijs stelde en werd de minnares van de hertog de Chartres maar ook een goede vriend van zijn vrouw die ze als “dame d’honneur” bijstond.

In 1777 trok Madame de Genlis zich uit de hoofse kringen terug om haar drie dochters op te voeden in het Convent de Bellechasse, samen met de dochters van de hertog van Orléans, en met Pamela, die uit haar liaison met de hertog was geboren.
Later nam ze ook de opvoeding op zich van zijn drie zonen, waarbij de hertog van Valois hoorde, de latere koning Louis Philippe.

Het was in die tijd erg ongewoon dat een vrouw voor de opvoeding van mannelijke aristocratische afstammelingen instond.
Ze schreef haar ervaringen op in een boek: “Leçons d’ une gouvernante”.

Tijdens de revolutie legde ze haar titels af en werd ze “la citoyenne Brûlart”, maar haar contacten met het hof maakten haar verdacht zodat ze naar Engeland uitweek.
Onder Napoleon keerde ze terug, echter zonder inkomsten zodat ze van de verdiensten van haar schriftuur moest leven.
Ze stierf kort voor haar vroegere leerling Louis Philippe op de troon kwam.

Twee vrouwen.
De schilder en haar portret.
Twee merkwaardige persoonlijkheden in een merkwaardige tijd.

Laten wij het vrouwelijke in ons koesteren, want de toekomst zal zeker vrouwelijk zijn.
Gode zij dank.


uit het reiscarnet (19) (427)

127_a3be84fd9e007ea42cb6f2d6921d205a

Beste tochtgenoot,

In het land waaruit we vertrokken zijn, heeft men (terecht) de koppige Damiaan gekozen tot grootste ooit, om een modewoord te gebruiken.

Wij kunnen alleen met afschuw ons het lot van de melaatsen voorstellen, samengedreven in Molokaï, overgelaten aan hun lot.
Dat ook de Kerk niet zo vriendelijk was voor Damiaan blijkt uit de briefwisseling.

We zuchten diep, zetten (terecht) een hoge borst op over onze sociale en medische vangnetten en geven nu en dan gul als de mondiale medemens overspoeld of dooreengeschud wordt, zelfs voor onze eigen lijders aan kanker zijn we mild en menig initiatief geeft de zorgende en wetenschappelijk geschoolde meer kansen.

Drama voor Belgische boeren zul je in de Standaard van 19 december lezen, want al zijn we getroffen door de Afrikaanse uitgemergelden, wij willen onze eigen producten hoe dan ook gesubsidieerd zien, en de ontwikkelingsmarkten verder in de woestijn achterlaten.
Het klinkt te simplistisch maar het duidt onze schizofrenie aan, en het verband tussen kapitalisme en schizofrenie werd al uitvoerig geschetst in het magistrale werk van Gilles Deleuze.

Dat wij in dit welvaartsland onze eigen melaatsenkolonies hebben en hun problemen voor ons uit blijven duwen, moge duidelijk zijn in de vergeetputten van Merksplas strafkolonie, de overbevolkte Brusselse huizen van detentie, de middeleeuwse sfeer en gebruiken in de andere penitentiaire instellingen.

Er werken inderdaad tal van Damianen in deze oorden dikwijls tegen beter weten in, op allerlei echelons, vaak met een schrijnend tekort aan middelen, en er verschijnt een paar keer per vijf jaar een aantal artikelen in de vaderlandse pers dat het dringend anders moet en dat we met dit land nog maar eens door Europa zijn veroordeeld wegens schrijnende toestanden, maar er gebeurt vrijwel niets, of in elk geval belachelijk weinig.

Uitvoeringsbesluiten blijven liggen, want deze 8000 en meer mensen zijn nu eenmaal geen kiesvee en het rechtvaardige volk vindt dat die daar achter muren en tralies niet te veel van hun tak moeten maken.
Eigen schuld, dikke bult.

Voor de bewoners van deze melaatsenkolonies komen er vreselijke dagen aan.
Kerstmis en Nieuwjaar.
Terwijl de wereld overloopt van lichtjes en muziekjes, van huiselijkheid en herdertjes die van goede wille zijn, is het leven in een ruimte van 2m x 4m vaak door meer dan één bewoner gedeeld niet dadelijk susanina.

