uit het reiscarnet (28) (436)

941_4bd25e28fb37411fb6435f7d9a544c31

‘Cultuur is immers die vorm van gedrag en die levenshouding, waarbij afspraken regulerend werken, zodat een gemeenschap kan ontstaan.”
(Flip G. Droste, Bij wijze van Spreken, over taal, gedrag en communicatie, Ambo, Baarn, 1977)

Laten we terugkeren naar de communicerende vaten.
De thee staat in de tuit net zo hoog als in de pot, simpel gezegd.
Het vijfde en zesde leerjaar was de tijd van allerlei vaten waar kranen aan vast hingen of op uitkwamen en die met een verschillend debiet die dingen leeg maakten of vulden.

Ik heb wilde fantasieën over al die bakken en vaten gehad: hun vermoedelijke kleur, het uitzicht (in mijn fantasie waren het tonnen of ouderwetse botervaten) en de waanzin van ze leeg te laten lopen en ze tegelijkertijd weer te vullen.
Toen kwamen we aan de communicerende vaten.
De naam vond ik prachtig.
Ze hadden zeker iets te maken met de bruiloft in Kanaän waar Jezus water in wijn veranderde.
Neen, hoor. Communiceren was: in verbinding staan met elkaar zodat hun inhoud op hetzelfde niveau kwam te staan.
Ja, en?
Natuurlijk stond de thee in de tuit net zo hoog als in de pot.
Waar zou hij anders staan?
Waarom moest je zo’n mooie naam aan zo’n stom verschijnsel geven?
Dat gevoel van heiligschennis dat je ook bij hemelwater hebt (bedoeld wordt gewoon water dat uit de lucht komt, regen dus) of bij het woord kubus en veel minder bij afgeknotte piramide, enz. zeker niet bij vierkantswortel (tandarts!)

Of dat nu cultuur was of wetenschap (en so wie so is wetenschap cultuur!) of poëzie met een bult, het hoorde niet thuis in mijn leefwereld.
Mensen communiceerden.
In de kapel of de kerk.
En daarbuiten was er bitter weinig tenzij mond dicht en luisteren, en heb je je huiswerk al gemaakt?
(ik overdrijf, maar iedereen die na de oorlog is geboren en nu bij de “vergrijzing” hoort, weet wat ik bedoel.)

Communicerende vaten hadden op het eerste gezicht niets met ‘levenshouding’ of ‘gedrag’ te maken, maar bij nader toezien leerde je dat er niveau’ s in het denken waren die wel eens door elkaar mochten lopen.
Heilige woorden in de wetenschap, en vice versa want als ik de engel met het vlammend zwaard bij de uitgang van Edens tuin zag staan was ik Star Wars al voor met mijn verbeelde versie van het laserzwaard.

Of ze ook ‘afspraken’ reguleerden zoals prof. Droste schreef, is weer een andere zaak.
Afspraken werden niet gemaakt in onze kindertijd.
Zeker niet door of met kinderen.
Die waren er.
Al lang voor je geboren werd.
Dus te reguleren was er bitter weinig al leerde je daardoor wel de kunst van het zijpaadje en de vaardigheden om te onderhandelen.
Uit bittere noodzaak.

En ontstond er een gemeenschap?
Ook die lag al vast.
Wij hoorden bij die groep en de anderen, jong en oud waren bij die “gemeenschap”, beter gezegd: “stand”.

Elke stand had zijn eigen jargon, voorschriften en regulaties.
In mijn internaat had je compagnies die namen droegen als ‘de boeren’ en, ‘de kempenaars’,en wij leerden als stadsminderheid (in zo ver je Turnhout een stad kon en kunt noemen) samenleven tegen wil en dank met de Loenhoutse, Brechtse en Sint Lenaartse agrarische afstammelingen.

En dat was nog maar één onderverdeling, want je had nog andere stammen: de voetballers (meerderheid) en de niet-voetballers (zeer kleine minderheid), later aangevuld met die “het” al konden (minderheid) en die deden alsof ze het al jaren deden (overgrote meerderheid, nog steeds).

En dan zwijgen we van de toneelspelers (bewonderde minderheid) en de kijkers (de anderen), de gouden kaarten (zeer grote meerderheid, het is immers 1956-1960) en degenen met slechte noten (de durvers, later meestal schrijvers en cultuurdragers), en ga zo maar door.

Voor de bijna twaalfjarige jongen die zijn “plechtige” communie had gedaan was de wereld één grote wildernis.

Goed, hij wilde op avontuur: latijn leren en dus op internaat, zodat zijn verdeelde wereld minstens al tussen de muren van een bisschoppelijke instelling kwam te liggen waar de het teken van de bel het levensritme aangaf en je dus verplichtte om ontsnappingswegen te zoeken en hoe dan ook met de halve wereld van toekomstige priester-kandidaten en goddeloze ingenieurs te leren omgaan.
Mogelijkheden om in een fanfare mee te spelen, in koren te zingen, toneel uit te voeren, voor te dragen, opstellen te schrijven, en muziekesthetica te volgen, het had niets met wat wij nu met cultuur noemen te maken.
Gelukkig.
Het waren telkens ontsnappingsmogelijkheden uit de harde wereld van 600 bij elkaar gezette kinderen en jongeren die weldra zouden betoverd worden door de magische uitdrukking “economische expansie” nog voor het bedrijfsgerichte onderwijs in de wenskorf kon liggen.

Maar voorlopig gingen ze elke morgen naar de mis, zondags twee keer, en lof op de feestdagen zodat ze in enkele jaren genoeg godsdienst bij elkaar hadden gespaard om met de intrest een leven lang verder te kunnen.

De communie bleef nog steeds dat geheimzinnige mengen van het goddelijke met het het jongetjeshart dat intussen in een woelige puberziel was veranderd.
Maar je ging naar de marmeren groen en zwart gevlamde communiebank waarover het nonnentjesstijf linnen hing en terwijl je je tong uitstak knipoogde je vriendje die de zilveren pateen droeg, en je wist dat de rode pinkstergewaden alles met de menselijke liefde hadden te maken.

Montherlant leefde toen nog.
Zijn wereld is met hem ondergedoken, maar de intensiteit van zijn beelden zullen ons telkens weer opbreken zoals een spookschip dat nooit zinkt maar zonder bemanning door de golven scheurt.
Het teken van de bel.
Wij op ons groot schip op de golven van de Kempense velden, zeshonderd toekomstige bejaarden in zijn ruim, onzichtbaar voor de wereld, maar des te meer voor elkaar.

Wees zacht voor die jongenstijd, hemel hem niet op, maar verketter hem ook niet, want het andere paradijs is hemelhoog.

De prent is van de jonge Spaanse kunstenaar Miquel Barcelo en werd in opdracht van het Louvre gemaakt.
Ze werd daar in 2004 tentoongesteld.
Het is één van de prenten die de goddelijke komedie van Dante illustreert.
Hier “Le Paradis”.