728_dccd783c569ceb742730df14500930e1

Communiceren was in mijn kindertijd iets heiligs.
Als zesjarig jongetje werd je onderricht in het wezen van deze verbinding: god kwam in je hart wonen.
Wie god was en wat je van zo’n woonplaats in het hart moest voorstellen, maakte niet uit.
Het begon trouwens met schuldgevoelens:

“Jezuke liefste vriend, waar heb ik het toch verdiend,
dat jij in mijn hartje komt wonen, jij die in de hemel moet tronen.

Veel soeps zou het dus in dat hartje van mij niet zijn, en een zekere graad van verdwazing moest dan de liefde van god voorstellen die hoe dan ook zijn troon inruilde voor een plaats in zo’n zesjarig hartje.

Maar dat zijn bedenkingen achteraf, dus op dat moment niet ter zake. Vals zelfs.
De eerste communie was een zonovergoten kapel van de broedersschool waar je een aantal keren naar toe werd geleid om je voor te bereiden op zo’n spectaculaire komst.
Voor kinderen van zes kan Jezus best een plaats in je hart krijgen.
Naast Donald Duck en de zijn neefjes.
Het was de geur van die kapel, en vooral ook: de leegte.
Als wij er kwamen, vulden we slechts enkele rijen vooraan, en de rest bleef leeg.
Er waren nog geen geluidsversterkingen, dus de priester die ons voorbereidde had al dadelijk een streepje voor want hij sprak heilig. Met galmende stem.

Wat hij zei weet ik al lang niet meer, wel dat god overal was, en dat was hoe dan ook geen frisse gedachte want zelfs als kind van zes wil je best wel eens iets doen waar dat goddelijke oog niet was gewenst.
Maar daarvoor mocht je dan de eerste keer te biechten gaan.
Achter het altaar.
Er zat een man met een lint rond zijn hals en die verborg verder zijn gezicht achter een soort doorzeefd houten staketsel waarvoor een bankje was geplaatst waarop het zondige kind kon knielen.

Ook dat maakte weinig indruk.
Je speelde mee want er kwam een dag vol verrassingen en cadeautjes aan, en daarvoor mocht best wat pijn geleden worden.

Het orgel.
Het was een van de eerste keren dat ik een groter orgel hoorde.
Tante Begijn had een harmonium en in de huiskapel werd nooit gezongen, laat staan georgeld.

Nu hoorde ik het grollen van de diepe tonen, de flageoletten van de fijn gebekte registers en vooral de afwisseling waarin hevig gedonder plotseling in zacht gemurmel kon overgaan terwijl de lentezon door het art nouveau-achtige glas van de broederskapel de ruimte volkladde met abstracten.
Hier ontstond mijn vroege communio met het wonder van de woordeloze taal.
Ze werd onmiddellijk met kleuren en doorzichtigheid geassocieerd: houten banken, rode knielkussentjes, vlekken rood en blauw met fijnzinnig geel op de zwarte tegels en de stemmetjes die Jezuke beste vriend begonnen te zingen.

Ik vergeet de geur.
Zeep, wierook en boenwas.
Dat waren de geuren van heiligheid waarin een jongetje in een wit matrozenpakje naar het altaar ging om dat kleverig stukje hostie op zijn tong te voelen, een wat vreemde weg om in je hartje te geraken, vond hij toen al.

De geuren, het orgel, de kleuren, het nieuwe matrozenpak, de witte schoenen, lente en nooit regende het als je zes was.
Een ware communio waarbij het hedendaagse “communiceren” van politici bijvoorbeeld maar een schraal beestje is.