Ik dacht dat het kindje misschien in een cel kon geboren worden omdat de hotels vol waren, maar helaas, het zal in een andere stal moeten gebeuren (een gesubsidieerde?) want ook daar is geen plaats meer.

Op oudejaarsavond beginnen de klopsignalen op muren en ramen vanaf 23u.
Een eentonig gehamer dat tot in het nieuwe jaar doordreunt.

Gelukkig dat Klara weldra een dag en nacht eine grosse Nachtmusik zal uitzenden, dag en nacht Mozart. Zouden ze hem zo haten om hem dit aan te doen?

En voor de hedendaagse melaatsenkolonies wordt het weer eens wachten tot er ongelukken gebeuren, ik bedoel dan “zichtbare” ongelukken want het drama van elke dag gaat er onverstoord zijn gangen.

Ze moeten niet klagen, een radio krijg je en met een beetje geld kun je er dag en nacht televisie kijken.

Dag en Nacht kerst- en nieuwjaarsprogramma’s als alternatieve straf.

Het bijgevoegde werk is van de jonge Russische kunstenaar Vadim Voinov (2002)


uit het reiscarnet (18) (426)

056_9f9bbfe47a1106401f7d9ec816a49589

Waarde reisgenoot,

Een meerderheid of minderheid heeft niets met aantallen te maken.
Nog een lievelingsfilosoof, Gilles Deleuze, zegt het heel treffend:

“Les minorités et les majorités ne se distinguent pas par le nombre.
Une minorité peut être plus nombreuse qu’une majorité.
Ce qui définit la majorité, c’est un modèle auquel il faut être conforme : par exemple l’Européen moyen adulte mâle habitant des villes… Tandis qu’une minorité n’a pas de modèle, c’est un devenir, un processus.”
(entretien avec Toni Negri, 1990)

Een majorité is NIEMAND, een minderheid is altijd in staat van wording, is volop toekomst, is IEMAND.

Wij zijn allen minderheden.
Natuurlijk proberen minderheden een meerderheid te worden: politieke macht, vestiging, overleven.

Daardoor erkennen veel mensen die staat van minderheid te zijn niet meer, eens ze zich voor een bepaald model of patroon hebben geëngageerd.
Minderheden en meerderheden kunnen best samenleven, maar het zal steeds vanuit de minderheid zijn dat een maatschappij nieuwe impulsen krijgt, dat onbekende wegen worden verkend.
Een meerderheid schept alleen maar reglementen, bevestigt een status quo.

Het modewoord “normvervaging” heeft daardoor ook geen enkele betekenis tenzij een erg positieve.
Want over welke “normen” zou het dan wel moeten gaan, welke gevaren bestaan er als minderheden telkens weer op zoek (moeten) gaan naar andere wegen.
In een fascistische samenleving vervagen ze nooit.
Wees gelukkig dat ze vervagen als deze vervaging dan maar gedragen wordt door creatieve mensen die vanuit de ervaring en de omgeving op meer menselijke mogelijkheden tot samenleving proberen te maken.
Het fabuleren of zich voor utopische doelen inzetten heeft meestal een negatief effect tenzij deze pogingen geënt zijn om dat te creëerden wat het volk mist. (Bergson)

Het geloof in heksen en hun negatieve invloed op de maatschappij was, gezien vanuit de tijd waarin het optrad, geen absurde verschijning.
Het was gewoon een tekort aan visie, aan inzichten en een teveel aan (pseudo) religieuze fabulaties.

Als kind heb ik de heilige man werkelijk op het dak zien staan, vergezeld van zijn paard.
En als kind was dat voor mij een werkelijkheid.
Maar je kunt die erkenning niet doorvoeren op een maatschappij die enkele stappen verder is en het wondere kan kaderen in diverse wetmatigheden zonder daarom de pretentie te hebben alles te weten.

Toch handelen wij in regressieve tijden telkens weer als het jongetje dat de heilige man op het dak heeft gezien.
Het stimuleren van wetenschappelijk onderzoek en de nodige durf zouden hier ook voor een ware “verlichting” kunnen zorgen.

Ik geloof ook dat de mens werkelijk kan behekst worden als hij/zij daar het nodige geloof voor opbrengt al dan niet geholpen door een al dan niet hardhandig duwtje in de rug.
Een onderbewustzijn is geen papa-mama spelletjes zegt Deleuze terecht, het steunt op stam, verwantschap, aard, het is een genetisch medebepaald fenomeen, een terrein waarop nog heel wat wetenschappelijk onderzoek nodig zal zijn om bepaalde Freudiaanse en andere psychoanalytische fabels uit de hedendaagse psychiatrie te verbannen, ook al kosten zij de stigmatisering van duizenden mensen in dit “moderne” Europa, en het puriteinse Amerika.

Onze overdadige angsten op emotioneel en erotisch vlak, geprojecteerd op Victoriaanse zuiverheidsidealen die op hun beurt weer steunen op Roussiaanse denkbeelden kunnen inderdaad voor allerlei trauma’s zorgen als ze maar genoeg geloof en duwtjes in de rug krijgen vanuit de meerderheid die dit patroon blijft voorhouden.

“Moins les gens prennent la pensée au sérieux, plus ils pensent conformément à ce qu’ un état veut.
En effet quel homme d’ état n’ a pas rêvé de cette toute petite chose impossible, être un penseur.”
(Gilles Deleuze)

De laatste Europese top in Brussel was daar een sprekend voorbeeld van.


uit het reiscarnet (17) (425)

100_40b5ba808ea42570a7cc239668e1eecb

Waarde reisgenoot,

Soms zijn er dagen dat onze wereld verwoest lijkt, dat gesprekken en betogen op een verkeerde plaats zijn gehouden, met vernietigende gevolgen.

Om dan niet in een soort wanhopige scheldpartij of nutteloze tegenspraken te vervallen, zoek ik meestal de teksten van grote denkers en dichters op.
Zij bevrijden mijn gepijnigde geest en lijf meer dan welk betoog dan ook.
Ik weet dat ook jullie niet gespaard worden, vandaar mijn vraag om wederzijds mededogen.
Mijn boeken heb ik in veiligheid gebracht, de rest mogen de haaien hebben.

Ze hebben het zelfs op ons huis gemunt.
Vergeef me, ik zwijg dadelijk want mijn kreten worden met de minuut waardelozer.

Daarom naar een filosoof die ik ten allen tijde zeer bewonderde.
Cornelis Verhoeven (1928-2001)
Over woorden schreef hij het volgende:

“Het taboe op de elementaire dingen is bijna tot een vanzelfsprekendheid geworden.
Uit vrees voor het sentiment wordt hun bestaan genegeerd, zodat ze zich moeten verschuilen in de tamelijk obscure hoek van het amusement.

Verpakt tussen grollen, pikanterie en stuntwerk mag daar ook nog de lente, de moederliefde en het verdriet ter sprake komen.
Daarbuiten wordt eindeloos verder geknutseld aan een heelal van woorden over woorden, gestolde lava rond een vulkaan die toch ooit gewerkt moet hebben.

Zelfs het activisme, erfgenaam van een aloude grimmige daadkracht, heeft zijn eigen verbalisme ontwikkeld.
Weinig uitdrukkingen zijn zo verbalistisch als de duizend maal herhaalde stelling, dat het niet om woorden, maar om daden gaat en dat er eindelijk eens iets moet gebeuren.
Er zijn tientallen woorden in omloop gekomen die met een zekere wilskrachtigheid gehanteerd worden, maar die betrekking hebben op daden en gebeurtenissen die nooit hebben plaats gevonden en ver boven ons vermogen liggen: de maatschappij veranderen, revolutie, progressief beleid, bewust maken en zelfs: opvoeden. (Is er ooit iemand opgevoed?)

De zogenaamde mensen van de daad zijn de grootste verbalisten geworden.
Voor hen zijn de woorden het middel om de illusie in stand te houden dat de wereld volkomen hanteerbaar is, even hanteerbaar als de taal.

Het is een elementair genot en een klein wonder deze wereld te zien instorten, geruisloos als nat geworden karton, naar buiten te kunnen kijken zonder een mist van woorden voor de ogen, een merel te horen zingen zonder aan poëzie te denken, oude dingen nieuw te zien worden zonder een revolutionaire ingreep en zonder begeleidend commentaar.

De taal is een omweg naar de sprakeloosheid; als er echt iets gebeurt, hebben we niets te zeggen.”

Cornelis Verhoeven, Weerloos denken, beschouwingen over de invallen en het oeuvre, Ambo, Baarn, 1982

(De Ventiaanse prent komt uit een schetsboek van Sargent, met dank aan Harvard University)